|
ROB COHEN
|
|
De heertjes van de UEFA wisten niet hoe ze het hadden. Ze zitten nu misschien nog wel te zweten. Hadden ze maar niet zo ongelofelijk stom moeten zijn door Frank de Boer te schorsen wegens nandrolongebruik. Ze hebben tijdens de dopingzaak nog volop geprobeerd om Rob Cohen en zijn A-team te intimideren. Maar Cohen had ook bij het hoger beroep direct door dat het allemaal flauwekul was. ‘Kom je in een soort rechtzaal, met zogenaamd een president. Beetje rechtertje lopen spelen. Het was allemaal een farce, echt he-le-maal niks’, zegt Cohen (55), op het terras van zijn favoriete café in het Spaanse badplaatsje Sitges, zo’n vijftien kilometer van Barcelona. Zo’n honderd meter achter hem ligt de Mediterrannee, kabbelend in de kleur van zijn t-shirt.
Nee, hem maken ze niet bang. Hij had al direct door dat ook de UEFA inzag dat ze geen sterke zaak had. Tijdens de lunch –overigens ‘prima verzorgd, werkelijk waar’- werd Cor Hellingman, advocaat van het A-team, gewenkt door de tegenpartij. ‘Toen-ie opstond zei Cor al tegen ons: “deal!” Dat had-ie heel goed aangevoeld. Eerst tegen ons bulderen, en dan zelf sidderen. Ze boden een maand aan, mits we alle claims zouden laten vallen. Maar, zeiden ze erbij, ze hadden de voorzitter natuurlijk niet in de hand. Ook al zoiets merkwaardigs. In een eerder stadium hadden ze nog zes maanden aangeboden, op voorwaarde dat we ons koest zouden houden. Een soort handjeklap dus. Maar wij zeiden: nee, want wat wij in handen hebben zal jullie volkomen onderuit halen.’ Het zijn enerverende maanden geweest, sinds Frank de Boer hem opbelde, ergens in mei. Het leek aanvankelijk een heel gewoon gesprek over ditjes en datjes. ‘Totdat Frank zei: “zeg… nog wat… ik ben positief bevonden”.’ Ik zei: waar heb je het in godsnaam over?’ Het woord nandrolon viel toen nog niet. ‘Daar hadden Frank en ik tot op dat moment nog nooit van gehoord.’ In de dagen en weken daarna vormde zich bijna als vanzelf het A-team. Via de ene deskundige belandden De Boer cs. bij de andere professor. Het kostte dan wel handenvol geld, maar goed… ‘Je zegt tegen een professor De Zeeuw niet: kunt u een rapportje maken tegen een gereduceerd prijsje? Die mensen rekenen op een fatsoenlijke vergoeding.’ Uiteindelijk heeft de hele expeditie zo’n half miljoen gulden gekost De rekening gaat naar Frank de Boer. Al is het de vraag of de Barcelona-vedette daadwerkelijk de kosten zal moeten betalen. ‘We gaan uiteraard proberen om alles te verhalen op de UEFA.’ Want de koekenbakkers zijn nog niet van ‘m af. ‘We hebben een meetinstituut al die getalletjes uit de UEFA-testen laten narekenen. Dat instituut kwam tot de ontdekking dat er mega-fouten zijn gemaakt. Frank was helemaal niet positief. En dat is door andere deskundigen nog ‘ns bevestigd.’ Kom nou. Er is wel degelijk nandrolon gevonden in De Boers urine. ‘Dat blijkt dus niet zo te zijn. Bij die lage waarden weet je niet of het er überhaupt is.’ Ook een lage waarde is een waarde. ‘Bij zulke minimale waarden kun je het gewoon niet goed meten.’ Maar bij de contra-expertise is toch ook nandrolon gevonden? ‘Ook in de contra-expertise zaten mega-fouten. Ze hebben hun uiterste best gedaan om de resultaten van het B-sample zo dicht mogelijk naar het A-sample toe te schrijven. We hebben glashard aangetoond dat de getallen niet klopten.’ Daarom kan het IOC-laboratorium als het aan Cohen ligt binnenkort een dagvaarding verwachten. Het gaat niet om een schadeclaim, benadrukt hij. Dan zou het weer lijken alsof het hem alleen om geld te doen is. ‘We willen aantonen dat het IOC-laboratorium zeer ondeugdelijk werk heeft afgeleverd. In het belang van de sporters. Het gaat voor mij verder dan de zaak-Frank de Boer; ik vind het gewoon léuk om die heertjes onderuit te halen. Want het trieste aan de zaak is dat het ook de middelen zijn die voor de overwinning hebben gezorgd. Er zijn heel veel sporters die die mogelijkheid niet hebben. Hier in Spanje is een lange afstandszwemmer. Twee keer wereldkampioen geweest, tachtig keer gecontroleerd, de eenentachtigste keer vinden ze twee punt zoveel nadrolon. Vier jaar schorsing! Die achterlijke idioten geven vier jaar. Zonder enige kennis van zaken.’ ‘Als je tegen een deskundige begint over een gevonden waarde van “acht” begint, barst-ie in lachen uit. Doping? Waar heeft u het over? Als je een spuit nandrolon neemt, zit je op tachtig. Dat heeft nog geen enkel effect als je er niet keihard bij traint. Bovendien moet je dan minstens drie spuiten per week nemen. In combinatie met training word je dan een soort Hulk. Daar heeft een voetballer al niks aan. Die nandrolon is daarna nog minstens een maand per centimeter terug te vinden in je haar. Alleen vervuilde voedingssupplementen geven dertig uur een verhoging van tien, twaalf in je urine te zien. Dus bij zo’n controle moet je iemand eigenlijk ook een week daarna en een week dáárna controleren. Maar denk nou niet dat die bonden zich daarin verdiepen.’ Ook de KNVB heeft wat dat betreft boter op z’n hoofd. Sterker nog, de bond heeft De Boer en Davids volgens Cohen schaamteloos laten stikken. ‘Wat doet de KNVB? Die laat twee pilletjes nakijken en roept: “ze zijn schoon”. Hoezo zijn ze schoon? Je kunt nooit honderd procent garanderen dat voedingssupplementen niet vervuild zijn. De KNVB heeft Frank en Edgar gigantisch laten zitten. Frank kan honderd keer aanvoerder zijn, maar ze laten hem liever in de shit zakken dan dat ze hun naam misschien in diskrediet brengen. Voor de sponsors geldt precies hetzelfde. Laatst zag ik op tv hoe meneer Blatter van de FIFA breeduit werd ontvangen door de directeur van Philips. Die man verraadt daarmee z’n eigen aanvoerder en vice-aanvoerder. Wat mij betreft moeten die jongens echt nooit meer voor een Philips-bord gaan staan. Zelfs de FEBO wilde niet meer dat ik hen noemde, omdat ze niet met nandrolon geassocieerd wensten te worden.’ Volgens mij wilde de FEBO liever niet meer met u geassocieerd worden. ‘Ja natuurlijk, dat zal wel. Ik ben zogenaamd de schreeuwer. Godallemachtig, stáát-ie weer te schreeuwen. Maar mág ik alsjeblieft schreeuwen tegen mensen die dingen doen die ik absoluut verwerpelijk vind?’ Het was niet slim om zo hoog van de toren te blazen terwijl de zaak nog niet beslist was. ‘Soms kan een grote mond werken. Wie mij wakker maakt terwijl ik lekker lig te slapen, zal daar spijt van krijgen. Ze komen aan m’n kinderen. Ja, daar reken ik Frank ook onder. En wie aan m’n dochters komt of aan m’n schoonzoons en hun broertjes, heeft een groot probleem met mij.’ Dat zelfs zijn eigen schoonzoon Ronald op zeker moment toegaf dat het wel wat minder kon met die krasse uitspraken van schoonpapa, laat Cohen onberoerd. ‘Wat Frank en Ronald de Boer zeggen is van Frank en Ronald de Boer. Ik ben Rob Cohen. En als ik iemand een klootzak vind, dan zeg ik dat. Mijn vader zei vroeger al: krijg je een klap met een houten stok, ga dan op zoek naar een ijzeren staaf.’ Hij was de jongste in een gezin van drie jongens. Geboren in het laatste oorlogsjaar, als zoon van een joodse vader en een niet-joodse moeder. Door zijn huwelijk met een niet-joodse vrouw werd zijn vader niet op transport gestuurd, maar te werk gesteld in een Nederlands kamp. ‘Mijn moeder heeft ‘m daar bezocht. Tijdens zo’n bezoek moet ik verwekt zijn.’Zijn vader had voor de oorlog twee slagerijen in de oude joodse buurt. Na de oorlog pakte hij de draad weer op, en opende hij bovendien restaurant De Kuil aan het Rembrandtplein. Over de oorlog werd nauwelijks gesproken. Pas achteraf besefte Cohen hoezeer zijn vader door de oorlog was getekend. ‘Mijn vader is vrijwel iedereen kwijtgeraakt. Na zijn dood hebben we in zijn portemonnee een briefje van zijn zus gevonden. Zij had de mogelijkheid gehad om aan transport te ontkomen, maar wilde persé bij haar man blijven. Dat briefje was het enige dat mijn vader nog van d’r had. Hij heeft het tot aan zijn dood bij zich gedragen.’ Cohen en zijn broers moesten vaak helpen in de zaak. Vleeswaren snijden en afwegen. Al aten ze zelf niet koosjer, ze verkochten nadrukkelijk geen varkensvlees. ‘We stonden juist bekend om ons pekelvlees en onze ossenworst.’
