HANS DORRESTIJN
'MIJN EX-VROUW BEWEERT DAT ZE NOOIT SMETVREES HEEFT GEHAD'

September 2000



Sommige van zijn kennissen suggereerden de afgelopen weken dat het tumult rondom Finale kwijting wel doorgestoken kaart moest zijn. Want een betere manier om een nieuwe roman onder de aandacht te brengen is nauwelijks denkbaar. ‘Maar de gang van zaken vervult mij bepaald niet met vreugde’, stelt Hans Dorrestijn (60) mismoedig vast. Hij had dan ook als een berg opgezien tegen de gang naar de rechtszaal, waar vorige week het kort geding diende dat zijn ex-vrouw en haar partner tegen hem en uitgeverij De Arbeiderspers hadden aangespannen. ‘Ik kon mij niet voorstellen dat ik mij daar krachtig zou bewegen. Ik zag mezelf al zitten, met trillende lippen en knipperende ogen.’ Maar zodra hij de grote entrée van het gerechtsgebouw binnenkwam werd Dorrestijn opeens heel kalm. ‘Ik dacht: och, maar dit kén ik: een grote ruimte waar iedereen voor mij komt… Dat maak ik als cabaretier vaker mee. Daar werd ik heel rustig van. Zelfs in het zicht van de tegenpartij bleef ik kalm. Ik beschouwde het gewoon maar als een spel. Ondanks dat de man van mijn ex mij vlak voor het proces nog een brief schreef dat hij mij zou gaan vernietigen.’

In Finale kwijting beschrijft Hans Dorrestijn zijn leven en carrière, Zijn jeugd, z’n studietijd, zijn moeizame bestaan als cabaretier en zijn langzaam ontsporende huwelijk met “Jacobien”; elke periode trekt zeer gedetailleerd aan de lezer voorbij. Dat levert scherpe opmerkingen en rake typeringen op. Soms schrijnend en genadeloos, bijvoorbeeld wanneer het over zijn moeder en zijn stiefvader gaat.. ‘Ik kan niet anders dan grote minachting voor haar voelen’, schrijft Dorrestijn over de moeder van de hoofdpersoon. ‘Het komt nooit meer goed tussen haar en mij. Ik wens zelfs dat het niet meer goedkomt. Als ze sterft zal ik niets anders voelen dan opluchting.’ De smetvrees van zijn ex-vrouw levert daarentegen buitengewoon absurde en grappige scènes op. Niet alleen het hele huishouden moest dagelijks gestofzuigd worden, ook het hoofd van Dorrestijn diende elke ochtend grondig uitgezogen te worden. “Ik bleef lijdzaam middenin de kamer staan en onderging de dagelijks behandeling. Het zuigende uiteinde bewoog zich over mijn hoofd en langs mijn baard {..} Het was allemaal mijn eigen schuld: ik verhaarde. Tegen de enkele vriend die ik nog overhad, wist ik het geestig te formuleren: “een echtpaar heeft geen rijk seksleven en toch wordt de man elke ochtend door zijn vrouw afgezogen. Rara, hoe kan dat?”.’ “Dit boek is niet uit de duim gezogen”, betoogt Dorrestijn elders in Finale kwijting. “Wel verdient het aanbeveling een vijfde deel als overdreven te beschouwen. Dan nog rijst er uit de overgebleven bladzijden een onmenselijke Draak uit het Zeepsop.”

