ELCO BRINKMAN
“HET GEVOEL DAT JE AFGESCHREVEN BENT, IS HET ERGST”

23 november 2002



Vroeger zeiden ze vaak: “wat weet die Brinkman nou van het leven? Heeft-ie eigenlijk wel genoeg meegemaakt?” De mensen zullen nu wel accepteren dat ik inmiddels begrijp hoe het echte leven in elkaar zit.’ Ze noemden ‘m een zondagskind. Een geluksvogel. Tot z’n eigen ergernis. ‘Ik zei altijd: je hoeft toch niet eerst in een rolstoel te hebben gezeten voordat je aan een bepaalde functie toe bent?’ Het leven léék ook lange tijd erg aardig voor Elco Brinkman. Op z’n vierendertigste werd hij minister, rond z’n veertigste fractievoorzitter van het CDA. De nieuwe leidsman van de christen-democraten, én beoogd premier. Ruud Lubbers had ‘m zelf aangewezen als opvolger. Maar alles liep anders: de verkiezingen van 1994 liepen uit op een draconische nederlaag en Elco Brinkman verdween uit beeld. Hij werd voorzitter van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf. Vier jaar geleden werd-ie ziek. Kanker, non-Hodgkin aan z’n huig. Hij doorstond kuren en bestralingen, kwam weer terug in het gewone leven. ‘Langzaam dreef het weer van mij weg.’ Totdat hij afgelopen februari kampte met doofheid aan één oor. Uitspuiten hielp niet. In het ziekenhuis zagen ze dat z’n gehoorbuis werd dichtgedrukt door een gezwel. De kanker was terug. Wéér moest-ie vechten. Vechten met… ja, met wát eigenlijk? ‘Als je een open been hebt, kun je zien of het weer dichtgaat. Dit is een onzichtbare tegenstander.’


Maar Elco Brinkman (54) is er weer, na bijna zeven maanden van herstel. Z’n haar is nog wat borstelig, en hij moet regelmatig water drinken om z’n uitgedroogde speekselklieren te bevochtigen, maar hij kan tenminste weer meedraaien. Al is het hem nog niet gelukt om ook de tweede ziekte ‘achter een deurtje op te bergen’. ‘Ik ga vaker naar begrafenissen dan vroeger. Niet alleen omdat je zelf ouder wordt. Maar waar je vroeger dacht: “ik heb het zo druk, ik schrijf wel een briefje”, neem je nu de moeite wel. Je bent bewuster bezig met het einde. Ik heb de afgelopen tijd veel nagedacht, en de film van mijn leven in m’n hoofd teruggedraaid.’ Of-ie het een mooie film vond? Brinkman lacht, een beetje geheimzinnig. ‘Ik heb het gevoel dat de plot nog niet onthuld is. Ik ben in elk geval nog niet klaar voor de aftiteling.’


Amper een week na z’n laatste kuur moest Brinkman verschijnen voor de Parlementaire Enquetecommissie Bouwnijverheid. Eigenlijk was het niet eens zo’n grote omschakeling, zegt hij. ‘Ik had van de eerste keer ziekzijn geleerd dat je moet proberen om geestelijk bezig te blijven. Ook tijdens mijn ziekte heb ik gesprekken gevoerd met collega’s en met de Enquetecommissie.’


De kern van uw verhaal voor de Commissie was: er wordt gesjoemeld, maar ik wist daar niets van af. Wel vreemd voor iemand die voorzitter is van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf.
‘Daar zit inderdaad ongemakkelijkheid in. Ik vind het, zo u wilt, zelfs vervélend.’


Voormalig AVBB-bestuurder Terlingen vertelde voor de Commissie dat er op grote schaal wordt gerommeld. Heeft-ie dat dan nooit tegen u gezegd?
‘Ik heb de heer Terlingen nooit ontmoet. Ik kén hem niet eens. Op zichzelf misschien vreemd dat een verre bestuursvoorganger nooit contact heeft gezocht. Hoe dat kan? Ja, dat weet ik niet.’


