SETH GAAIKEMA
EEN HEEL KLEIN BESCHEIDEN WINKELTJE

januari 1994



‘Met dit nieuwe programma wil ik iets goedmaken. Hoe de kritieken ook zullen zijn, ik sta vierkant achter deze show. Ik heb mijn huiswerk goed gedaan.’ Hij is gevierd om zijn musicalvertalingen van Les Misérables en The Phantom of the Opera , maar als cabaretier wordt Seth Gaaikema (1939) nauwelijks nog serieus genomen. Toch ging op 14 december zijn nieuwe programma De wereld is stapelgek, nu wij nog in première. Een programma waar hij zelf ‘volop’ in gelooft. Achter de glazen tafel in zijn huis aan de Brouwersgracht blaakt Gaaikema—diepblauw kantooroverhemd met gestreepte das, gouden brilmontuur op de neus—van zelfvertrouwen. En het programma groeit nog elke avond, zegt hij. ‘Het zijn allemaal pareltjes die samen een ketting moeten worden. De conférence begint nogal fors; mijn kwaadheid over deze tijd moet eruit. Het zijn acupunctuurprikjes. Het publiek moet au roepen. Ik merk dat ze eraan moeten wennen, maar daarna krijg je het krediet van de zaal. Dan krijg je vleugels en ga je vliegen.’

Hij leunt behaaglijk achterover, de handen in de nek, om dan opeens weer diep voorovergebogen over de tafel te hangen. De bril gaat op en af. Hij is er natuurlijk een tijd uit geweest, mijmert hij. Maar het vertalen van Les Misérables en The Phantom en het schrijven van de musical De drie musketiers hebben ‘iets’ in hem losgemaakt. Het is alsof hij ‘schoongewassen’ is. Hij wil opnieuw beginnen en niet meer bezig zijn met vroeger. Gaaikema: ‘Die musicals waren een zeer ingrijpende job. Alledrie gaan ze over ‘‘alles of niets”. Door Les Misérables kreeg ik iets van: geen gezeur meer, gewoon doen. Die musical heeft mij schoongemaakt. Ik ben intenser gaan leven. Dat is een groot verschil met vroeger. Toen stond ik erbij en keek ik ernaar. Het lijkt nu wel alsof ik perioden in mijn leven heb gehad waarin ik doorlopend slíép. Er zat een cellofaantje om mij heen. Als ik terugkijk, dan vond ik mijzelf vroeger een uitermate ernstige, bekommerde jongeman. En nu denk ik: kom zeg, ik ben vierenvijftig, zoveel tijd héb ik niet meer. Over tien jaar ben ik vijfenzestig, het moet dus nú. Dit is een rare fase; je bent nog volkomen gezond, in de middelbare leeftijd. Maar tien jaar verder kan alles anders zijn. Ik voel het tikken van de klok en ben daardoor gretiger dan vroeger. Zolang ik het nog kan, moet ik het gebruiken. Ik kan de show moeiteloos uit mijn hoofd doen. Maar ik zal me later niet kunnen veroorloven om spiekborden te gebruiken. Dat heeft Wim Kan immers al gedaan.’

Seth Gaaikema doet op dit moment precies wat hij altijd heeft gewild: musical en cabaret. En op De drie musketiers, de musical die hij samen met componist Klaas van Dijk maakte, is hij ronduit trots. ‘Die Musketiers is een kindje van mij; als ik erover praat, krijg ik iets zachts in mijn ogen. Datzelfde wat tante Leen vroeger had, wanneer ze over het Oranjehuis sprak.’ Gaaikema lacht hard en lang, zoals hij tijdens het gesprek vaker zal doen. Er kan geen misverstand over bestaan: hier zit een tevreden mens. ‘Ik heb er heel veel plezier in om iets te maken. Dan heb ik het niet over de waardering, maar alleen over het genot van het scheppen en het plezier om bijvoorbeeld nu weer mijn voorstelling te spelen. Laat mij maar lekker wat grapjes en witzen vertellen.’

