SONJA BAREND
'JE KEEK NAAR SONJA. PUNT UIT'

15 juni 2002



Na zes seizoenen B&W vond ze het welletjes. Niet dat ze het niet leuk meer vond, integendeel. Maar Sonja Barend had ‘iedereen die er toe doet in het debat’ inmiddels gesproken. Het werd een herhaling van zetten. ‘Henk Kamp (VVD-kamerlid) begroette ik al met: “zó, goede vriend, bén je d’r weer?”.‘ Aan helemaal stoppen met televisie heeft Barend niet gedacht. Het blijft toch ontzettend aantrekkelijk werk, zegt ze. ‘Soms denk ik: weet je met wié ik wel ‘ns een mooi programma zou willen maken?… Met hém”. En dan kan ik het bijna altijd ook doen.’ Stralend: ‘Wat is er nou leuker dan dat?’ Ze wil zich vanaf nu graag verdiepen in ‘dingen die buiten de actualiteit vallen’. Daarom gaat ze voor volgend seizoen een nieuwe serie maken: Masterclasses. Het moeten programma’s worden waarin ‘de allerbesten uit een bepaald vak’ iets van hun kennis overdragen aan anderen. Daarbij denkt Barend aan mensen als Cecilia Bartoli, Johan Cruyff of Steffi Graf. ‘Hoe beroemder de master, hoe bekender z’n leerlingen kunnen zijn.’ Er staan zes afleveringen gepland. ‘Daarna zien we wel weer verder.’

Sonja Barend bedacht de formule voor B&W ruim zes jaar geleden, bedoeld als journalistiek antwoord op de horizontale programmering van de commerciële omroepen. Ze heeft er nooit een seconde spijt van gehad. ‘Het heeft me veel gebracht. Die waanzinnige angst die ik vroeger voor een uitzending had is eraf. Dat kan ook niet anders; een mens gaat dóód als-ie drie keer per week zo bang is.’ Maar het bijzondere ging er met drie keer televisie per week natuurlijk ook vanaf, erkent ze. ‘Naar B&W kijken vierhonderdduizend mensen. Vroeger keken er vier miljoen. Sonja was spraakmakender. Ook omdat er toen nog veel minder zenders waren. Ik kwam nooit bij de groentenman zonder dat het erover ging. Het leefde veel meer. Op zaterdag keek je naar Sonja. Punt uit. We hadden altijd heftige discussies of onderwerpen waarover nog nooit op tv gesproken was; een pedofiel of iemand die aan het Gilles de la Tourette-syndroom leed. Dat soort televisie bestaat niet meer. Er zijn geen onderwerpen meer die nog zo verbazen of verbijsteren. Als Pim Fortuyn op een vraag over z’n schaamhaar zegt dat alle leuke jongens maar moeten komen kijken, dan kun je wel nagaan hoe de tijden zijn veranderd. Dat zou vroeger tot honderden opzeggingen hebben geleid. Maar Pims aanhang nam er blijkbaar geen aanstoot aan.’

Eigenlijk heeft Barend en Van Dorp van alle huidige programma’s nog het meest die oude Sonja-sfeer, nu ze er zo over nadenkt. ‘De sfeer van onrust, gedoe, lachen en “alles kan”.’

Barend en Van Dorp is vaak spraakmakender dan B&W.
‘Dat komt door die informele sfeer. Hoog in het vaandel van mijn oude programma stond: “valt er wat te lachen?” Bij hun valt altijd wat te lachen. Jan zit de boel flink op te stoken, Frits en Henk zijn leuke, goede journalisten. Alle ingrediënten zijn aanwezig.’

‘Het mooiste is dat er bij een gesprek iets ontstáát. Als dat lukt, in vijfentwintig minuten en met iemand die je nooit eerder hebt gezien, mag je heel tevreden zijn.’ Laatst overkwam het haar nog, in een gesprek met de negentigjarige Marten Toonder. Terwijl de voortekenen niet direct gunstig leken. ‘Joke, mijn grimeuse die me al vijfendertig jaar opmaakt, heeft een heel goed inzicht in mensen. Ze schminkt ook de gasten. Soms komt ze vooraf even naar me toe: “die mevrouw is heel erg zenuwachtig. Misschien moet je haar even een hand geven”. Ze heeft altijd gelijk. Nu stond ze aan mij te schilderen en zei ze, over Toonder: “hij is wel erg …. lang-zaam”. Ik dacht: oh mijn God, had ’t maar niet gezegd. Maar hij ging zitten en het was meteen gebeurd! Het werd een prachtig gesprek. Het omgekeerde komt ook voor. Het is dramatisch als iemand tegenover je gaat zitten en na je eerste vraag zegt: “ik wil eerst even iets rechtzetten”. Dat komt niet meer goed. Geen idee waarom.’


