DENNIS BERGKAMP
“IK BESEF DAT IK MIJN TALENT GEKREGEN HEB”

Kerstnummer 2002



De metershoge hekken rondom het trainingkamp van Arsenal –in St. Albans, veertig kilometer boven Londen- openen zich uitsluitend voor gasten en genodigden. Voor anderen is het immense complex, bestaande uit tien lakenglad-gemillimeterde voetbalvelden, strikt verboden gebied. Maar wie eenmaal is toegelaten tot het hypermoderne clubhonk, wordt per definitie beschouwd als goed volk. En dus krijg je zomaar een hand van David Seaman en een vriendelijk hoofdknikje van Thierry Henry. Dennis Bergkamp vertoeft intussen nog in de gym beneden. Hij heeft gisteren dan wel niet meegespeeld in Rome, in de Champions Leaguewedstrijd tegen AS Roma, maar dat is natuurlijk geen reden om de verplichte rek- en strekoefeningen over te slaan.


Anderhalf uur later verschijnt hij dan toch. Staalblauwe ogen, ferme handdruk. Maar het gesprek verloopt aanvankelijk moeizaam. “God, wat is Dennis Bergkamp saai”, schreef Sue Mott in 1999 in een interview in The Daily Telegraph. De vedette had haar in een gesprek bijna tot wanhoop gebracht. Ook nu blijkt de Gunner bepaald geen geboren redenaar. Bergkamp is in de conversatie een eiland, met een uiterst spaarzame bootverbinding met de vaste wal. Alle poëzie zit bij hem in z’n benen. Hij antwoordt kortaf –“inderdaad”, “zeer zeker”- met een stemgeluid, waarin nog hoorbaar de Westertoren doorbeiert. Ja, hij wéét dat-ie ‘vrij koel’ overkomt. ‘Eigenlijk zelfs saai. Daar hou ik wel van, dat vind ik prima.’ De schuchterheid wordt misschien nog verergerd door de lokatie; we zitten samen in de enorme persruimte, naast de eetzaal waar de selectie zojuist de lunch heeft gebruikt. Wanneer de spelers even later langslopen, vliegt vier, vijf keer de deur open: “hey Dennis, stop talking!”. Steevast gevolgd door hilarisch gelach. Bergkamp kijkt niet op of om, gebaart stilletjes naar mij dat ik het beter kan negeren. Voetbalhumor is bij Arsenal nou eenmaal niet anders dan in de kleedkamer van V. V. Drachten.


Natuurlijk heeft-ie de wedstrijd gisteren op televisie gezien, zegt Bergkamp. Hoewel… eerlijk gezegd alleen de tweede helft. Tijdens de eerste helft koos-ie voor Ajax-Valencia. Het bloed kruipt nou eenmaal toch waar ’t niet gaan kan. Bovendien is zijn oude ‘cluppie’ de volgende tegenstander van Arsenal. Hij heeft geconstateerd dat Ajax de laatste tijd weer ‘een paar flinke stappen vooruit’ is gegaan. ‘Niet alleen qua resultaat, maar ook technisch en tactisch. Er zit veel meer verband in. Je ziet dat ze met een visie spelen. Dat is ongetwijfeld mede de verdienste van Ronald Koeman.’


Wat verwacht je van de wedstrijd tegen Ajax?
‘Voor Ajax moet je altijd oppassen. Er zit zoveel voetbal in dat team. Ze zijn misschien jong en onervaren, maar dat maakt weinig uit als je zoveel voetballend vermogen hebt. Een jongen als Van der Vaart is erg sterk aan de bal.’


Als man van drieëndertig ben je in de gewone maatschappij in de kracht van je leven. Maar jij bent een bejaarde, vergeleken met Van der Vaart.
‘Ja, dat is heel gek. Het eind van je loopbaan is in zicht, of je het nou leuk vindt of niet. Dat zal in het normale leven heel anders zijn.’ Maar hij speelt er niet echt ánders door. ‘Ik denk nooit: laat ik er nu nog maar van genieten want straks is het over. Totaal niet. Als voetballer leef je heel sterk in het heden. Over de toekomst denk ik niet, en met het verleden ben ik ook nauwelijks bezig. Ik leef in het nu. Het helpt mij niets om voortdurend terug te denken aan mooie acties en goals van vroeger; ik moet ze toch steeds weer helemaal opnieuw zien te maken.’