Gaaikema noemt zichzelf ‘een wij-artiest’: hoe gaat over ‘ons’ en niet over ‘hem’. ‘Ik zoek de herkenbaarheid. Herman van Veen is bijvoorbeeld het allerindividueelste individu, iemand die zijn eigenheid openbaart voor het collectief. Bij mij gaat het om datgene wat óns als Nederlanders overkomt. Nee, natuurlijk is dat niet hetzelfde als ‘‘de grootste gemene deler”. Ik geef wel degelijk mijn eigen mening. Het is alleen een andere benadering. Ik heb het over de paus en over de carpoolstrook. Wat gebeurt er in Rusland, hoe loopt het af met het socialisme? Dat is dus een volstrekt ander vak. Ik doe het precies zoals ik het voel. En of het in deze tijd past, interesseert me niet. Ik voel dat er nog van alles komt. Mijn hoofd zit vol met ideeën. Ik ben nu vierenvijftig, Wim Kan was drieënzestig toen hij zijn allerbeste programma—de Oudejaarsconférence van 1973—deed.’

Hij zegt dat hij nog maar zelden aan Kan denkt. Het is vooral de buitenwereld die hem steeds met ‘de meester’ confronteert. Gaaikema antwoordt aarzelend op de vraag of Kan een hekel aan hem had. De bril gaat weer af. ‘Ik was natuurlijk in zijn tuintje aan het wieden, hè. Dat kon hij niet uitstaan. Laten we het op een haat-liefdeverhouding houden.’ Hoewel Kan in zijn dagboek vernietigend is over hem, is Gaaikema ervan overtuigd ‘dat alles goed zou zijn gekomen, als hij langer had geleefd.’ ‘Door de ziekte van Corry heeft Kan een ernstig oponthoud in zijn carrière gehad. Die laatste uitzending in 1982 had hij natuurlijk nooit moeten doen, omdat hij negen maanden niet gespeeld had en geen materiaal had. Maar hij heeft het gedaan voor haar. Wim Kan is op een ontzaglijk ongelukkig moment weggegaan. Ik weet zeker dat hij schitterend zou zijn teruggekomen. Kan zou een mooie, erudiete oude man zijn geworden, die nog van alles te vertellen had. Er is hem alleen een groot ongeluk overkomen: de ziekte van Corry en die noodlotsuitzending... Aan het eind was Wim Kan daardoor verbitterd en verongelijkt, boos op de wereld.’

Wim Kan mocht hem dan een kloon vinden, Gaaikema heeft Kan beslist nooit bewust geïmiteerd. Wie dat zegt, kraamt ‘kullekoek’ uit. Maar die typerende ‘psst, kom eens dichterbij’-handgebaren van Kan dan, die Gaaikema zo smaakvol heeft ‘overgenomen’? Ben je gek, zeg. Weet ik eigenlijk wel dat zijn grootvader een Armeniër was, die voortdurend met zijn handen bewoog? ‘Als hij als jongetje achter een heg liep, zag je alleen zijn handen er elke keer bovenuit komen. Het heeft echt niets, maar dan ook niets met Wim Kan te maken, alleen maar met mijn opa.’ Wat Kan over hem schreef is dan misschien wel hard, zegt Gaaikema, maar hij kan wel begrijpen hoe het allemaal gegaan is. ‘En als ik het begrijp,’ zegt hij op ernstige toon, ‘dan kan ik het ook beter accepteren. Er zijn bepaalde dingen die ik níet kan accepteren en dan blijf ik kwaad. De dood van mijn moeder heb ik nooit begrepen. Waarom ze al weg moest toen ze eenenvijftig was.’ Hij klink verbeten. ‘En dat zúllen ze me boven in de hemel moeten uitleggen, wíé er ook zit! Hij of zij is mij een pittige verklaring schuldig. Ik kan er nog altijd niet in berusten. Als ik er nu, dertig jaar later, over praat, word ik weer opstandig.’ De stilte die valt is lang en zwaar. ‘Ja, god zeg, dit is wel waar,’ mompelt hij, meer voor zichzelf dan voor mij.