Kennelijk behandelen ze u als Gekke Gerritje.
Stellig: ‘Nee. Iedereen wist wel degelijk dat er spanning op de lijn was. Ik heb voor de Commissie ook bewezen dat we de afgelopen vijf, zes jaar heel intensief met de overheid hebben overlegd over een nieuw systeem.’


Wat heeft zo’n keurige man als u eigenlijk in die corrupte bouwwereld te zoeken?
Hij schudt het hoofd. Kom kom, dat gaat ‘m wel even iets te ver, zeg. ‘Er bestaat nu een beeld van dikke kisten wijn en naar de hoeren gaan. Ik zeg niet dat het nooit gebeurt. Maar laten we nou niet doen alsof dat gemeengoed is. Bovendien zit een heel groot deel van de bedrijfstak helemaal niet in dat deel waar de discussie over gaat. Als je huizen bouwt of badkamers aanlegt, heb je niks te maken met openbare aanbestedingen van infrastructuur.’


Hoe ziet u het rapport van de Commissie tegemoet?
‘Ik denk dat het slechte weer nog wel even zal aanhouden. Heel vervelend, maar laat de katharsis nu maar plaatsvinden. Laten we leren van de ellende.’


Het rapport zal vast niet positief zijn over uw eigen rol.
‘Men zal zeker zeggen: zitten jullie er wel voldoende bovenop? We zijn echt bezig om nadere regels af te spreken. Maar we mogen van de overheid geen dwingende eisen opleggen aan onze leden, uit angst voor kartelvorming. Terwijl je dat juist wel zou moeten doen. We moeten een gedragscode afspreken; onderschrijf je die niet, dan mag je niet meedoen. Dat lukt alleen als de autoriteiten daar dan ook voor open staan. Het huidige systeem van “altijd vragen om de laagste prijs” zet tot zonden aan.’


De politiek heeft-ie ondanks z’n ziekte op de voet gevolgd. Hij zag de onstuitbare opkomst van Pim Fortuyn en de teloorgang van grote partijen. Fortuyn kende hij nog uit het congressencircuit. ‘Een heel plezierige en toegankelijke man. De manier waarop hij de dingen concreter wilde maken, sprak mij erg aan. Tegelijkertijd was het een rare gozer. Een aardige boef. Dat zeg ik met respect en waardering. Het goede aan Fortuyn was dat-ie liet zien hoe verkrampt instituties zijn gaan reageren. Je zág de paniek bij de andere partijen. En je merkte dat het verschil tussen links en rechts begon te vervagen. De gevestigde partijen gingen opeens afstand nemen, van elkaar en van de paarse coalitie. Op zichzelf al vrij onthutsend. Het beruchte debat van 6 maart is daar de ultieme verbeelding van geweest. Daar zaten niet zozeer vermoeide politici, ze straalden totale stuurloosheid uit. En in een campagne krijg je maar een paar momenten om je punten te maken.’ In elk geval is Brinkman nu niet langer de partijleider met het grootste zetelverlies uit de Nederlandse geschiedenis op z’n naam. Melkert en Dijkstal hebben z’n record verbeterd. Terwijl Brinkman een jaar geleden nog ‘buitengewoon somber’ was over de kansen van zijn eigen CDA. ‘Het was een club die veel te veel met zichzelf bezig was, met z’n eigen richtingenstrijd. Als je naar partijraden ging, was het net of je een departement binnenliep: steeds meer papier. Het CDA was een verlengstuk van de bureaucratie geworden. We zijn eigenlijk gered door gebeurtenissen van buitenaf. Het knappe van Balkenende is dat-ie dat goed heeft aangevoeld: wel je eigen verhaal brengen, maar ook naar buiten kijken. Hij heeft ingezien dat we werden ingehaald door de buitenwereld die zegt: we willen dat er nu eindelijk iets gebeurt aan de wachtlijsten en de onveiligheid.’