Tijdens ons gesprek, dat plaatsvindt tussen het kort geding en de uitspraak in, is Hans Dorrestijn in elk geval zeer op zijn hoede. Hij wil, zegt hij met klem, uitsluitend praten over zijn boek. Overeenkomsten met de werkelijkheid zijn geen gespreksonderwerp. Hij spreekt daarom bij voorkeur niet over “ik”, maar over “de zanger Hans Dorrestijn uit de roman”. Finale kwijting was in elk geval een onvermijdelijk boek, zegt de auteur Toen hij eraan begon, in januari 1998, stond hij met zijn rug tegen de muur. ‘Ik moést, ik kon niet anders doen dan dit verhaal vertellen.’ Kort daarvoor, in het najaar van 1997, was hij van de ene op de andere dag doodziek geworden. Een verwaarloosde blindedarmontsteking, die hem letterlijk op de rand van de dood bracht. Pas na enkele zware operaties en een wekenlang verblijf in het ziekenhuis keerde hij voetje voor voetje terug in het normale leven. Hij had het wel wonderlijk gevonden dat zich in het ziekenhuis plotsklaps een vroegere vriend aan zijn ziekbed had gemeld. De vriend kwam vaker en vaker, en bleek het bovendien zorgwekkend goed met Dorrestijns ex-vrouw te kunnen vinden. Dorrestijns wantrouwen bleek niet ongegrond: zijn ex en zijn voormalige vriend lregen een relatie met elkaar. Daarmee kregen zijn kinderen (Dorrestijn heeft een dochter van zestien en een zoon van achttien) dus ook een stiefvader. De cabaretier bleef achter in ontzetting. ‘Ik ben een ouderwets man, die het gezinsleven zeer serieus neemt.’

Op aandringen van een andere vriend, die Dorrestijns jammerklachten niet langer kon aanhoren, begon hij vervolgens te schrijven. ‘Hij zei: “schrijf er een roman over. En maak het in godsnaam niet literair. Daar heb ik mij aan gehouden.’

Het is wel een afrekening geworden met allerlei mensen uit de meest uiteenlopende periodes van je leven.De mand met appels is tot op de bodem leeggeschild.

Verontwaardigd: ‘Een afrekening? Nee, dat vind ik een misplaatst woord. Dat klinkt veel te negatief. De drijfveer was verontwaardiging. Je zegt toch ook niet van de Max Havelaar dat het een afrekening is? Ik heb geprobeerd het heel netjes en beschaafd te doen. Ik kan dat veel beter dan iedereen denkt. Ik lig in het dagelijks leven omver van de conflicten, maar op het moment dat ik ga schrijven kan ik daar heel goed afstand van nemen.’

‘Ik wilde een roman schrijven waarin de grillen van het noodlot centraal staan, en de fatale interactie tussen mensen. In feite is het een psychologische roman. Als Gerrit Komrij de titel Het chemisch huwelijk niet al gebruikt had, dan had ik het gedaan. Want daar gaat het over. Het gaat over loyaliteit en verraad.’ De roman besloeg aanvankelijk 757 pagina’s, waarvan er uiteindelijk 450 overbleven. Het schrijven was af en toe een verschrikking, zegt Dorrestijn. ‘Wandaden van anderen beschrijven valt nog mee. Maar er is heel veel moed voor nodig om je eigen wandaden aan het papier toe te vertrouwen.’ Hij heeft zich bij het schrijven regelmatig ingehouden. Het grote hoofdstuk over de nachtmerries die hij had toen hij onder narcose was, heeft hij in zijn geheel weggelaten. Want mijn God, wat waren dat gruwelijke visioenen. Lag hij bijvoorbeeld in een veldhospitaal. Eerst was er nog niets aan de hand, totdat het verplegend personeel in een krant een negatief artikel over hem aantrof. ‘Daarop besloten ze om mij te vermoorden. Ik lag op een soort tandartsstoel. Keer op keer viel er door het raam een schaduw naar binnen, die langzaam naar mij toekroop. En ik wist: als die schaduw mij bereikt, ben ik dood. Maar hij trok zich steeds terug. Dan hoorde ik iemand roepen: “die kerel is niet dood te krijgen”. Het eigenaardige is dat ik later hoorde dat één van de assistenten tijdens de operatie inderdaad letterlijk gezegd heeft: “die kerel is niet dood te krijgen”.’ Maar er waren nog veel ergere dromen bij, waarin bijvoorbeeld zijn zoon onder zijn ogen gruwelijk werd toegetakeld. De herinnering daaraan emotioneert Dorrestijn zichtbaar. ‘Nog weken na de narcose kon ik niet geloven dat mijn eigen zoon aan mijn ziekbed stond. Ik was ervan overtuigd dat ze een stand-in hadden gehuurd.’ Dergelijke scènes wilde hij bij nader inzien absoluut schrappen. ‘Die maakten het boek topzwaar.’

Daarnaast is Dorrestijn voor zijn gevoel erg terughoudend geweest in beschrijvingen van anderen. ‘Ik heb talloze keren mensen in bescherming genomen. Ik heb absoluut geen dingen willen opschrijven waar mensen aan kapot gaan.’