Hij mag dan als voetballer bijna [rollator-gerechtigd] zijn, Dennis Bergkamp lijkt het laatste jaar op de absolute toppen van zijn kunnen te spelen. Met zijn magische goal tegen Newcastle United, van 2 maart jl., als voorlopig hoogtepunt. Terwijl hij twee jaar geleden nog als afgeschreven gold. Bergkamp kampte met blessures, zat voornamelijk op de bank. ‘Maar ik wist op dat moment zeker dat het niet mijn einde hoefde te zijn. Fysiek kon ik het niveau nog goed aan. Dat is nadien ook gebleken. Iedereen weet dat je in het voetbal naar een piek toegroeit. Die ligt meestal tussen je zevenentwintigste en je tweeëndertigste. Dat zijn je beste jaren. Daarna wordt het in principe minder. Maar je kunt ook proberen om die piek op te rekken. Ik ben altijd heel zuinig geweest op mijn lichaam. Niet roken, niet drinken, altijd leven voor de sport.’ Natuurlijk heeft-ie daar ook dingen door gemist. Lekker uitgaan in het weekend was er voor hem niet bij. ‘Maar als ik de optelsom maak, is het een goede keus geweest. Daardoor kan ik nu langer doorgaan.’


En zó zwaar is het leven van een voetballer ook weer niet. Ze zijn “mazzelaars”; ze hoeven nooit vroeg op te staan, en zijn alles bij elkaar hooguit zes uur per dag in de weer. ‘De echte arbeid duurt nooit langer dan anderhalf, twee uur.’


Ga je ’s morgens voor je gevoel naar je wérk?
‘Er zijn dagen dat het zo voelt. Soms zit je in een sleur. Bijvoorbeeld als je twee weken geen wedstrijden hebt, omdat er interlands zijn. Dan zijn er de eerste week dagen waarop je denkt: waar zijn we nu in vredesnaam voor aan het trainen? Zodra je op het trainingsveld staat is dat over. Dan weet je weer waarom voetbal het mooiste is wat er bestaat. Gewoon, dat gevoél van een bal aan je voet op een grasveld. Dat blijft toch de essentie: de man met een bal. Daar hoeft voor mij niet eens publiek omheen. Natuurlijk is de sfeer van een wedstrijd erg leuk. Maar het plezier in voetbal is voor mij net zo groot op het trainingsveld. Want zo ben je ook ooit begonnen, als voetballer op straat. Daarna is er veel gebeurd, kwamen de stadions waarin je ging spelen. Maar in wezen ben je nog steeds dat jongetje op straat. Dat jochie dat maar niet van die bal kan afblijven, dat toch nog even een stiffie moet proberen.’ Hij is geen man voor grote woorden, maar dát is echt houden van, zegt hij schuchter. ‘Als je dat geluk niet meer voelt, is het voorbij.’


Vier, vijf jaar was-ie toen hij op straat in Amsterdam begon te voetballen. Jongste zoon van een electriciën, met drie oudere broers, die alle drie voetbalden. De weekends waren geweldig. De ene broer speelde hier, de andere daar. Dan reed-ie met z’n ouders van het ene naar het andere veld. Hij in z’n trainingspakkie, kijkend naar z’n broers en af en toe zelf pingelend op het bijveldje. Z’n broers konden een aardig potje voetballen, maar kozen uiteindelijk voor andere vakken. De oudste is registeraccountant, de tweede is biochemicus en de jongste werkt als computerprogrammeur bij de KLM.


Het lag niet voor de hand dat de jonge Bergkamp naar Ajax zou gaan. Zijn ouders en hij zagen weinig in een kapsones-club van bontjassen en patsers. ‘Die hele mentaliteit stond me niet aan. Ik weet nog dat ik als jochie met mijn eigen club Wilskracht SNL tegen Ajax speelde. Bij rust stond het 1-1. Dat was voor Ajax natuurlijk heel slecht. Voor straf kregen ze in de rust geen thee. Kwamen ze allemaal dorstig het veld weer op.’ Twee jaar later zwichtte hij alsnog. Hij wilde toch verder, en bij Wilskracht zat dat er nou eenmaal niet in. En Ajax viel ‘m eigenlijk reusachtig mee. Hij ging er door alle jeugdelftallen heen. Hij kan zich nog die ene koude maandagavond herinneren, toen de training plotsklaps werd overgenomen door iemand anders. Opeens stond daar in het schrille kunstlicht de trainer van Ajax 1 langs de lijn: Johan Cruijff. ‘Op dat moment beseften we eigenlijk niet wat er gebeurde. Pas de weken daarna spookte het door je hoofd: “godsamme, Johan Cruijff heeft ons getraind!” Sindsdien is er altijd een connectie gebleven.’


