|
PIETER BROERTJES: "IK BORREL NOG STEEDS VAN DE IDEEËN"4 december 2004 |
Laatst opende hij een tentoonstelling, beneden in de hal van het Volkskrantgebouw in Amsterdam. Zijn introductie was veelzeggend: ‘Ik ben Pieter Broertjes, en ik woon hierboven.’ Hij is al bijna bij de inboedel van de Wibautstraat gaan behoren. Vijfentwintig jaar in dienst bij de Volkskrant; eerst als sociaal-economisch redacteur, sinds 1 maart 1995 als hoofdredacteur. Volgend jaar staat Pieter Broertjes tien jaar aan het roer. Lang, erg lang, vindt hij zelf ook. Maar voorlopig zal-ie nog aanblijven, ‘wanneer de redactie dat tenminste ook wil’. Ook al omdat er bij de Volkskrant flinke veranderingen op komst zijn. En bovendien, zegt Broertjes, beleven we tijden die het hoofdredacteurschap meeslepender dan ooit maken. Dat is het mooie aan zijn vak; hoe gruwelijk het nieuws ook is, voor een journalist is er altijd werk aan de winkel. ‘De meeste mensen horen over de moord op Theo van Gogh en blijven vervolgens versuft achter. Wij moeten er direct mee aan de slag . Daardoor kun je vorm geven aan je verbijstering.’Broertjes was, zegt hij, absoluut niet jaloers op de Telegraaf die de dag na de moord als enige een snapshot van het ontzielde lichaam van Van Gogh had. ‘Ik had ‘m niet, maar ik had ‘m ook niet willen hebben. Zeker niet op de voorpagina. Ik kon er zelf niet goed naar kijken., vond ‘m te gruwelijk. Er zijn grenzen.’ Waarom zijn krant diezelfde foto een week later dan alsnog bracht, maar dan in het Kunstkatern? ‘Daar stond een verhaaltje bij over de fotograaf. Maar ik geef toe: dat was niet bepaald sterk. Misschien wel een beetje katholiek; niet op de voorpagina, wel in Kunst. Want het blijft een walgelijke foto.’
Wat was dan het verschil met de foto van de vermoorde Pim Fortuyn die u wel op de voorpagina zette?
Hebt u als hoofdredacteur in roerige tijden een morele verantwoordelijkheid? Hij praat met zachte stem, kiest zijn woorden met zorg. Ook omdat er achter de deur van zijn werkkamer in zijn huis in Maarssen tweehonderdtwintig mensen lijken mee te luisteren. Regelmatig valt hij zichzelf geschrokken in de rede. “Jezus, hier krijg ik vast gedonder mee.’ Straks gaat iedereen natuurlijk “muizen en pluizen” over elk verkeerd woordje. Broertjes was zevenentwintig toen hij bij de Volkskrant in dienst kwam. Een idealist met lang haar, gekleed in rode spijkerbroek, die nog heilig geloofde in de maakbaarheid van de samenleving. Het waren de jaren van verzet van de vakbonden tegen het beleid van Ruud Lubbers. Gouden dagen voor een sociaal-economisch redacteur. ‘De Volkskrant was een soort uitkijktoren. Ik maakte alle grote stakingen van de jaren tachtig van nabij mee, kende iedereen bij de vakbond.’ Hier op zijn werkkamer bewaart hij nog altijd alle stukken die hij ooit schreef. ‘Kijk nou toch’, zegt Broertjes vertederd, alsof hij een oude vriend terugziet. ‘Een paginagroot interview met Wertheim.’ Knisperend gaan zijn vingers langs grote namen uit een allang voorbije tijd. Wie weet nog wie Piet Thoenes is? Of Kees Kwant? En wie weet eigenlijk nog dat Pieter Broertjes ooit schrijvend journalist was? Dat is wel een groot verschil met vroeger, vindt hij. Toen had hij als journalist een eigen profiel en een eigen positie, via zijn pen. ‘Nu heb ik een geleende positie. Ik ontleen mijn gezag vooral aan het werk van anderen. Ik verkeer niet in bepaalde kringen omdat ik “Pieter Broertjes” ben, maar omdat ik “hoofdredacteur van de Volkskrant” ben. Dat is een essentieel verschil, dat nederig stemt.’ Toen hij in 1995 aantrad als hoofdredacteur nam hij zich voor om zijn krant ‘spannender en interessanter’ te maken. ‘De Volkskrant was te voorspelbaar geworden. We moesten de stráát op, op zoek naar de ongeregisseerde werkelijkheid.’ Hij nam the Herald Tribune destijds als voorbeeld. ‘Als je die hebt gelezen, ben je helemaal bijgepraat. Zó wilde ik de Volkskrant ook hebben; gezaghebbend, betrouwbaar en verrassend.’ Broertjes had er in gedachten een jaar of vier voor gepland. Misschien wel een erg hoog ambitieniveau, nu hij er zo op terugkijkt. ‘Ik heb me daar fataal in vergist. Zoiets is een veel langduriger operatie. De weg die we moeten afleggen is nog net zo lang als toen ik begon. Omdat de moeilijkheidsgraad alleen maar toeneemt.’