Uw moeder is niet-joods. Dus volgens de joodse wet bent u ook niet joods.
‘Ik ben joods geworden, en ben in de sjoel getrouwd. Dat wilde ik voor mijn schoonouders. Die waren moederziel alleen op de wereld. Ze waren iedereen kwijtgeraakt. Voor hun was het iets heel belangrijks dat hun dochter in de sjoel zou trouwen. Dat heb ik er graag voor over gehad. Het hield onder meer in dat ik een besnijdenis moest ondergaan. Maar ach, ik ben in de slagerij geboren, en daar zijn we niet zo bang uitgevallen. Mijn broers zeiden: dat kleine stukkie kun je wel missen.’ Tot zijn vierentwintigste werkte hij in de slagerij van zijn vader, daarna stapte hij over naar de textielhandel van zijn schoonvader. Later had Cohen zelf modezaken. ‘Maar mijn hart lag bij food. Mijn liefde is eten.’ Toen-ie nog volop in de mode zat reed-ie op weg naar huis al om voor een grillburger. ‘Vrat ik er vier achter elkaar op, zei ik thuis tegen m’n vrouw: schat, ik kuur vanavond, hoor.’ Begin jaren zeventig maakte hij de definitieve overstap naar de frituurmand, en werd hij franchisenemer bij de FEBO. Keihard werken, zeven dagen per week. ’s Nachts vaak nog even terug naar de winkel om de schoonmaakploeg te controleren. ‘Bij mij kon je in een wit overhemd door de afzuigkap heenkruipen.’ Hij was getrouwd met de FEBO, meer dan met z’n vrouw. En het was het wáárd, want hij verkocht een wereldprodukt. Neem alleen al zo’n grillburger, ‘zo van de plaat, tussen dat warme broodje… Goddelijk.’ Of dan die kroket. ‘Dagvers, nog die ochtend uit de fabriek’, zegt Cohen met gesloten ogen, op een toon alsof hij een gedicht van Nijhoff voordraagt. ‘Zo’n verse kroket moet als een zacht eitje in het mandje worden gelegd. Met liefde en beleid. Da’s een vak dat maar weinigen verstaan.’ Uiteindelijk had hij zeven zaken. Hij had nog verder gewild, maar de FEBO-directie was volgens Cohen bang voor een grote franchisenemer. ‘Ik had een FEBO Drive Through willen opzetten. Dat keurden ze af. Die grote zakelijke visie hadden ze niet.’ Het werd steeds moeilijker om nog geschikt personeel te vinden. Toen de filialen ook nog ‘ns te maken kregen met overvallen, was voor Cohen de maat vol. ‘Ik dacht: waarom zou ik er nog langer mee doorgaan? Ik was rond de vijftig, had inmiddels kleinkinderen. Het werd tijd om aan mezelf te denken.’
We lopen over de boulevard van Sitges, naar zijn auto. Op weg naar zijn tweede huis kan hij mij met de wagen mooi meteen een rondleiding geven door het kustplaatsje. Nu maar hopen dat het niet te warm is in de au.. Opeens blijft Cohen stilstaan, verbijsterd om zich heen kijkend. Is hij nou gek? Hij had ‘m toch hier geparkeerd? Maar op diezelfde plek waar daarstraks nog zijn auto stond grijnst nu alleen asfalt. Weggesleept, ze hebben verdomme zijn auto weggesleept! Hij schiet een voorbijganger aan. ‘Mio auto’, gebaart Cohen. Hij wijst naar de lege plek, tekent vervolgens een chassis in de lucht. De Spanjaard kijkt hem niet-begrijpend aan. ‘Auto… foétsie’, verduidelijkt Cohen, met zijn rechterarm een sleepbeweging makend. Geen reactie. Daar hebben we dus niks aan. Dan maar naar de Kansas-bar, daar kennen ze hem.tenminste. Zijn gebrekkige Spaans wordt door het blonde meisje achter de bar liefdevol omgezet in kordaat handelen. Aha, meneers auto is weggesleept, en nu wil meneer natuurlijk weten wat-ie moet doen. Ze heeft de telefoon al in de hand om een taxi te bestellen, die ons naar het politiebureau zal brengen. ‘Zie je hoe makkelijk dat gaat?’, zegt Cohen, met een brede man-van-de-wereldlach.