Maar het zijn wel herkenbare portretten geworden.

‘Daar ga ik niet op in. Het boek is in elk geval een statement tegen de heersende opvatting dat de werkelijkheid zelf niet interessant is. De werkelijkheid is wel degelijk interessant, zolang je er maar iets mee doet. Ik heb niet de bedoeling gehad om een literaire roman te schrijven. Van mijn uitgever mag ik dat niet zeggen, maar het is wel waar. In deze roman beoefen ik realisme. Die term zegt alleen heel weinig. De avonden ziet er heel realistisch uit. Je kunt alles aanwijzen: de straten, de ouders, de vrienden. En toch is het de werkelijkheid ontstegen. Dat was mijn streven: bewijzen dat je met realisme een roman kunt schrijven.’ Of hij zich iets bij de felle reactie van zijn tegenstanders kan voorstellen? ‘Ach’, zegt Dorrestijn, ‘ze noemen die roman een wraakoefening. Maar het aanspannen van een proces kun je evengoed een wraakoefening noemen. Het beste wat je tegen een roman kunt doen is er eentje terugschrijven. Waarop de advocaat van de eisers ogenblikkelijk riep: “maar mijn cliënten kunnen geen roman schrijven”. Dat vind ik onzin. Desnoods huren ze een ghostwriter in.’

Maar hun verontwaardiging is begrijpelijk. Want heel veel dingen in het boek kloppen met de werkelijkheid.

‘Het klopt waar ze zich op een postieve manier herkennen, en het klopt opeens niet waar het in negatieve zin gebeurt. Het feit dat mijn ex-vrouw beweert dat ze nooit een schoonmaakfobie heeft gehad maakt hun positie natuurlijk niet sterker.’ Een van de bezwaren die tegen Dorrestijns boek werden ingebracht was de beschrijving van de kaalheid van een zus van “Jacobien”. Die zou volgens het boek in één nacht al haar hoofdhaar hebben verloren. “Niet alleen haar schedel werd kaal, zelfs haar wimpers vielen uit. Dit verklaarde haar starende blik en nu begreep ik ook het armetierige toefje op haar hoofd. [..] Moge de Dood snel korte metten met haar maken. Het zal hem weinig moeite kosten: ze is al kaal. Alleen haar dunne vlees en magere botten hoeven te vergaan.” Misschien een kwetsende passage, erkent de schrijver. ‘Maar hij kan er niet uit. Want Jacobien heeft niet alleen smetvrees, maar ook een haarfobie. Daarmee is het een literair motief geworden. Misschien zou alleen die zin over de dood eruit kunnen. Aan de andere kant: moet ik wel vermilden? Die zanger in het boek heeft echt een hartgrondige hekel aan dat mens. Dat wil ik niet verbergen.’

Met “die zanger in het boek” bedoel je jezelf.

‘Daarmee bedoel ik “de zanger Hans Dorrestijn uit het boek”. Ik had de hoofdpersoon ook Marcel van der Kreek kunnen noemen, maar dat vond ik zinloos. Een ander thema in het boek is de buitengewoon moeizame carrière van de hoofdpersoon. Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat dat over mij gaat. Maar “autobiografisch” is alleen van toepassing op de hoofdpersoon, niet op zijn omgeving. Anders had ik ze geen andere namen gegeven. Door dat wel te doen zijn het anonieme personen geworden.’ Ondanks die andere namen kost het in de meeste gevallen weinig moeite om te ontdekken naar wie de (hoofd)personen in Finale kwijting gemodelleerd zijn. Zo is in “Daniël Verhoogtoon” met enige goede wil Adriaan van Dis te ontdekken, doet “Ton Beekmeyer” sterk aan hoogleraar Ton Anbeek denken en lijkt impresario “Jimmy Pep” in erg veel opzichten op een bestaande impresario. ‘Dat zijn jouw woorden’, reageert Dorrestijn stoïcijns. ‘Ik kan alleen dit zeggen: iedereen die met het werkelijke conflict in de roman te maken had –het conflict tussen mij en Jacobien- moest een andere naam krijgen. Dat was steeds mijn uitgangspunt.’

