|
WILLIBRORD FREQUIN
|
Als journalist filmde Willibrord Frequin in Biafra, en bezocht hij de martelkamers van Idi Amin. ‘Ik heb de moed om te zeggen dat ik eraan heb meegeholpen dat de wereld is veranderd.’Twee “affaires” maakten een einde aan zijn journalistieke carrière. Als televisiemaker achtervolgt Frequin tegenwoordig ‘schoften’ en anderen met beschuldigingen en een draaiende camera. Het leven na de “hoofdenaffaire”. ‘Laat al die azijnpissers maar lekker stikken in hun azijn.’Kort voor de afspraak belt hij op. ‘Ja, met Willibrord. Ik wil toch echt eerst weten waar je nou precies op uit bent met dat interview. Wat wil je van me?’ Want leer hém de linkse jongens kennen. Die willen hem altijd pakken. Hij kan best tegen kritiek; ze mogen allemaal een oordeel over hem hebben. ‘Iedereen mag schrijven dat ik een slecht programma maak. Maar dan moet je wel met argumenten komen. En die heb ik zelden of nooit gehoord. Het is altijd op de man. Daar heb ik geen zin in.’ Later zitten we toch tegenover elkaar, in een klein kantoortje binnen het SBS-6 gebouw in Amsterdam. Aan de andere kant van de ramen houden SBS-medewerkers nauwlettend in de gaten of het allemaal wel goed gaat in dat hokje. Frequin - gekleed in een keurig donker colbert met een felgekleurde das en een roze pochetje - presenteert zich met een ferme handdruk. Hij lijkt gespannen, antwoordt afgemeten, op die barse mompeltoon die vooral desinteresse en nonchalance moet suggereren. Maar soms is er heel even een bijna jongensachtige grijns: ‘En? Val ik een beetje mee?’. Begin jaren zestig kwam Willibrord Frequin (1941) via zijn vader Louis, jarenlang hoofdredacteur van De Gelderlander, bij de KRO terecht, als ‘manusje van alles.’ Hij verrichtte er produktiewerkzaamheden en werd daarna opgeleid tot regisseur. Frequin belandde uiteindelijk bij Brandpunt. Bij die rubriek werkte hij zo’n twintig jaar als verslaggever. Hij was er één van de gezichtsbepalers: Frequin filmde de bombardementen in Biafra, portretteerde de Dwaze Moeders in Buenos Aires en bezocht de martelkamers van Idi Amin in Oeganda. Totdat zijn loopbaan in 1989 ruw werd afgebroken door de ‘hoofden-affaire’. Hij verdween bij Brandpunt, en maakte daarna nog vijf jaar infotainment-programma’s voor de KRO. Rond 1994 maakte hij de overstap naar RTL-4, waar hij onder meer De week van Willibrord en Toppers ging presenteren. Vorig jaar stapte hij over naar SBS-6. De sfeer bij zijn huidige werkgever bevalt hem tot nu toe prima. Zijn bazen hier zijn ‘kwajongens’. Net als hijzelf. Daar houdt hij van. Ze bemoeien zich niet met de inhoud van zijn programma’s. Alleen in uitzonderingsgevallen. Zoals vorig jaar, toen hij kinderpornofoto’s uit de Zandvoortse kinderpornozaak op televisie vertoonde, waarbij de daders duidelijk herkenbaar in beeld kwamen. Hij moest wel, zegt Frequin. Als de politie alles laat liggen, dan kiest hij de kant van de kindertjes. ‘Als je een foto ziet van een baby met een grote piemel van een vieze man in zich, dan heb je geen keus meer. Dan is het je plicht om te strijden tegen dat soort verschrikkelijke mensen. Daar heb ik wel eerst weken over nagedacht, en overleg over gevoerd met Fons van Westerloo. Als hij het er absoluut niet mee eens zou zijn geweest, zou ik het niet hebben gedaan.’ Hij weet dat zijn programma De week van Willibrord omstreden is. Maar dat zien zijn critici allemaal verkeerd. ‘Ze zien mij heel anders dan ik ben. Ik ben gewoon een heel gezellige Bourgondische kwajongen. Ik kan alleen niet tegen onrecht en ellende. Ik probeer mensen te helpen. En dan ga ik dwars door muren en deuren heen.’ Wie het in zijn ogen te bont heeft gemaakt of om een andere reden aan de tand gevoeld dient te worden, wordt door Frequin met draaiende camera aangesproken - ’Waarom liegt u? - en zonodig achtervolgd. Frequin hanteert daarbij onorthodoxe methodes, ook als het niet om ‘schoften’ of ‘hufters’ gaat. Zo achtervolgde hij Emily Breemers op straat: ’Bent u nou de vriendin van Willem-Alexander?’ Er kan maar weinig niet in zijn programma. Aan kleine kinderen die hun beide ouders bij een auto-ongeluk verloren vroeg hij meelevend of ze ‘pappa en mamma’ niet heel erg misten. En bij de begrafenis van zijn eigen vader sprak Frequin op het kerkhof plechtig in de camera: ‘Pa, bedankt voor alles’. In zijn programma geeft hij op zijn manier de gebeurtenissen van de afgelopen week weer, legt hij uit. ‘Het zijn meestal zes onderwerpen, waarvan er drie moeten gaan over mensen die in het gedrang dreigen te komen. Het is míjn week. Als dan je vader overlijdt, kun je daar natuurlijk niet omheen. En hij zou ook niet anders verwácht hebben.’ Maar waarom spring je mensen op hun nek met een draaiende camera? ‘Ik spring ze niet op hun nek, ik kom gewoon aanlopen en zeg “Hallo”. Ik veroordeel iemand niet. Ik spreek hem alleen aan Vraag waarom hij iets gedaan heeft.’ Denk je echt dat iemand dan zegt: “Nou, dat zal ik u eens haarfijn vertellen, meneer Frequin?” ‘Soms gebeurt dat.’ Je weet heus wel dat dat “mensen overvallen met een camera” uitsluitend stoerdoenerij is. Kijk eens wat ik durf. Puur om het effect. ‘Om het efféct?’ Zeer geërgerd: ‘Hoe kom je erbij? Het zijn altijd mensen door wie anderen in problemen zijn geraakt, zonder dat ze daarvoor hun verantwoordelijkheid nemen. Als ik iemand kan dwingen om te bekennen heb ik een goede daad gedaan!’ Het zijn heel vaak zaken die nog onder de rechter zijn. Jij brandmerkt die mensen, maakt ze op eigen gezag verdacht. ‘Of het nu onder de rechter is of niet: ik kies altijd partij voor het slachtoffer. Altijd. En ik mag mensen toch aanspreken? Zo’n man als professor Diekstra wist voor die affaire van geiligheid niet waar hij op tv allemaal kon verschijnen. Dan blijkt opeens dat hij de zaak belazerd heeft. Dan heb ik het recht om te vragen: “Waaróm?” Als hij dan opeens niet meer wil meewerken, heb ik daar niks mee te maken. Hij heeft toch een openbare functie?’ Dat geeft jou toch niet het recht om iemand goedkoop en onsmakelijk lastig te vallen. ‘Onsmakelijk? Onsmákelijk? Dat vind ik een heel kwalijk woord, vriend. Hoe dúrf je dat te zeggen?’ Je drijft iemand in het nauw. ‘Hoe denk je over al zijn patiënten die híj in het nauw gedreven heeft? Ik veroordeel hem niet, ik vraag alleen maar waarom. Neem het geval van het Guido de Brèscollege. Het hoofd van de school wist dat één van die leraren jarenlang meerdere kinderen misbruikte. Die leraar bleef wel in dienst. Het hoofd van de school informeerde de ouders en de politie niet eens. Dat is schandalig. Zie ik die rector vervolgens bij NOVA, waar hij doodleuk alle kans krijgt om zich schoon te pleiten. Nou, dan kom ik. Dan krijgen ze met mij te maken. Echt waar.Want heb jij weleens met misbruikte kinderen gesproken? Ik wel. Ik weet wat voor trauma’s er bij die kinderen zitten. Als je in Nederland iets flikt wat niet kan, hoor je voor de rechter. En niet aan de schandpaal van Willibrord Frequin. ‘Wie nagel ik aan de schandpaal dan? Ik stel alleen een vraag, wijs iemand op zijn verantwoordelijkheid.’ Zich schamper van mij afwendend, met wegwerpgebaren: ‘Nee echt, je wint het toch niet van mij op dit gebied, vriend.’ Ik vraag je waarom je dat doet. ‘Ik nágel verdomme niemand aan de schandpaal. Ik wil aan andere schoolhoofden laten zien: als je in zo’n situatie zit, ga dan naar de politie.’ Zijn stem slaat over van verontwaardiging en woede. ‘Ik ben met Ad Langebent de eerste in Nederland geweest die een onderwerp heeft gemaakt over incest. Máánden hebben we gewikt en gewogen. We hebben het gedaan, en uiteindelijk hebben we daar heel veel mensen mee geholpen.’ Maar “maanden gewikt en gewogen” is wel iets anders dan zomaar even iemand op straat overvallen. ‘Dat is heel oneerlijk wat je nu zegt. Wij gaan nooit “zomaar even”. Ten eerste maken we de afweging op de redactie. Daar zitten vijf vrouwen bij. Vijf vrouwen! Nou, je weet hoe minutieus vrouwen zijn. Zeker op dat gebied. Als we dan nog vraagtekens mochten hebben gaan we naar deskundigen binnen Aalsmeer of SBS. Het is niet zo dat Frequin maar even ergens op afstapt. Nee, hij wordt gestuurd door zijn redactie. Zó liggen de zaken. Er zijn dingen in deze samenleving die blijven liggen, door ambtenarij of papiermolens.’ Met een woeste klap op tafel: ‘En ik kom godverdomme voor die mensen óp. Daar vecht ik mij helemaal suf voor. Dat neemt niemand mij af.’ Het klinkt als een Robin Hood-syndroom. ‘Klets maar raak, ik weet niet wat je bedoelt. Ik wil gewoon mensen helpen die tussen wal en schip zijn geraakt. Dat is mij al bij mijn opvoeding meegegeven. En ik hou de mensen die ik aanspreek nog anoniem ook. Jij weet echt niet wie het is.’ Dat is onzin. Die mensen zijn vaak heel herkenbaar. Je ziet hun auto, of de straat waar iemand woont. ‘Nee vriend, dit is absoluut niet waar. Je zit te liegen. Noem maar eens een voorbeeld. In je programma over de zaak-Lancee achtervolgde je op straat de klassenleraar bij wie Lancees dochter haar beschuldigingen had geuit. Ik kende de stad en kon exact nagaan waar hij woonde . ‘Nu ben je heel makkelijk bezig. Dit verzin je.’ Ik noem Frequin wijk en straat. Nou goed, dat zou hij dan moeten nakijken. ‘Maar die man is wel de start geweest van alle ellende, hoor. Door hem is Lancee in de problemen gekomen.’ Met priemende vinger in mijn richting: ‘En heb jij je weleens afgevraagd of er wel toestemming is gevraagd voor die foto’s in de Volkskrant of de NRC van stervende en gewonde mensen? Want daar hoor ik jullie nooit over. En wel mij verwijten dat ik eigen rechter speel. Jaha...’ Ander voorbeeld: je interviewt twee kleine kinderen. Hun vader heeft geprobeerd ze te vermoorden. Jij vraagt hun of ze hun littekens willen laten zien, en zegt iets als: “Waarom heeft papa dat gedaan? Vindt papa jullie soms niet lief?” Weerzinwekkend toch? ‘Ja, dat kun jij nou wel vinden, maar wie zegt dat jij gelijk hebt? Datzelfde onderwerp is ook door NOVA gebracht. Wat ik altijd probeer te doen is mensen bewust te maken van een stuk tragiek dat ergens is. Een stuk ellende of een stuk verdriet. Ik wil een platform zijn voor mensen. Daarin voel ik mij een apostel. Ik zal daarbij heus weleens de verkeerde kant oplopen, maar mijn intentie is altijd heel liefdevol.’ Waar ligt bij jou de grens? ‘De grens is voor mij dat je anderen geen leed mag aandoen. Maar als je opkomt voor slachtoffers kun je soms misschien over de rand gaan. Dat zou kunnen.’ Wanneer hij over die rand is gegaan? Frequin denkt lang na, met gepijnigd gezicht, alsof hij in zijn hart geraakt is. Wanneer hij na ruim een halve minuut antwoord geeft, klinkt zijn stem schor. Bijna aangeslagen. ‘Nou ja, wat jij nu zegt... Over die kinderen. Ik zit mij nu toch opeens af te vragen: heeft hij gelijk? Dat neem ik opnieuw in overweging. Ik wil voor mezelf nagaan of we geen foute ethische afweging hebben gemaakt. Het steekt mij enorm als ik daar niet zorgvuldig in zou zijn geweest. Dat vind ik echt heel erg. Ik moet dat nog eens rustig bekijken met mijn mensen.’ Dan veert hij op, en klinkt hij opeens weer krijgslustig. Want het is wel erg makkelijk om zo even een paar voorbeelden te noemen. ‘Niemand neemt mij mijn enorme inzet af die ik twintig jaar in de Derde Wereld heb gehad.’ Goed, dat heeft hier dan misschien niet veel mee te maken, geeft Frequin toe. ‘Maar ik word hier wel erg makkelijk neergezet aan de hand van een aantal voorvallen. Ik zal best eens over de schreef gaan, maar mijn inborst is goed. Dat neemt niemand mij af.’ Wat zou de Brandpunt-verslaggever Frequin van je huidige programma gevonden hebben? Grinnikend: ‘Ach, ik heb weleens discussies met Fons de Poel, die nog steeds een goede vriend is. Hij vindt dat er nogal luchtige onderwerpen in zitten. Maar ja, op de één of andere manier ben ik uitgegroeid tot een tv-personality. Dan kom je in een bepaald vaarwater terecht. Ik ben niet zozeer journalist, ik ben tv-maker. Dat is gewoon iets anders. Maar die linkse rakkers beoordelen mij nog steeds als journalist. Nou, ze gaan hun gang maar. Als je met mij over de Albert Cuyp loopt, zie je dat mijn schouder scheef gaat staan van de schouderklopjes. Ik ben enorm geliefd bij het gewone volk. Dat wil ik ook graag. Ik wil een man van het volk zijn.’ Maar je hebt twintig jaar gewerkt voor een rubriek van naam. Wat je nu maakt kan daar toch niet bij in de schaduw staan? ‘Ja, maar dan voel ik mij toch ernstig tekort gedaan. Ik maak gewoon heel mooie onderwerpen, waar elk ander programma jaloers op kan zijn. Het enige verschil is: vroeger kwam ik in het buitenland op voor de mensen, en nu in Nederland. Het komt allemaal voort uit hetzelfde gevoel. Ik help gewoon graag mensen. Klaar uit! Misschien ben ik wel een apostel. De hele familie heeft gebeden dat ik pater zou worden. Dat is er niet van gekomen. Maar misschien is dit wel mijn vorm van christen-zijn. Ik wil mensen helpen. Waarom ga je naar Polen toe, en ga je de straat op om Solidariteit te interviewen, terwijl je weet dat je daar twintig jaar gevangenis voor kunt krijgen?’ Nu heb je het over de Brándpunt-verslaggever Frequin. ‘Ik ben nu ook nog een goede verslaggever.’ Meen je dat serieus? ‘Tuurlijk. Alleen sta ik nu niet meer op het wereldplatform. Het is kleinschaliger geworden. Maar ik help mensen net zo hard als voorheen.’ De hand bezwerend op zijn hart: ‘Het zit gewoon hiér. Ik ben zoals ik ben, ik vraag het op mijn manier. Als jíj weet hoe ik wakker lig over nuances. Ja, dat kun jij je blijkbaar niet voorstellen. Maar als ik in mijn bedje lig, blijft het malen: klopt het allemaal wel? Zelfs over de formulering van mijn vragen is heel lang nagedacht.’ Dat weet je dan goed verborgen te houden. Ik hoor je alleen maar dingen roepen als: “Waarom liegt u?” ‘Ja, maar ik kan toch pas zeggen: “Waarom liegt u?” als ik dat zeker wéét?’ Triomfantelijk schaterend:: ‘Jaha, nou sta je versteld, he? Ha, ha, ha. Daar heb je niet van terug.’