Vanuit zijn appartement, op een bewaakt complex aan de rand van Sitges, is de branding van de Middellandse Zee te zien. Het enorme dakterras aan de overkant behoort toe aan voormalig Barcelona-voorzitter Nunez. ‘En daar’, wijst Cohen naar de onzichtbare achterkant van hetzelfde gebouw, ‘woont mijn vriend.’ Want zo betitelt hij Louis van Gaal het liefst. ‘Wij zien elkaar regelmatig. ‘ Van Gaal is in de afgelopen maanden een geweldige steun geweest, zegt Cohen. ‘Hij heeft altijd in de onschuld van Frank en Edgar geloofd.’ We gaan binnen zitten, in de koelte, op de mintgroene bank. De televisie staat aan, op RTL 4. Nee, hij is hier niet eens zo vaak. Hooguit een paar weken per jaar. Daarvoor heeft-ie nog teveel omhanden. Hij is bijvoorbeeld nog steeds directeur van Soccerworld, het voetbalcafé bij de Amsterdam ArenA. Daarnaast is hij nog altijd druk bezig voor Team Holland, dat de zakelijke belangen van de spelers van het Nederlands Elftal behartigt. Vindt-ie gewoon leuk. ‘Ik verdien geen geld aan de voetballerij.’ Gelooft u het zelf? ‘Jazeker, omdat het zo ís. Ik heb er helemaal niks aan verdiend. Omdat ik niets gedaan heb waarmee je geld zou kunnen verdienen. Ik heb dingen neergezet die er moeten zijn. Die imagerechten, daar verdienen de spelers aan. Dat ik een firma aanpak die ten onrechte hun beeltenis gebruikte levert hun een vergoeding op. Daarvan betalen ze een deel aan mijn advocaat. Zelf krijg ik er geen geld voor. Mensen geloven dat alleen niet. Jammer dan. De spelers weten hoe het zit. Ik heb het stempel dat ik alleen maar aan geld zou denken. Kan me niks schelen dat ze me een geldwolf vinden.’ Maar u bént toch ook een geldwolf? ‘Nee hoor. Geld doet mij weinig. Ik heb als middenstander altijd vooral heel hard gewerkt. En nóg. Ook bij Soccerworld sta ik soms te bedienen. Dan serveer ik het personeel en de directie van Ajax. Zien ze mij afruimen, en de boel naar de vaatwasser brengen. Ik ben gewoon iemand met ’n visie: wat je brengt moet goed zijn. Geld is daarbij een prettige bijkomstigheid, nooit het doel op zich.’
Hoewel het al bijna half elf is, is het restaurant aan de boulevard nog bijna leeg. Cohen komt er vaak, zegt hij. Bovendien, fluistert hij, is dit het lievelingsrestaurant van Louis van Gaal. Bij binnenkomst draait Cohen zich glunderend naar mij om. Jahoor, hij zit er, zijn vriend. Met zijn partner Truus Opmeer, en twee Spaanse tafelgenoten. Van Gaal begroet hem allerhartelijkst. ‘Hee, hoe is ‘t?’ Cohen straalt. ‘Ik word geïnterviewd’, zegt hij, zich naar mij omdraaiend. Van Gaal, breed grijnzend: ‘Hoe is het mogelijk! Als ze nou ook joú al komen interviewen stelt zo’n interview natuurlijk helemaal niks meer voor.’ Vijf minuten later zit Cohen nog zichtbaar na te genieten. ‘Prachtige vent, he. Schitterend gewoon.’ Maar ze weten vriendschap en zaken te scheiden, benadrukt hij. ‘Ik zal nooit vragen of hij Ronald en Frank wel of niet opstelt.’ Zonder direct over zwerfkinderen in Bolivia te beginnen; er is toch wel groter onrecht in de wereld dan het leed van topvoetballers? Opeens fel: ‘Ik heb die ergere dingen toevallig in mijn eigen familie meegemaakt. En er hebben verdomd weinig mensen iets voor mijn ouders en schoonouders gedaan, hoor. Dat komt nu na vijfenvijftig jaar wel naar boven. Onlangs kreeg ik die veertienduizend gulden op mijn rekening. Ik zei nog tegen m’n advocaat: het zal toch niet gebeuren dat het vijfenvijftig jaar duurt voordat Frank de Boer gelijk krijgt.’ Vindt u het niet lichtelijk absurd om dat met elkaar te vergelijken? ‘Het was een grapje. Maar wat die drijfveer betreft: ik zet mij ook in Spieren voor Spieren. van het Nederlands Elftal. Ik ben blij dat ik dat van de spelers mag doen.’ En u wilt graag dat Rob Cohen in één adem genoemd wordt met grote voetballers. ‘Als het je beroep is, is dat belangrijk. Een zaakwaarnemer of een advocaat heeft daar belang bij. Voor mij geldt dat niet. Ik heb geen zakelijke relaties met spelers. Ik wil mij voor ze inzetten. Omdat ik van voetbal hou, en van de vriendschap die ik met spelers heb. Mijn vechtlust heeft rechtstreeks met mijn achtergrond te maken. Ik ga er altijd vól in. Rob Cohen komt nergens met z’n pet onder z’n arm binnen.’ © Coen Verbraak, 2001
|