Cruijff liet Bergkamp in december 1986 debuteren in het eerste. ‘Hij plukte me van de bank en zei heel simpel: “gewoon doen wat je ook bij de jeugd doet. Je staat op rechts. Huppekee.”. Het meest nerveuze moment had hij toen al achter de rug. Dat was toen hij voor de wedstrijd in de kleedkamer de spelers een handje had gegeven. ‘Ik wist niet waar ik kijken moest.’
Bergkamp kan zijn Ajax-tijd niet loszien van Cruijff. ‘Ik heb veel aan hem te danken. Hij beschermde me. Ik herinner mij een wedstrijd tegen Den Haag. De eerste helft stond ik rechtsbuiten. Aan de overkant zat het beruchte Den Haag-publiek. Normaal zou ik in de tweede helft aan die kant hebben gespeeld. Maar dan wisselde Cruijff me in de rust. Terwijl ik echt niet slecht speelde.’ Ook op financieel gebied ontfermde Cruijff zich over zijn pupil. ‘In het eerste jaar was ik nog geen contractspeler. Terwijl ik wel bij veel wedstrijden en Europacupduels was. Hij zorgde er in het contract daarna met terugwerkende kracht voor dat ik alsnog de premies van het jaar daarvoor kreeg. Cruijff was dan wel de coach, maar hij dácht als een aanvoerder, als een speler.’


Leken Cruijff en Van Gaal op elkaar?
‘Ik denk het toch niet. In mijn ogen is het belangrijkste verschil dat je Cruijff altijd blijft zien als geniale voetballer, als de grote Johan Cruijff. Op de training liep-ie vaak mee te ballen. Dan stonden we ademloos toe te kijken. In het begin flitste dat vaak door m’n hoofd: weet je wel dat je nu een partijtje aan het spelen bent met Crúijff! Hij gaf je zelfvertrouwen. Als je het veld opliep, hoorde je ‘m zeggen: “jullie zijn toch véél beter”. Van Gaal was weer uniek in het spelers op de juiste plaatsen zetten, in het spelers laten dénken. Hij heeft mijn spel echt beter gemaakt, zowel verdedigend als aanvallend. Maar Cruijff is toch je idool, omdat-ie op het allerhoogste niveau heeft gevoetbald. Bovendien moest Van Gaal op dat moment nog het allerhoogste in zijn trainerschap bereiken. Toen was het nog een jonge, aankomende coach.’


Van Gaal was kritisch toen je in 1993 naar Inter vertrok.
‘Hij had kritiek op het tijdstip van de contractbespreking met Inter. Die was ergens in januari. Wim (Jonk) en ik wilden het heel graag rond hebben, zodat we ons daarna konden concentreren op het goed uitspelen van het seizoen. Dat leek ons voor iedereen het beste. Twee dagen erna speelden we tegen PSV. We verloren. In de ogen van Van Gaal hadden we die zondag het kampioenschap verspeeld. Hij legde toen een verband tussen die uitslag en onze contractbespreking. Dat heb ik eigenlijk nooit begrepen. Ik wist voor mezelf dat ik de juiste keuze had gemaakt.’ Hij heeft Van Gaal er niet naar gevraagd. ‘Nadien hebben we elkaar nooit meer gesproken.’