Balkenende lonkte onbeschaamd naar Fortuyn.
‘Hij heeft het heel goed begrepen. Je zag ook dat de interne discussie binnen het CDA direct verstomde zodra Balkenende de leiding nam. Hij nam de ruimte. Leiderschap is toch dat je voor de groep uit durft te lopen. Voor hetzelfde geld had-ie nu nog in een werkgroep zitten discussiëren. Maar hij voelde feilloos aan dat Fortuyn een gapend gat sloeg. Dat heeft-ie niet laten gebeuren. Hij voelde goed aan dat het CDA toch eerder bij het volkse wil horen dan bij het intellectualisme.’ Soms maakt hij zich zorgen of het met het CDA niet té goed gaat. ‘Want er komt heel veel nieuw volk binnen, dat echt niet met alle doctrines van Kuyper onder z’n kussen slaapt.’ De grote, gevestigde partijen moeten volgens hem ook vooral niet te snel denken dat ze de resterende LPF-zetels automatisch terug zullen krijgen. ‘Zesentwintig zetels, eenzesde deel van het electoraat, dat is méér dan zomaar een incident. Ik ben er echt niet zo zeker van dat een CDA/VVD-coalitie een glanzende meerderheid haalt.’


‘De verkiezingsuitslag van 15 mei viel middenin mijn ziekteperiode. Ik heb er met mijn artsen naar zitten kijken. Dat was een heel emotioneel moment. Met name het afscheid van Melkert. Toen voelde ik echt de tranen prikken. Want: opeens gaat het weer leven. Je herkent de eenzaamheid van het moment. De partij stond al die tijd achter je, en opeens kijkt iedereen de andere kant uit. Er zit een soort ruwheid in. Ze zijn heel snel vergeten wat ze aan iemand vonden deugen toen ze ‘m kozen. Eén van de dingen waar wij geweldig op werden afgerekend was de AOW. Ik heb indertijd binnenskamers gepleit voor een alternatief: ouderen wat extra en de uitkeringen bevriezen. Die ongelijke behandeling kon de partij niet dragen. Vervolgens heb ik het partijstandpunt uitgedragen, terwijl het niet mijn eigen standpunt was. Als je daar dan mede op wordt afgerekend is dat zuur. Het heeft iets zeer onrechtvaardigs dat ze je dan laten vallen.’


Hij heeft er de afgelopen tijd weer veel over nagedacht. Eigenlijk hebben Melkert en hij verrassend veel gemeen, analyseert Brinkman. ‘Ik denk dat Ad en ik typische representanten zijn van een bureaucratischer politiek. Beroepsbestuurders. Nog los van hoe je eruit ziet: dat is voor veel mensen een verre, vreemde wereld. Ze herkennen zich niet. Iemand die als vakbondsman begint is een veel herkenbaarder type. Wij waren vertegenwoordigers van een bureaucratische elite. Dat is een minder courante soort geworden.’


Hij ziet zichzelf nog weleens zitten -de weken na de verkiezingen van 1994- in dat piepkleine kamertje, boven zijn vroegere, riante werkkamer. Hij kreeg de portefeuille Antillen. Nooit heeft-ie zo vaak op de klok gekeken of het al bijna vijf uur was. Hij voelde zich ‘afgedankt, verdwaald, weggestopt in een hoekje’. ‘Daarom kan ik mij heel goed voorstellen wat Ad en Hans Dijkstal doormaken.’ Hij kreeg wel mooie aanbiedingen uit het bedrijfsleven. ‘Het allermoeilijkste is om in een nieuwe werkkring niet als afgedankte Bekende Nederlander te worden gezien. Het ras “oud-politici” is al niet erg populair –voor zover politici überhaupt populair zijn- maar dan komt ook dat aspect van “afgedankt-zijn” er nog bij. Toen ik voor de bouw koos hebben mensen heel lang gedacht: ach, hij zit hier een paar maanden tot-ie weg kan. Ik heb toen gezegd: zo zit ik niet in elkaar. Daarom heb ik ook “nee” gezegd toen mij kort nadien het burgemeesterschap van Den Haag werd aangeboden.’