Of het een vreemde gedachte is dat hij nu ouder is dan zijn moeder? Gaaikema schrikt. ‘Ja, Dat is onvoorstelbaar, zeg. Onvoorstelbaar. Ik ben nu ouder dan mijn moeder.’ Ik zie hoe zijn lippen het geluidloos herhalen. Hij vraagt of we even kunnen stoppen. Na een paar minuten praat hij verder. Hij lijkt aangeslagen. ‘De dood is zo onrechtvaardig. Die bruggetjes eroverheen kan ik gewoon niet accepteren. En al die zinnetjes van: het heeft zo moeten zijn. Het heeft niks zo moeten zijn. Het is zo, helaas. Ik ben ontzettend anti-dood. Ik wil niet van dood horen, ik verdring het. Dat is een geweldige eigenschap van mij: ik ben een hele goeie verdringer. Dood, verdriet, noemt u maar op, meneer. Ik verdring naar hartelust. De dood is er gewoon niet.’ Maar hij komt wel, zeg ik. Hij kijkt triomfantelijk. ‘Wie zégt dat, wie zegt dat dan? Nee hoor, voor mij is de aarde plat.’

In de taxi op weg naar café Keyzer fleurt hij weer op. Opeens is die kenmerkende Gaaikema-monterheid terug. Hij glimlacht bijna gelukzalig, terwijl de neonreclames spiegelend over zijn bril glijden. Wanneer het gesprek opnieuw op Wim Kan komt, zie ik een lichte frons. Hij lijkt te aarzelen. Ja, eigenlijk wil hij toch eens iets kwijt. Misschien is hij wel een tijd een kloon van Kan geweest, dat zou best kunnen. Maar, zegt Gaaikema, het is geen eenrichtingsverkeer geweest. ‘Die man is niet voor niets zeven jaar lang praktisch elke dag een uur of twee met die student uit Groningen gaan bellen. Dat was niet vanwege mijn blauwe ogen, maar omdat hij iets in mijn esprit vond dat hij kon gebruiken. Het klinkt oneerbiedig, maar ik heb Kan natuurlijk ook enorm beïnvloed. Hij heeft zeven jaar van mij geplukt. Een bepaald soort liedjes is typisch mijn stijl. Nee, we noemen geen namen was van mij, maar Wim Kan heeft het gebracht. Dat geldt ook voor sommige grapjes. Ik mag dat nu langzamerhand toch wel eens zeggen. Het kwam van twee kanten; ik heb ook veel in Kan geïnvesteerd. Hij heeft volop dingen van mij gepakt en later uitgewerkt. Kan had bijvoorbeeld altijd de neiging om zijn liedjes te lang te maken. Die heb ik in die tijd ontzettend bekort en sindsdien waren ze nooit meer te lang. Hij kon soms ook veel te lang doorzeuren op één thema. Dan zei ik: ‘meneer Kan, u moet eerder overstappen.” We hebben zeer intens samengewerkt. Alleen was ik toen een onbekend manneke. Maar wel het manneke dat My Fair Lady vertaald had, dus ik had bagage: hij had iets aan mij. Die verstrengeling is dus van twee kanten gekomen. Ik heb er altijd mijn mond over gehouden. Zoiets zeg je niet, omdat je denkt: wie is hij en wie ben ik? Maar het is wel waar.’ We passeren het Nieuwe de la Mar, maar Gaaikema kijkt niet naar buiten.

Het tafeltje bij het raam kijkt uit op het Concertgebouw. Daar kwam in 1969 zijn eerste oudejaarsshow—met dominee Buskes en de Politiekapel—vandaan. Gaaikema beschouwt het nog steeds als een hoogtepunt. ‘Dat was een fan-tas-tische happening. Iedereen sprak erover. Er wordt nú nog over gepraat, en bepaalde fragmenten worden nog steeds herhaald. Nee, echt grandioos. En Wim Kan was kwáád, och, och...’ Zijn gezicht begint te stralen. Gaaikema glundert, begint te proesten. ‘Ik werd voor straf een paar jaar niet meer aan het Hof in Kudelstaart ontboden.’ Pom-pom-pommend bekijkt hij de menukaart. De bestelling wordt opgegeven: garnalenkroketten en lamskoteletten. ‘Hé, dat rijmt,’ stelt Gaaikema monter vast. De ober lacht beleefd.