Bij Inter Milan kwam Bergkamp nauwelijks uit de verf. Toch is het best een mooie tijd geweest, analyseert hij. ‘In elk geval geen klotetijd. Het enige vervelende was dat je niet je eigen spel kon spelen. Ons team was niet gericht op aanvallend spel. De Italiaanse competitie zit zo in elkaar dat ze een gelijkspel ook allang mooi vinden. Het gaat puur om resultaat. Ik vind resultaat ook belangrijk, maar ik hou ook erg van mooi voetbal. Dat dat bijna uitgesloten was, maakte me soms wanhopig. Toch is die Inter-tijd heel belangrijk voor me geweest. Daar zag je de andere kant van het voetbal. Bij Ajax is het altijd maar aanvallend. Als je bij Ajax een kans verprutst, komt er heus nog wel een andere. In Italië kreeg je maar één kans in de hele wedstrijd. Je was voorin volledig op jezelf aangewezen. Dat maakt je tot een betere speler.’ In 1995 stapte hij over naar Arsenal. Bij the Gunners is hij inmiddels bezig aan z’n achtste seizoen. Hij voelde direct dat het wel goed zat in Londen. ‘De sfeer is geweldig. Het publiek is razend enthousiast. Je hoeft niet eerst drie keer te scoren voordat ze opgewarmd zijn. Als je met een tackle een bal binnenhoudt, vinden ze het ook al mooi. Nederlanders zijn veel afwachtender, cynischer. Er zijn vaak Nederlanders die mij aanspreken: “nou, die Adams en Keown, zeg. Wát een prutsers”. Dat wordt dan gezegd door mensen die twee keer in hun leven een bal hebben geraakt. Typisch Nederlands. Hier hebben ze juist respect voor dat soort spelers. Ze vinden het fantastisch wanneer Bergkamp of Henry een supergoal maakt, maar ze waarderen ook de manier van verdedigen van Keown. Dat het een mindere voetballer is, zul je hier niet horen. Hij is net zo belangrijk. Als je hier een mooie wedstrijd speelt, komen spelers naar je toe: “wat heb jij een wedstrijd gespeeld! Geweldig.”. Dat maak je in Nederland niet mee. Hooguit op een lacherige, wat cynische manier.’


Hij mag dan tien jaar in het buitenland wonen, in z’n doen en laten blijft Bergkamp een Nederlander. Hij viert elk jaar trouw Sinterklaas met z’n gezin (hij heeft twee dochters en een zoon). ‘Dan komt de hele familie over, inclusief opa’s en oma’s.’ En als hij televisie kijkt, is dat bijna altijd naar de Nederlandse zenders, via de schotel. Het liefst naar comedy-series, en soms naar het Nederlandse journaal. ‘In elk geval nooit naar het Engelse.’ Boeken en kranten leest hij niet. Ook Winter Wonderland, de onlangs verschenen biografie van Marie-José Kleef over hem, heeft-ie niet gelezen. Het heeft z’n interesse gewoon niet. In z’n vrije tijd speelt-ie veel liever met de kinderen. Dat zijn de schaarse momenten op een dag waarop hij even niet aan voetbal denkt.


Bergkamp is vaker thuis nu hij meestal niet meer wordt ingeschakeld voor wedstrijden in verre oorden. Dat heeft alles te maken met z’n vliegangst. Wat ís daar de afgelopen jaren een hoop onzin over beweerd, zegt hij hoofdschuddend. Nee, natuurlijk is het niet ontstaan na de SLM-ramp in 1989. En de bommelding van journalist Lex Muller, tijdens het WK in de VS in 1994, heeft er evenmin iets mee te maken. ‘Ik zou Muller er graag de schuld van geven, maar het is niet waar.’ Feit is dat de angst langzaam is opgekomen. In het begin vloog-ie nog regelmatig. Nooit problemen mee gehad. ‘Naarmate ik vaker vloog, ging ik erover nadenken.’


Wat boezemt je precies angst in?
‘Da’s moeilijk te zeggen. Het is een soort optelsom van alle turbulentie en luchtzakken bij elkaar. De combinatie van opgesloten zitten en het gevoel van machteloosheid: “als er nu iets gebeurt, zitten we als ratten in de val”.’ Geleidelijkaan werd de angst massiever. ‘Ik kon er niet meer van slapen. Twee dagen van tevoren lag ik al te piekeren: straks moet ik weer vliegen. Het begon mijn carriére te beïnvloeden. In uitwedstrijden stond ik me op het veld al druk te maken: ojee, straks vliegen we weer terug… Dan ben je niet meer met de wedstrijd bezig. Misschien had het ook met een periode in m’n leven te maken; dat je minder goed met angst om kunt gaan. Het was een moeilijke beslissing om te zeggen: vanaf nu vlieg ik niet meer, maar ik heb er nooit spijt van gehad.’