Soms spreekt-ie Lubbers nog. Een enkele keer gaat het over het debacle van toen. ‘Maar we hebben er verschillende visies op. Dan ga je elkaar niet nodeloos kwetsen.’


Hij heeft u toch veel meer gekwetst dan u hem.
‘Kijk, een overgang organiseren kan op verschillende manieren. Daar hebben Ruud en ik voordien ook wel gesproken. Moest hij de verkiezingen nog doen en pas daarna aftreden? Dat zou niet eerlijk zijn naar de kiezers. Je weet dat je het risico loopt dat de nieuwe man minder populair zal zijn. We hadden ook tien zetels verlies ingecalculeerd. Ik mag best onthullen dat ik daar later ook uitgebreid met Wim Kok en Helmut Kohl over gesproken heb: wat is nou wijsheid? Wim zei: we hebben er in elk geval van geleerd dat je de werkverdeling duidelijk moet maken. Kok heeft heel precies gezegd: “hiervoor moet je bij Ad zijn, en dáárover ga ik”. Daarom is het een drama dat het desondanks ook bij de PvdA niet is gelukt.’

Vergeleken met de huidige politieke omstandigheden was 1994 maar een klein rimpeltje in de vijver, meent Brinkman. De kern van het probleem was dat Brinkman vond dat het CDA moderner moest worden. Achteraf begrijpt hij best dat er bij Lubbers ‘een gevoel van ongemakkelijkheid’ ontstond. ‘Ik schrok zelf ook van peilingen waaruit bleek dat we meer dan tien zetels zouden gaan verliezen. Ruud vond het erg vervelend om zo weg te moeten gaan.’


Hij liet u vervolgens keihard vallen.
‘Jawel, maar ik ben zelf natuurlijk ook onderdeel van de probleemstelling geweest. Mijn taxaties waren ook niet altijd juist. Hoewel velen het kabinet met de PvdA zat waren, laaiden de links-rechts-tegenstellingen in de partij toen weer op. Buiten de club waren de mensen het beu dat het CDA altijd in de regering zat. En ik was misschien niet zo mediageniek. Dus ik neem mijn deel van de schuld zeker op mij. Ik vind dat ik een objectieve analyse moet maken van wat er toen gebeurd is. Ruud was altijd gewend om heer en meester te zijn. Opeens kreeg-ie het idee niet meer aan het stuur te zitten. Hij voelde zich machteloos. Dat maakte hem enigszins onvoorspelbaar.’


Is één van de redenen dat u zelf nooit met modder naar Lubbers hebt gegooid, dat u denkt: “dit boek is niet uit, ik kom nog weleens terug”?
‘Ik heb destijds wel nadrukkelijk gezocht naar een functie die mij in de Haagse wereld zou houden, zoals dit werk bij de AVBB. Maar niet bedoeld om over te stappen.’


Is de politieke ambitie er nog?
‘Jawel. Omdat het in ’94 niet afgemaakt is. De afgelopen jaren was ik er een beetje van weggegroeid. Maar de hectische politieke gebeurtenissen van het voorjaar waren tijdens mijn ziekte een prettige afleiding. Ik heb heel veel gekeken en geluisterd. En het heeft me weer dichterbij gebracht. Het ging weer kriebelen. Niet alleen uit overlevingsdrift, maar ook omdat ik dacht: wat daar gebeurt, is ook mijn wereld. Ik wil daar aan meedoen.’