Laatst was Koos Postema in B&W te gast. Of al die programma’s van hem uiteindelijk nou iets hadden opgeleverd, wilde Barend weten. In feite stelde ze die vraag natuurlijk aan zichzelf, geeft ze toe. Het antwoord hangt, zegt ze ernstig, van haar bui af. De voornaamste verdienste van negentien jaar Sonja en zes jaar B&W is dat mensen makkelijker zijn gaan praten. ‘Het is normaal geworden om te discussiëren en dingen bij de naam te noemen. Er zijn steeds meer van die programma’s gekomen. De talkshow is aardappels geworden, terwijl het vroeger een bijzonder diner was. Dat vind ik op zichzelf heel leuk. Vroeger waren we er jaloers op dat bijna iedereen in Amerika zo ontzettend goed kon praten. De eerste de beste op straat had een verhaal, terwijl mensen hier vooral bonkig stonden te kijken.’ Merkbaar trots: ‘Dat is veranderd, mede dankzij ons.’ Maar een tijdje geleden zag ze Ad Melkert in Netwerk. ‘Die zei: “we moeten meer de wijken in, meer de taal van de mensen gaan spreken”. Dan slaat er echt een blinde drift door me heen. Want dat speelt echt al zo lang ik televisie maak. Heel vroeger had ik in mijn programma een rubriek die De Rooie Pet heette. Ik liet zien wat een politicus die week gezegd had, en vroeg aan de zaal: “snapt u nou wat-ie zegt?” En dan nodigden we die politicus uit om het bij ons nog ‘ns te zeggen, maar dan in gewone taal. Dat is dus vijfentwintig jaar geleden!’

‘Laatst had ik Els Borst in B&W. Eén van haar laatste interviews, want ze komt niet meer terug. Ik dacht: wat zou het nou leuk zijn als het een mooi menselijk gesprek zou worden. Dat moet voor haar toch ook aantrekkelijk zijn. Dus ik vertelde haar van tevoren over het gesprek met Marten Toonder. Ik zei: wat is het toch fantástisch bij zo iemand dat alle buitenkant eraf is. Hij heeft niets meer op te houden, is gewoon zichzelf.’ Maar Borst pakte de hint niet op. ‘Ze probeerde toch weer even snel die hele riedel over haar beleid af te draaien. Dan denk ik: waarom begrijp je het nou niet? Denk je nou echt dat de kijker door die riedel gepakt wordt, en opeens denkt: “verdomd, dat gezondheidsbeleid was inderdáád hartstikke goed”…? Een mooi gesprek had voor haar veel meer zoden aan de dijk gezet.’

‘Als je met een politicus praat, is het vaak net of je aan twee kanten van een loket zit. Er zijn weinig leuke, aansprekende mensen bij. Als er al een leuke bij zit, is dat er binnen twee maanden afgebikt door al die mediatrainers. Ik weet nog dat Jorritsma kwam. Ze werd op tv geïnterviewd door Ischa Meijer. En ik vond ‘r énig! Ze was geweldig. Eindelijk ‘ns een leuk iemand die zegt wat ze vindt! Dat was dus ook direct de laatste keer. Politici zijn soms zeer bekwáám, maar je zou er geen borrel mee willen drinken. Allemaal gevangen in dezelfde maalstroom, waardoor ze in al die jaren vergeten zijn hoe ze met hun achterban moeten praten. Daar hebben ze nu dus de rekening voor gekregen.’ Ze vertelt over een Zembla-documentaire die ze onlangs zag, over een sterk verpauperde wijk in Rotterdam. ‘Daarin volgden ze een aantal ambtenaren van de sociale dienst. Doorgezakte plafonds, twaalf personen van vier verschillende nationaliteiten op één adres, alles kapot… zoiets heb je nog nooit gezien. Vervolgens zag je ook Melkert door die wijk lopen, en hoorde je ‘m aan zo’n ambtenaar vragen: “zeg, wat doét zo’n woning nou eigenlijk?”’ Barend laat zich demonstratief achterovervallen in de rieten fauteuil, slaat de handen voor haar gezicht. ‘Dan overvalt de moedeloosheid mij. Er is dus werkelijk een enorme kloof. Terwijl de televisie –om bij m’n eigen vak te blijven- heel erg z’n best heeft gedaan om die kloof te dichten. Waarom dat dan toch niet gelukt is? Omdat het qua stemgedrag tot nu toe altijd gewoon is goedgegaan. Nu pas is met een keiharde dreun al dat ongenoegen bovengekomen.’