Waaraan herken ik als lezer de hand van Pieter Broertjes?
Hij was de enige zoon in een gezin van drie kinderen. Zijn vader was generaal, die z’n zoon opvoedde met strenge hand. Met niemand heeft hij zo vaak van mening verschild als met zijn eigen vader. ‘We hadden vroeger conflicten over álles; over politiek, over wat je moest worden en waar je moest werken.’ De journalistiek vond hij niks en de Volkskrant al helemáál niks. Vader Broertjes las al die jaren stug de Telegraaf. ‘Pas toen ik hoofdredacteur werd, stapte hij over naar de Volkskrant. Toen dacht-ie: kennelijk is het nu toch serieus geworden.’ Begin dit jaar overleed hij. En het is vreemd, zegt Broertjes, maar hij had niet gedacht dat de dood van zijn vader zo’n indruk op ‘m zou maken. Het contact was al moeizaam geworden nadat zijn vader negen jaar geleden een zware hersenbloeding had gekregen. Daardoor zijn er veel dingen onuitgesproken gebleven, constateert hij spijtig. ‘Het is niet af, de cirkel is niet rond. Dat zit me enorm dwars. Ik had zijn levensverhaal willen opschrijven; de oorlog, Indi?. Maar mijn vader was meer een vechter dan een prater, Hij sprak nooit over wat hij had meegemaakt. Terwijl hij wel in het verleden lééfde. Wij zijn vlak voor zijn hersenbloeding nog naar Sachsenhausen geweest, waar hij dik vier jaar in het concentratiekamp heeft gezeten. Voor het eerst práátte hij erover. Ik kreeg alsnog respect voor hem.’ Terwijl dat respect heel lang bepaald niet wederzijds was. Uit dat besef vlamde Broertjes‘ eigen ambitie op. ‘Dat eeuwige gevecht met hem was een enorme drijfveer: “oké, ik heb dan in jouw ogen een waardeloos vak gekozen. Maar ik zal je verdomme laten zién dat ik in dat waardeloze vak wel de top zal bereiken”.’ Van iedereen in zijn familie was juist Broertjes degene die het langst wilde doorgaan met de behandeling van z’n vader, ook toen er allang geen uitzicht meer was. ‘Ik weigerde consequent te accepteren dat-ie dood zou gaan. Dat is de verdringer, die in mij zit. Toen hij stierf, was ik er net niet bij. En om je vader daarna dan te zien liggen… dat is overweldigend. Daar ligt die man, je ijkpunt… Zelfs als ik een nieuwe auto ging kopen, belde ik hem nog om advies. Hij is nu bijna een jaar dood, maar er gaat geen dag voorbij dat ik niet nog met ‘m in gesprek ben.’ Als hij Zalm dan op televisie hoort zeggen dat Nederland “in oorlog” is, gaan zijn nekharen overeind staan. ‘Dat woord is nog steeds ontzettend verbonden met mijn vader. Ik zei vandaag nog tegen Bas (zijn zoon van zeventien): “ik had zo gehoopt dat jij in een andere wereld zou leven. Je grootvader heeft de moffen op hun bek geslagen. Je vader is geen held, maar heeft zich wel ingezet voor het vrije woord. Allemaal in de hoop dat jij er de vruchten van zou plukken. Wat een bittere pil om dan te zien wat ervan terechtgekomen is.’ Zijn vader vormde indirect de basis voor het contact dat Broertjes sinds een paar jaar onderhoudt met prins Bernhard. Hij praat er liever niet over. Dat zijn “strikte privé-zaken”, waarover men niet uit de school klapt. Het begon in elk geval zeven jaar geleden, bij de uitreiking van de Erasmusprijs. Plotseling werd Broertjes door een adjudant van Bernhard uit de rij geplukt: “de prins wil u ontmoeten”. ‘Ik schrok er een beetje van. Ik kende Bernhard alleen uit de vele verhalen van mijn vader. Bernhard keek me heel aandachtig aan en zei toen: “ik wilde even zien of u op uw vader lijkt. Sprékend!” Hij vond het fascinerend dat de zoon van zijn eigen generaal Broertjes uitgerekend bij de Volkskrant zat.’ Nadien ontmoette Broertjes de prins vaker. ‘We spraken onder meer over zijn grote ongemak, over hoezeer al die verhalen en roddels over zijn leven hem dwarszaten. “Zo wil ik niet herinnerd worden”.’ Toen ontstond het plan voor de geruchtmakende open brief van Bernhard, die eerder dit jaar paginagroot in de Volkskrant verscheen. Het was één van de mooiste dagen uit zijn loopbaan, glundert Broertjes. ‘Het was een zenuwslopende, geheime operatie. Maar alles is tot in de puntjes perfect verlopen.’ Al blijft het tragisch dat zijn vader ‘m net niet meer heeft kunnen lezen. ‘Want wat zoú-ie het geweldig hebben gevonden; één van zijn grootste helden in de krant van zijn zoon… Ik denk dat-ie heel trots zou zijn geweest.’ ‘Met de prins praat ik nu over de dingen waar ik het met mijn vader over had willen hebben. Ik herken in hem zo ontzettend de wereld van mijn vader; dat ongepolijste, dat rauwe. Daarom zie ik ook als een berg op tegen zijn dood. Dan gaat dat boek definitief dicht. Hij belde mij een paar weken geleden op: “Pieter, ik ga eraan”. Ik dacht: alsjeblieft niet. Niet binnen één jaar mijn beide vaders dood. Ja, dat klinkt overdreven, maar zo voelt dat wel een beetje.’ Het kostte Broertjes ook geen moeite om het nieuws voor zich te houden. ‘Die vertrouwelijke band weegt dan echt zwaarder dan mijn hoofdredacteurschap.’ Het is een goede keus geweest om hoofdredacteur te worden, dat weet Broertjes zeker. ‘In elk geval voor mezelf. Of het voor de Volkskrant ook geldt? Soms denk ik: misschien had er beter iemand kunnen zitten met nog veel meer visie. Daar ben ik altijd wel onzeker over. Het is niet zo dat de man met het grootste ego de hoofdredacteur moet zijn. Het is eerder andersom. Anders kun je nooit leiding geven aan tweehonderdtwintig mensen. Er zijn zeker betere journalisten te vinden dan ik, en ook betere bestuurders. Maar ik heb allebei de kanten in me. En iemand die beide elementen toch redelijk combineert kom je ook weer niet zo heel veel tegen.‘
Als je tien jaar een redactie wilt aanvoeren, moet je vooral erg goed kunnen schipperen.
Hebt u uw eigen wijn inmiddels flink aangelengd met water?
Wat zou u tegen die jongen zeggen?
U bent zelf pels geworden.
Is het wel verstandig om na tien jaar nog door te willen gaan?
Maar na tien jaar is een hoofdredacteur zijn versheidsdatum toch ruimschoots gepasseerd?
Inmiddels bent u de tweede krant. Maar vooral omdat het Algemeen Dagblad zo’n vrije val heeft gemaakt. Zijn redactie piekert momenteel dan ook over nieuwe vormen. De kans dat ook de Volkskrant op tabloid-formaat gaat verschijnen, is groot. Al is Broertjes geen voorstander van zo’n kleiner formaat -‘dat heeft toch een andere, minder chique uitstraling’- hij voorziet dat het ‘bijna onontkoombaar’ is geworden. ‘Misschien doen we het al in 2005. Door de weeks een tabloid, en op zaterdag de normale krant.’ Daarnaast onderzoekt Broertjes de mogelijkheid om “de schatkamer van de Volkskrant” –daarmee bedoelt hij zijn redactie- in te zetten voor andere media, met name televisie. De hoofdredactie wordt daarbij geadviseerd door Harry de Winter. ‘We praten nu over wat voor programma’s we zouden kunnen maken. We denken aan een nieuwsrubriek. Nee, geen NOVA, eerder Buitenhof.’
Dat is je reinste branchevervaging. U maakt toch een kránt?
Misschien wordt de krant uiteindelijk een bijproduct. Een soort gids voor uw tv-programma’s.
Wat vindt u van de plannen van de NRC om in de ochtend een tabloid uit te brengen, gericht op jongeren?
Door een Volkskrant-tabloid in de middag uit te brengen?
Zoals de NRC. © Coen Verbraak, 2004
|