Zou u weer minister willen worden?
‘Ik heb er het afgelopen jaar wel over gesproken, en het ook overwogen. Maar nee, ik zit goed in het werk dat ik nu doe. Die hectiek mis ik niet.’ Van z’n artsen had het gemogen. ‘Maar de vraag is of je dat ook moet willen, na zo’n ziekteperiode. Wil je weer “de wereld van het incident” in? Ik hecht toch meer aan structuur, aan afgeronde dingen. Ik heb de afgelopen jaren voor vijf Paarse ministers onderzoeksopdrachten gedaan. Dat werk ligt mij meer. Hier kom ik beter tot mijn recht, in deze levensfase.’


Hij heeft gezien hoe het bestaan opeens op z’n grondvesten kan trillen. De eerste keer was Brinkman in Portugal, op een bouwcongres. Hij had last van een doorgeschoten griep. Tenminste, dat dácht-ie. De penicilline van de huisarts hielp niet. Ondertussen zag hij wel iets raars aan z’n huig. Maar aan kanker had hij nooit gedacht. ‘De eerste keer weet je absoluut niet wat je te wachten staat. Je hebt geen idee wat een kuur is, wat dat met je lijf doet.’ Hij werd beter, en langzaam, heel langzaam ebde ook de angst weer weg. Daarom was de schok ook zo groot toen-ie begin dit jaar opnieuw ziek werd. ‘Het was volslagen onverwacht. Ik voelde me ook helemaal niet ziek. Dat hele proces, van doofheid tot diagnose, heeft hooguit twee weken geduurd. Het was werkelijk een onvoorstelbare klap op m’n hoofd. M’n eerste reactie was heel rationeel: direct in behandeling. Daarna kwam de volstrekte val in het ravijn. Ik heb met m’n vrouw tranen met tuiten gehuild. Want je wereld stort in. Ik had juist het gevoel: ik ben er weer, ik doe weer mee. Opeens flitst door je hoofd dat je weer langs de kant komt te staan. Met de angst dat ze zullen zeggen: “nou, als Brinkman het nu wéér heeft, dan kunnen we hem wel afschrijven”. Dat gevoel van “afgeschreven zijn” is het ergst. Als ik aan het infuus lag, en drup-drup-drup die chemicaliën naar binnen zag gaan, keek ik ondertussen uit op het station van Leiden. Dan zie je in de verte het leven bewegen. Met een ontstellend soort beklemming: ik hoor er niet meer bij.’ Hij durft inmiddels weer vooruit te denken. De doktoren hebben hem verzekerd dat de tumor verdwenen is. ‘Maar de angst blijft. Dat kun je ook niet maskeren door harder te gaan werken. Je merkt dat je er toch mee bezig blijft.’


Bent u nog altijd commissaris bij Philip Morris?
‘Ja.’


Is dat niet onverenigbaar met wat u heeft meegemaakt?
‘Nou, ik ben grootgebracht met een manier van denken waarin de eigen verantwoordelijkheid van mensen wordt benadrukt. Ik vind dat roken een individuele afweging van mensen is.’


Onvoorstelbaar voor iemand die zelf kanker heeft gehad en zeven jaar minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur is geweest.
‘Ik vind het goed dat u die vraag stelt. Maar mijn stelling is dat je niet aan de ene kant heel tolerant kunt zijn ten aanzien van drugs, maar wel een probleem maakt van roken. Het is van tweeën één: of het is een verboden produkt, of het is niet verboden. En als het niet verboden is, komt het aan op de eigen verantwoordelijkheid. Dan zou ik niet weten waarom ik daar geen commissaris kan zijn. We geven eerlijke voorlichting. Het beleid is bovendien strak gereglementeerd; er zijn beperkingen voor de jeugd, en restricties in de zin van advertenties. Ik rook zelf niet, maar wat is er mis met af en toe een sigaretje? Alles in het leven met mate.’