Eén van de belangrijkste pijlers van je oude programma was de lofzang op de multiculturele samenleving, en de strijd tegen vooroordelen. Dat idee is inmiddels behoorlijk door de feiten achterhaald. ‘Kijk, die tolerantie… daar heb ik jarenlang hard aan meegedaan. Ik was jarenlang doortrokken van het idee om met heel veel verschillende culturen samen te leven. Ja, en als dát nou je ideaal is…?’

Is het een vergissing geweest? Verontwaardigd: ‘Nee, helemaal niet. Het lijkt me nog steeds ideaal. Alleen zijn er dingen niet gedaan die wel hadden gemoeten. We hadden moeten zorgen dat die mensen razendsnel zouden integreren.’

Zou je het nu anders gedaan hebben?
‘Dat kun je zo niet zeggen. We hebben niet kunnen voorzien dat er zoveel tienduizenden asielzoekers binnen zouden komen, en niet stilgestaan bij de vraag wat we met al die nationaliteiten zouden moeten doen. Ik ben me er wel altijd heel erg van bewust geweest dat je in een vreemd land onmiddellijk de taal moet leren spreken, en moet integreren. Ik ben heel druk bezig geweest om een Nederlandse taalcursus op televisie op te zetten. Want die buitenlandse vrouwen zitten namelijk allemaal thuis. Ik heb er met Jo Ritzen (toenmalig minister van onderwijs) en de VARA over gesproken, zei: ik hoef er niets voor te hebben, ik doe het gratis. Maar het is nooit gelukt. Duízenden bezwaren: op welk niveau moest dat dan, en ze waren toch allemaal analfabeet? En ik zei steeds: ik ben in 1969 naar Israël gegaan. Weliswaar niet als analfabeet, maar ik moest een compleet nieuw schrift en een nieuwe taal leren. Ik zat met zeventien nationaliteiten in een klasje van twintig, de juffrouw sprak geen woord Engels. Maar het gíng; binnen een half jaar sprak de hele klas de taal. Ik kon me heel goed verstaanbaar maken, begreep waar iedereen het over had. Dus het kán. Echt heel jammer dat het nooit van de grond gekomen is.’

Hoe bitter is het om te zien dat bij de anti-Israëldemonstratie op de Dam een joodse man werd belaagd door dezelfde jongens die jij altijd hebt verdedigd?
Diep zuchtend: ‘Oh, dat vind ik zo ingewikkeld. Helaas is het een feit dat vervelende Marokkaanse jongeren een joodse jongen hebben belaagd. Dat is gruwelijk en verschrikkelijk. Maar ik heb niet het gevoel dat al mijn programma’s dus op een misverstand hebben berust. Je moet niet denken dat alle Marokkanen achter joden aanjagen. Dat is net zo bezopen als zeggen dat alle joden mooi viool spelen. Laatst zei een collega: “ja, maar je merkt toch zelf ook wel dat we zo niet door kunnen leven met al die buitenlanders? Als jij op straat loopt en er staat een groep Marokkanen op de hoek, dan spugen ze naar je”. Ik zei: dat heb ik nog nooit meegemaakt. “Nou, dan kijk je niet goed.” Ik kijk juist heel goed. Ze zullen er ongetwijfeld zijn, maar ik heb het niet ondervonden. Terwijl ik toch heel vaak op straat loop.’ Ik vraag of ze onlangs Bolkestein gezien heeft, die in Buitenhof aangedaan vertelde hoezeer hij geschokt was geweest door het feit dat juist in Amsterdam een joodse man was opgejaagd. Natuurlijk heeft ze dat gezien, zegt ze. ‘Het was zeer indrukwekkend wat hij zei.’ Wat haar dan zo trof? Plotseling merkbaar geëmotioneerd: ‘Het had iets ontzaglijk dierbaars dat een niet-jood dat zei. Het gevoel van: iemand neemt het voor ons op.’ Ze zwijgt geruime tijd. Ja, het is misschien idioot, zegt ze dan, ‘maar het ontroerde me omdat ik zag dat Bolkesteins emotie écht was. En ik zie nog steeds dat vreselijke beeld van een jongen met een keppeltje op die opgejaagd wordt; Krasnapolsky in, dat stáát voor joden. En dat ze daar dan de ruiten ingooien… Alles wat ik geleerd heb van me af te houden, wordt dan ineens opengebroken. Juist omdat het zo dicht op mijn eigen huid is.’