Hij denkt zelden aan zijn Brandpunt-tijd, zegt Frequin. Maar de “hoofdenaffaire” (over de vermeende handel in mensenhoofden) en de reportage over het XTC-laboratorium (waarbij de verslaggever onder meer gebruik maakte van een stand-in, zonder dat te melden) zijn nog jarenlang traumatisch voor hem geweest, erkent hij. Pas twee jaar geleden ‘ging het een beetje over’. ‘Ik heb erover gesproken met Frits Löhnen, mijn mental coach. Die gaf mij het zetje: “Waar maak je je nou toch zo druk over?” Maar dat trauma is met geen pen te beschrijven. Het is een enorm verdrietige periode geweest. Omdat ik alle vuiligheid over mij heen kreeg voor iets dat ik niet gedaan had.’ Na de reportages, uitgezonden in januari 1989, stelde de KRO een interne onderzoekscommissie in. Hoewel de commissie Van Doorn Frequin niet als schuldige aanmerkte, was zijn positie bij de actualiteitenrubriek onhoudbaar geworden. Ook tien jaar nadien houdt Frequin vol dat er destijds ‘niets aan de hand’ was. Sterker nog, het was, zegt Frequin, ‘toch een gigantische primeur. Er waren daadwerkelijk mensenhoofden gestolen uit een universitaire kliniek. Dat stond als een paal boven water. De enige fout is geweest dat er gezegd werd dat er hándel in mensenhoofden zou zijn. Ik heb vooraf nog nadrukkelijk tegen Ton Verlind gezegd dat er géén handel was. Maar hij wilde dat het erin zat. Uiteindelijk heeft Verlind het toen in zijn inleiding gezegd. En op die woorden werd ik afgerekend.’ Frequin ontkent met grote felheid dat er ook maar iets geënsceneerd zou zijn. Dreigend: ‘Nu moet je echt op je tellen gaan passen, vriend. Die reportage is vooraf bekeken door de politie en door mensen van de universiteit. Die hadden er toen niks op aan te merken. ze gaven mij zelfs complimenten. Maar omdat Verlind in de inleiding over “handel” begon, kreeg ik de hele zeik over mij heen.’ Frequin bestrijdt dat hij daarna van de KRO weg moest bij Brandpunt. ‘Wie heeft dat tegen je gezegd? Dan bel ik hem nu op. Want dat laat ik mij godverdomme niet zeggen. Ik ben volstrekt uit eigen beweging weggegaan bij Brandpunt. Wat niemand weet is dat ik de voltallige redactie bij mij thuis heb gehad, die het vrijwel unaniem voor mij heeft opgenomen. Ze zagen allemaal dat ik niets fout had gedaan. Er is maar één persoon geweest die mij moedwillig heeft laten verzuipen. Later heeft Verlind mij nog eens benaderd; hij wilde met mij praten. Ik heb dat geweigerd. Dat had hij dan eerder moeten doen. Volgende onderwerp.’ Waarom ging je dan weg als je zeker wist dat je geen schuld had? ‘Omdat ik vond dat ik zodanig beschadigd was dat mijn aanblijven de geloofwaardigheid van de rubriek zou aantasten. Maar ik heb er al teveel over gezegd. Volgende onderwerp.’ Want je had al eerder, in 1982, een omstreden reportage gemaakt over de Amsterdamse politie. Met beelden van arrestaties en achtervolgingen die later geënsceneerd bleken. Frequins ogen vernauwen zich opeens tot bijna onzichtbare streepjes. Snuivend: ‘En wanneer begin je nou eens over de goede dingen die ik gedaan heb? God-ver-dómme nog aan toe. Wat je nu naar voren haalt slaat echt nergens op. Ik vind het ránzig worden, dit gesprek.’ Maar het is toch wel erg toevallig? ‘Nee, het is helemaal niet toevallig...’ Hij zwijgt, grijpt naar zijn hoofd. Stamelend: ‘Hier raak ik echt.... echt van in de war, weet je dat?. Ik begrijp niet hoe je, als je mij enigszins respecteert, met dit soort flauwekul durft aan te komen. Godnogaantoe....Volgende vraag.’ Wel treurig dat het zo gelopen is met je carrière. ‘Waarom zég je dat nou weer? Luister: wat ik nu doe, was allang gepland. Ik was al voor die kwestie van plan om bij Brandpunt te stoppen. Gewoon omdat ik al die ellende van die stervende kreperende mensen niet meer aankon. Ik heb in de martelkamers van Amin emmers met afgesneden vingers en pikken gezien. Dan word je gek. Ik dreigde eraan onderdoor te gaan. Kan mij wat schelen of je dat gelooft of niet.’ Dat hij ook bij Brandpunt al een ongeleid projectiel was, is volgens Frequin ‘absurd’. ‘Er was gewoon nieuws. Er waren bombardementen in Biafra. Niemand geloofde dat, maar dan ging ik er verdomme op af. Ik ging naar Oeganda, naar Polen, naar Argentinië. Ik heb de moed om te zeggen dat ik op bescheiden schaal eraan heb meegeholpen dat de wereld veranderd is. Wij lieten het zién. Dat wij nu niet ongestoord mensen laten vermoorden en kreperen is mede te danken aan mijn bijdrage. Want anders was er in heel veel landen nog steeds een dictatuur geweest.’ Meewarig: ‘En ja, nu zit ik dus bij SBS. Dat is een keuze in je leven. Een ander had het op mijn leeftijd allang rustiger aan gedaan, maar ik heb nog steeds een enorme drive. Op mijn manier probeer ik de wereld te verbeteren.’ Wat hij zichzelf de komende tien jaar nog ziet doen? O, reageert Frequin laconiek, over tien jaar ligt hij allang in zijn graf. ‘Ik werk zo arbeidsintensief dat het fysiek en geestelijk nooit lang meer kan duren.’ Tot die tijd zal hij gewoon zijn programma’s blijven maken. Tot zijn laatste snik. Zijn begrafenis zal in elk geval een ontzaglijk feest worden, met zijn favoriete restaurant Moeke Spijkstra als vertrekpunt. ‘Alles is al georganiseerd. Al mijn vrienden komen er eten. Helemaal top: zalm, kaviaar, alles. Want als ik ga, ga ik groots. Met stijl. De enige afweging is nog waar mijn kist moet staan: bij mijn vaste tafeltje of in het zijkamertje. Daarna een klassieke begrafenis, met paarden erbij en een koets. Aan het graf zal gezongen worden door vrienden.’ Geheimzinnig lachend: ‘En tot slot heb ik dan voor iedereen nog een enorme verrassing. Nee, dat wordt echt heel feestelijk. Grandioos gewoon. Ik verheug me er eigenlijk nu al op. Laat al die azijnpissers maar lekker stikken in hun azijn. Ik vertrek waardig, met champagne. En ik ga er zonder meer vanuit dat ik in de hemel kom. Als mens sta ik hoog genoteerd.’ © Coen Verbraak, 1999
|