Dat besluit maakte zijn deelname aan het WK in Japan en Korea bij voorbaat onmogelijk. Jammer, wat hij mag graag terugdenken aan zijn tien jaar bij Oranje. Vooral aan de grote toernooien. En z’n finest hour was natuurlijk zijn goal tegen Argentinië, tijdens het WK in 1998. ‘dat was voor mij uniek, zó iets moois. Het ultieme moment voor een voetballer.’


Hoe komt het dat jouw generatie nooit een finale heeft gespeeld?
‘Wij Nederlanders hebben een bepaalde speelstijl. We zijn geen Italianen. We willen graag een cup winnen, maar dan wel met mooi voetbal. Misschien is ons dat opgebroken. Het is in elk geval een frustratie. Echt ontzettend balen. Al weet ik voor mezelf zeker dat ik er alles aan gedaan heb. Over anderen kan ik niet oordelen.’


Hoe heb je de uitschakeling van Oranje tegen Ierland beleefd?
‘Vooral als kijker. Ik had m’n beslissing al genomen. Dan kijk je met meer afstand.’


Waarom lukte het niet onder Van Gaal? ‘Poeh, dat is moeilijk. Hij heeft heel veel voetbalkennis. Maar je moet er als trainer ook op het juiste moment instappen.’


Bij zijn afscheid liet Van Gaal doorschemeren dat hij zich had geërgerd aan de instelling van sommige spelers.
‘Nou ja, kijk naar het huidige Oranje. Dat zijn vrijwel allemaal nog dezelfde spelers. En nu hebben ze wel succes…’


Dus lag het tóch aan de combinatie Oranje-Van Gaal?
‘Je zou het wel zeggen, ja. Aan de andere kant: de spelers zijn voor zijn komst allemaal gepolst. Als ze niet met hem konden werken, dan hadden ze het beter toen kunnen zeggen.’

We praten over zijn toekomst. Dat is, zegt Bergkamp nadrukkelijk, ‘nog steeds een voetbaltoekomst’. ‘In elk geval dit seizoen. Verder kan ik nog niet kijken. Misschien komt er nog een seizoen.’ Dat zal in elk geval in Engeland zijn, en niet bij Ajax. ‘Dit is de mooiste periode geweest. Hier wil ik mijn loopbaan afsluiten.’ En daarna? Hij zal eerst een jaar vrij nemen, ‘om rustig na te denken, en terug te kijken. ‘Ik heb meer bereikt dan ik ooit gehoopt had. Je vindt het voetballer-zijn natuurlijk snel normaal. Je gaat het succes en het luxe-bestaan gewoon vinden. Daar heb ik mij altijd voor gehoed. Ik probeer mij steeds te realiseren hoe uniek het is dat een vol stadion voor jou juicht, dat het jou overkomt.’ Zijn geloof speelt daarin ook een rol, erkent hij. Dat houdt hem nederig. ‘Ik besef dat ik mijn talent gekregen heb. Daar heb ik mijn nuchterheid ook aan te danken. Ik ben maar een gewone jongen, die toevallig heel goed kan voetballen. Voor God is een Arsenal-spits niks méér dan een arbeider op de tribune.’ Al verdient hij dan in drie dagen wel een modaal jaarsalaris (naar verluidt 35.000 Engelse Pond, omgerekend 52.000 euro per week). Hij haalt z’n schouders op. Voor hem is dat geld nauwelijks belangrijk, benadrukt Bergkamp. Hij is bepaald geen big spender. ‘Ik ben vooral bezig met sparen voor de toekomst. Het besef is altijd geweest: ik verdien om het weg te zetten voor later.’ En dat-ie het tegen die tijd zelf misschien niet op krijgt, is dan maar zo. Dan krijgen de kinderen het wel. ‘Ik heb geen behoefte om me uit te sloven. Waarom zou ik? Ik hoef echt geen boot.’ Breed grijnzend: ‘Misschien koop ik ooit nog ‘ns een vliegtuig.’

© Coen Verbraak, 2002