We praten verder, over het CDA, en over de doem die lijkt te rusten op achtereenvolgende CDA-leiders. Ja, hij heeft veel contact gehad met Enneüs Heerma, zegt Brinkman. Ook Heerma werd ziek, nadat de partij hem aan de kant had geschoven. ‘We hebben het er veel over gehad. Hij werd ziek in dezelfde tijd dat ik ziek was. Ik heb bij z’n kist gestaan. Dat was een bizar moment: ik had het overleefd, hij niet. Dat is zoiets onvoorstelbaars. Enneüs heeft de kans op herwaardering ook nooit gekregen. Ik wel. Dat realiseer ik me terdege. Dat gaat veel verder dan: hallo, daar ben ik weer. Ik moet iets doén met de kansen die het leven me aanreikt. Ik sta in gedachten voortdurend bij de baar van Enneüs, weet: zijn plek is leeg, en blijft leeg.’
In die zin is hij enorm veranderd, vindt Brinkman. ‘Door de optelsom van tegenslagen sta je vrijer in het leven. Je kunt beter omgaan met ellende.’


Bent u nog een zondagskind, een geluksvogel?
‘Nee. En daarmee merk ik dat ik echter ben geworden voor anderen. “Hè, hè, hij weet nu ook hoe de wereld in elkaar zit.”.’


Verschilt u werkelijk van wie u in 1994 was?
‘Oh zeker. Dat was toch een model zoals dat uit de tekencomputer komt. Je stopt er een aantal ingrediënten in, en je krijgt een soort compositiefoto. Nu zitten er meer rimpels in, meer grijs- en grauwtinten.’


U bent mens geworden?
Hij lacht. ‘Dat klinkt weer zo raar. Maar stel je ‘ns voor dat je op je 34-e minister wordt, en daarna fractievoorzitter. Dan vind je succes tamelijk normaal. Dat hoort ook bij je jeugd. Naarmate je vaker op je donder krijgt, word je aanraakbaarder. Het leven stelt je op de proef. Je krijgt butsen en schrammen op je ziel.’


Hij vertelt over het overlijden van zijn moeder, afgelopen voorjaar. Ze kwakkelde al langer, had een herseninfarct gehad. Echt onverwacht kwam het dus niet. Maar nooit gedacht dat-ie er zó door van slag zou raken. ‘Haar overlijden was een enorme klap, alsof je een navelstreng doorknipt. Vergeet ook niet hoe het voor haar geweest is dat haar eigen zoon twee keer ziek is geweest. Het heeft me zo ongelofelijk veel moeite gekost om haar te vertellen dat ik opnieuw ziek was.’ Een paar weken geleden is-ie met z’n broers en z’n vader naar het graf geweest, omdat de grafsteen klaar was. ‘Meer nog dan de begrafenis voelde dat als een afsluiting. Je realiseert je dat je nooit meer langs kunt gaan, dat het óver is.’ Hij zwijgt langdurig. Dan wellen grote tranen in z’n ogen. ‘Haar dood doet me meer dan m’n eigen ziekte. Die onherroepelijkheid is bijna onverdraaglijk. Het raakt me zoveel dieper dan ik had gedacht. Misschien ook wel vanuit dat goudhaantjessyndroom. Kennelijk moet het leven eerst dichterbij komen voordat het je werkelijk raakt.’ Inmiddels is dat wel genoeg gebeurd, vindt hij. ‘Ik vind het nu wel mooi geweest zo.’ Of hij vaak aan de toekomst denkt? Ach, daar is hij niet vreselijk intensief mee bezig. ‘Maar je staat er wel vaker bij stil: word ik wel tachtig? In die zin is het leven waardevoller geworden, en intenser. Zeker de omgang met je gezin. Mijn zoon en twee dochters wonen in Amsterdam. Ik moet vaak lachen als ik mezelf midden op de dag zie lopen met m’n gereedsschapskistje, in m’n ouwe broekje, om even bij hen een plank te monteren. Zonder dat het in de agenda staat, ingepropt tussen andere afspraken. En daarna in de kroeg op de hoek samen een hapje eten. Daar geniet ik zo enorm van.’

© Coen Verbraak, 2002