We praten over Israël, het land waar ze zelf drie jaar woonde. Het was kort na de Zesdaagse Oorlog van 1967, en de hoop op een blijvende vrede was alom voelbaar. ‘Iedereen dacht: “we hebben nu die gebieden en die ruilen we gewoon voor vrede. Klaar is Kees”.’ Maar Israël is wezenlijk veranderd, moet ze tot haar verdriet constateren. En een open gesprek daarover is met de meeste Israëli’s bijna onmogelijk. Dat merkt ze als ze familie of goede vrienden uit Israël aan de telefoon heeft. ‘Die zeggen: “er wás toch geen bloedbad in Jenin? Jullie hebben het toch terug moeten nemen? Er zijn hier twee Nederlanders geweest die bevéstigd hebben dat er geen bloedbad was. Er wáren geen honderden doden”. Discussiëren is moeilijk want je krijgt toch altijd dezelfde argumenten terug.’ Vorige week nog, ze zou net gaan koken toen de telefoon ging: haar familie in Israël. ‘Het begint onschuldig met: “hoe gaat het?” Maar langzaam maar zeker komt toch die discussie weer. Mijn man nam de telefoon over. Ondertussen ging ik koken. Alles stond allang op tafel toen ik zei: “Abel, nu moet je maar neerleggen, want die vrede krijg je toch niet voor elkaar.’

Is het moeilijk om van Israël te blijven houden?
‘Ik ben ontzettend blij dat het er is. We hebben zelf allemaal die achtergrond van verwoeste levens en kapotgeslagen families. Maar het is verschrikkelijk moeilijk om ervan te blijven houden als je ziet wat de regering onder Sharon doet. Ik kan erg slecht tegen die bezette gebieden. De hele discussie over wat er in Israël gebeurt speelt zich hier in huis bijna dagelijks af.’ Verlegen: ‘En toch… als ik dan hier in Nederland al die kritiek op Israël hoor en lees, maakt me dat ook intens treurig. Er is hier niemand meer die nog iets voor Israël voelt. Eigenlijk begrijp ik dat. Maar ik denk ook: dit wil ik niet. Want het blijft toch Israël. Dat is zó ingewikkeld.’


Tweeënzestig is ze nu. Samen met Hanneke Groenteman behoort ze tot de oudste presentatoren bij de televisie. Maar verwacht van Sonja Barend geen gloedvolle betogen over de verloedering van de televisie, of het onvermogen van jongere generaties. Integendeel. Ze heeft met veel genoegen de uitzendingen van Lijst Nul gevolgd, gepresenteerd door de BNN-presentatrices Katja Schuurman en Bridget Maasland. ‘Dat vond ik ontzettend leuk. Die meiden zijn ongeveer net zo oud als ik was, toen ik bij de televisie begon. Ze zijn zoveel brutaler, trekken hun blouse nog ‘ns tien centimeter naar beneden. Schijt aan alles en iedereen. Dat vind ik geweldig. Als ik die meiden zie, denk ik: ik zou nog wel opnieuw willen beginnen. Heel even weer meedoen.’ Ze kan ook ademloos van bewondering kijken naar haar eigen redacteuren, vrijwel allemaal dertigers. ‘Als ik zie hoe die in het leven staan en werken… dat verschilt in niets van toen ik zelf dertig was. Hartstikke aardig, inhoudelijk goed, en in staat om bijna elk gesprek perfect voor te bereiden. En dan combineren ze dat ook nog met een gezin en kleine kindjes. Ik sta soms paf van de manier waarop ze over dingen praten, denken en lezen. Zo goed en serieus.’