Of hij zichzelf een goed cabaretier vindt? De vraag lijkt zijn humeur ogenblikkelijk te ondermijnen. Zijn gezicht verstrakt. Hij bespeurt een hinderlaag. ‘Nou, eh, ik heb bij deze show wel het gevoel dat ik ‘‘beet” heb. Verder kan ik er niks over zeggen.’ Dan breng ik de kritiek ter sprake: waarom maken zijn programma’s vaak zo’n vrijblijvende en nikserige indruk? Gaaikema veert op. ‘Je kunt van dit programma alles zeggen, maar zeker niet dat het nikserig is. Altijd maar weer die oude verhalen... Er zijn heel veel mensen die mij helemaal niet nikserig vinden. En van mijn Tweede-Kamerconference kun je toch moeilijk beweren dat hij vrijblijvend was. Wat ik toch over Aantjes gezegd heb... Kom nou toch, dat is allesbehalve vrijblijvend. Nee, kullekoek. Kullekoek is het, onzin. Dan praat je over Seth Gaaikema van zeven, acht jaar geleden. Oké, er zijn natuurlijk mindere programma’s geweest. De avonturen van S. Gaaikema (zijn programma van twee jaar geleden) vond ik helemaal niet goed. Zoiets kan een keer gebeuren.’ Ik herinner hem eraan dat hij in dat programma zelfs nog een hele conférence over Boer Koekoek had. Hij reageert stug. ‘Kan ik mij niet voorstellen. Nou ja, vorig jaar was dat in elk geval niet zo. Maar laten we het nu niet over vroeger hebben. Dat is zo flauw, zo achterhaald.’

Maar de kritiek van collega’s dan? Want Gaaikema is door bijna alle cabaretcollega’s weleens tot stof voor hun programma verheven. Hij doet alsof hij de vraag niet hoort. Zijn handen strijken het tafellaken glad. Hij zwijgt, minutenlang, en kijkt demonstratief een andere kant op; het interview is er nooit geweest. Zijn handen strijken het tafellaken nog eens glad. ‘Neem jij nog koffie?’ vraagt hij opeens, het tafellaken gladstrijkend. De koffie wordt gebracht, op een gladgestreken tafellaken. ‘Ik heb geen zin om in verweer te gaan,’ doorbreekt hij het stilzwijgen. ‘Ik vind dat ik mezelf niet hoef te verdedigen.’ En wat die grappen over hem betreft: hij beschouwt het als een eer om genoemd te worden. ‘Het is een soort geuzengevoel. Uiteindelijk zweef ik dan blijkbaar toch rond in hun geest. Herman Finkers heeft mij in een programma ooit vijftien keer genoemd. Ik heb hem nog nooit genoemd. Maar zo gaat het met vooroordelen en image-beelden: die groeien maar door. Ik probeer er maar mee te leven. Want je denkt toch niet dat Finkers en al die anderen ooit de moeite hebben genomen om naar mijn voorstelling te komen? Die gaan gewoon af op wat er in de lucht zweeft. Maar ach, het zwééft tenminste.’

‘Nou goed,’ begint hij daarna, ‘voor een deel zit er heus wel iets in die kritiek. Maar: je moet mij zien binnen mijn eigen genre, voor mijn eigen publiek. En als je op je vierenvijftigste het roer nog eens gaat omgooien, ben je gek. Twee, drie jaar geleden was ik inderdaad een beetje doodgelopen; de bron was opgedroogd. In de grote slagschaduw van Les Misérables heb ik het cabaret wat te veel laten zitten. Er werd toen felle kritiek op mijn show geleverd. Ik moet eerlijk bekennen dat dat niet helemaal onterecht was. Maar er zijn ook mensen tegen mijn genre. Er zijn zelfs mensen die ertegen zijn dat ik überhaupt besta. Daar kan ik mij niet tegen verweren.’