Het is wel opvallend dat sommige figuren die in je boek niet sympathiek zijn ook een afzichtelijke jurk dragen of een krakende stem hebben. Je trekt alles uit de kast om zo iemand onaantrekkelijk te maken.

‘Daardoor wordt het misschien wat karikaturaler. Ik heb ook niet een fatsoenlijke roman willen schrijven. Als ik het subtieler had gedaan was het literatuur geworden. Maar het moest ook om te lachen blijven. Ik heb zeker niet de opvatting dat een schrijver alles maar moet kunnen schrijven, hoor. Je hebt niet het recht om anderen nodeloos te kwetsen. Wat Herman Brusselmans schreef over An Demeulemeester vond ik echt niet kunnen. Zoiets vind ik afkeurenswaardig.’

Maar kun jij dan wel zoiets schrijven over een vrouw die kaal is?

‘Ik maak haar niet bespottelijk. Het is een ziekte waar ze niets aan kan doen. Ik heb ook beschreven dat Jacobien er veel verdriet om had.’ Hoe dan ook, het kort geding tegen zijn boek is een unieke zaak, beseft Hans Dorrestijn. ‘Het is nooit eerder gebeurd dat diegenen die zich in een boek menen te herkennen de roman al voor publicatie hebben mogen lezen. Maar de uitgever en ik wilden niet het risico lopen dat het boek na de eerste druk uit de handel genomen zou moeten worden. Dat verdient deze roman niet.’ Over de afloop van de rechtzaak is hij niet somber gestemd. ‘Die rechter leek mij een heel leuk mens. Geestig, en een beetje ondeugend. En mocht het boek toch verboden worden, dan zijn er nog mogelijkheden om verder te procederen.’

‘Toen ik het boek af had, voelde ik een diepe trots. Ik heb nog nooit zo’n groot werk gemaakt. Ik heb altijd een grote roman willen schrijven. Qua volume en niveau is dat voor mijn gevoel gelukt.’

Maar als de roman straks mag verschijnen betaal jij in je persoonlijke leven een hoge prijs. In die zin is het een Pyrrhus-overwinning.

‘Het is waar dat ik een hoge prijs betaal. Maar je schrijft een roman niet om er beter van te worden. Je schrijft omdat je je verhaal kwijt moet. Ik heb nooit de illusie gehad dat mijn werkelijke leven ervan zou opfleuren. In de roman wordt geregeld gezegd dat ik niet kan leven met het idee dat ik geen getuigen heb. Daar ging het mij om: als de roman uitkomt heb ik tienduizenden getuigen.’

Maar is die roman de schade in je persoonlijke leven wel waard?

‘Laat ik dit zeggen: ik heb wel vaker dingen geschreven waar ik zwetend van wakker werd, uit angst voor de gevolgen. Neem het lied Moeder, nu ga je sterven. Dat werd door iedereen uitgelegd als een wraakoefening. “Wat genadeloos van je, om haar dood te wensen.” Terwijl ik in dat lied alleen maar zeg: ik houd jouw klachten niet meer vol, moeder. Dat is iets heel anders dan een wraakoefening. In het boek worden de conflicten beschreven tussen de hoofdpersoon en zijn moeder. Je denkt toch niet dat ik mij zit te verlustigen bij het idee dat mijn moeder zo geportretteerd wordt? Ik vind het juist vreselijk. En toch neem ik de risico’s. Ik kan gewoon niet liegen, en de zaken mooier maken dan ze zijn.’

Als lezer krijg je weinig sympathie voor de hoofdpersoon.

‘Dat wilde ik ook bewust vermijden. Dat bewijst eens te meer dat de roman zijn eigen gang gaat. Uiteraard wil de schrijver die zulke conflicten beschrijft graag gelijk krijgen. Maar de roman is kennelijk genuanceerd genoeg.’

Hoe erg zou het zijn als de roman niet mag verschijnen?

Hij krimpt ineen. ‘Dat… dat zou echt vreselijk zijn. Ik weet niet of ik die klap aan zou kunnen. Dan ben ik echt vernietigd. Want dan zou ik echt in elk opzicht de verliezer zijn. Ook als schrijver. Terwijl dat nu juist het enige houvast is in mijn bestaan.’

© Coen Verbraak, 2000