Soms schrikt ze van de gedachte dat ze al het grootste deel van haar toekomst achter de rug heeft. Dat is een idioot idee, vindt Barend. ‘Ik vind het ook erg jammer. Omdat het leven nu zeker niet minder leuk is dan dertig jaar geleden. Het is zelfs nog veel leuker dan toen. Des te akeliger het besef dat het grootste deel al voorbij is.’ Ze heeft altijd intens geleefd. Vroeger al. ‘Ik leef elke seconde, elke minuut. Ik ben me zeer bewust van iedere dag, en van alles wat ik doe. Daardoor realiseer ik me ’s avonds vaak: alwéér een dag voorbij.’ Ik vraag of daarbij meespeelt dat ze ernstig ziek is geweest (Barend werd tien jaar geleden aan kanker geopereerd). Dat moet haast wel, zegt ze peinzend. ‘Er was een tijd dat ik hier naar buiten keek en dacht: dit is dus de laatste keer dat ik de gouden regen uit zie komen. Het allerlaatste voorjaar. Maar je kunt ermee leven, zelfs een angsthaas als ik, domweg omdat er niks anders op zit.’ Ze heeft maar even in het ziekenhuis gelegen. Direct daarna –eind augustus, het nieuwe televisieseizoen begon- is ze weer gaan werken. ‘Eerst ’s morgens vroeg naar het Anthonie van Leeuwenhoekziekenhuis voor de bestraling. Ik mocht extra vroeg komen zodat al die mensen in de gangen me niet zouden aangapen. Abel ging iedere dag mee. Op ’n gegeven moment stond het allemaal in Privé. Die lag daar bij tientallen op die tafeltjes. Abel stak ze allemaal in z’n binnenzak. En direct daarna reed ik dan door naar de redactie. We hadden in de Rode Hoed een stretcher staan, zodat ik ’s middags even kon slapen.’

‘Wat ik van die tijd in het ziekenhuis het ergst vond was de eenzaamheid in je hoofd. Ik heb absoluut de allerbeste man van de wereld, die me met alles geholpen heeft. Maar als hij, z’n kinderen of m’n vrienden bij me zaten, dacht ik: jullie gaan straks weg, en dan ben ik weer alleen. Dat is een gruwelijk soort eenzaamheid. Ik heb achtenveertig uur geïsoleerd gelegen, achter een looien deur, aan allerlei enge draden. Dan keek ik uit het raam. Het was een prachtige zomer. In de flat aan de overkant zat ’s morgens een ouder echtpaar op de waranda. Er stond een piepklein tafeltje, waar die vrouw eerst een geruit kleedje overheen legde, met op de hoeken vast van die zelfgeborduurde kruissteekjes. Daarna kwam ook die man zitten; kopje koffie, koekje erbij, samen in de zon.’ Fluisterend, en opeens heel verdrietig: ‘Dan dacht ik: die mensen weten niet dat ik hier aan al die enge dingen lig en misschien wel doodga. Ze weten niet hoe gelúkkig ze zijn dat ze samen op hun balkonnetje koffie kunnen drinken. Alsof je naar een film van het leven zit te kijken terwijl je zelf al dood bent.’

Hoe was het om de toekomst weer terug te krijgen?
‘Het gekke is dat je al heel snel weer meedoet. Ik wond me al gauw weer op over de rotzooi in de voortuin. Maar de angst gaat nooit meer helemaal weg. Dat heb ik altijd gehad. Ik ben ontzettend gelukkig, maar leef heel erg met het idee dat één telefoontje je hele leven kan verwoesten. Ik hou ook niet van de telefoon. Als ik zelf niet opneem, luister ik altijd naar de eerste zin van Abel, tot ik denk: “gelukkig, d’r is niks ergs”. Dat neemt niet weg dat ik een geweldig leven heb. Ik sluip echt niet als een muis door m’n eigen bestaan.’ Ze is eigenlijk uitstekend met die 62 jaar Sonja Barend-schap omgegaan, nu ze er zo over nadenkt. ‘Ik heb altijd gedacht: haal eruit wat erin zit, Barend. Dat is mij aardig gelukt. Ik heb hard gewerkt, en het beste van mezelf ingezet. Terwijl ik m’n dagen ook schaamteloos kan verklungelen. Ik kan rustig een uur naar buiten kijken en denken: wat zit ik lekker m’n dag te verkwanselen. Héérlijk. Ik weet nog dat ik net een wasmachine had met zo’n ruitje erin. Zelden een groter genoegen gekend dan lekker door dat ruitje te kijken wat er allemaal langskwam. Echt, daar kon geen televisieprogramma tegenop.’

© Coen Verbraak, 2002