Dat zijn cabaret in een tijd van ‘snel en fel’ ouderwets en traag is, vindt Seth Gaaikema onzin. ‘Ik ben ook snel en fel, maar dat is bij mij niet het voornaamste. Het mooiste is, dat iemand na afloop zegt: ‘‘ik kan er weer even tegenaan.” Een beetje helpen, een beetje troosten misschien. Ik heb nooit geloofd dat het ‘‘loswoelen” centraal moet staan. Ik wil de mensen niet met een stuk woede naar huis sturen, ik wil een stuk rust brengen. Grote problemen terugbrengen tot kleine afmetingen, en vervolgens kijken wat je daarmee kunt doen. Dat irriteert sommige mensen en daar heb ik begrip voor. Natuurlijk, ik ken de kritiek. Ik ben woordspelerig, maar ik ben nou eenmaal een taalman. En er komen mensen bij mij, omdat ze houden van de manier waarop ik met taal omga. En misschien ben ik soms wel te vrijblijvend geweest. Ik zal nou eenmaal nooit de jongen worden die vooraan staat, zoals Youp en Freek. Dat zijn gewoon heel andere karakters. Ik kom Freek weleens tegen als we toevallig allebei in het Familiehotel in Paterswolde logeren. Freek is een man die enorm op zoek is naar dingen. Een heel nerveuze figuur eigenlijk. Als we samen zijn, praten we enorm veel. Freek is vreselijk zwaar op de hand, veel zwaarder dan ik. En ook enorm bezig met religie. Hij gaf mij eens een boekje cadeau waarin hij voorin geschreven had: ‘‘Je Broeders Hoeder”. Het zou toch niet in mijn stoutste dromen opkomen om zoiets in een boekje te schrijven! Dat is toch van een loodzware orthodoxheid... Voor mij is dat gewoon een totaal andere planeet. En Youp is ontzettend druk bezig om de mensen erop te wijzen dat ze foute jasjes dragen en naar foute clubs gaan. En dat de lamp op de verkeerde plaats staat. Ik vind het heel goed wat hij doet. Youp is een soort nieuwe Brecht, zoals hij zich opwindt over het burgerdom. Maar dat heeft mij als domineeszoon nooit geïnteresseerd. Die woede ken ik niet. Ik heb vooral een grote voorliefde voor taal. En natuurlijk glijd ik daarin weleens uit. Ik hoor de fouten zelf ook wel en probeer ze ook te verbeteren. Maar ik kan mezelf nooit helemaal veranderen.’

“Ik ben natuurlijk geen goed performer, ik ben meer een schrijver die voordraagt. Het is een beetje antitheater. Maar er is toch een publiek voor, mensen die het leuk vinden om daarmee te worden beziggehouden. Dat hoeft jouw genre helemaal niet te zijn. Ik geef onmiddellijk toe: ik kan niet zingen, helemaal niet goed bewegen, ik kan heel veel dingen niet. Maar ik kan wel goed een grap vertellen, improviseren en een gedichtje overbrengen. Het heeft ook iets origineels om een ongepolijste, authentieke man te zien, met alle gebreken van dien. Die gebreken heeft mijn publiek nooit erg gevonden.’ Ik vraag hem waarom hij zich niet uitsluitend toelegt op musicalvertalingen en ophoudt met zijn cabaretwerk, dat toch tweederangs wordt gevonden. ‘Je wordt nu wel venijnig, hè. Dan moet je mij niet interviewen,’ bitst Gaaikema. Nee, waarom zou hij ophouden? Hij treedt al dertig jaar op en er zijn genoeg mensen die het mooi vinden. Gaaikema: ‘Mijn publiek gaat om halfelf heel tevreden naar huis. Jij hoeft het niet mooi te vinden, maar ik merk dat het in een behoefte aan positiviteit voorziet. Het schept enorm veel vreugde, aan beide kanten. Mijn publiek vindt het fijn. Ik hoef niet door iedereen goed gevonden te worden. Het is volslagen ouderwets om de beste te willen zijn. Het gaat om geluk, om plezier. Het allerergste dat een restaurant kan overkomen, is dat het een ster krijgt. Dan ben je altijd bang om hem weer kwijt te raken. Creativiteit is het mooiste dat er is. En zolang er mensen zijn die mijn soort esprit waarderen, heeft het bestaansrecht.’

Maar men vergelijkt toch altijd, vraag ik hem. En vergeleken met veel andere collega’s staat Gaaikema als cabaretier toch onderaan de lijst? Met een abrupte beweging legt hij zijn bestek neer. ‘Prima, prrrima. Ik ga morgen naar Nijmegen en het schijnt aardig bezet te zijn.’ Als de tafel is afgeruimd, komt het vertrouwde tafellaken weer te voorschijn. Als ruitewissers gaan Gaaikema’s handen heen en weer over het kleed. Er klinkt hulpeloosheid door in zijn woorden. Ik moet toch begrijpen dat het optreden zowel hem als zijn publiek grote vreugde schenkt? ‘Er bestaat een publiek dat het mooi vindt. Het kan eens minder zijn of beter, maar ze komen voor mijn kern. Dat is mijn hele kleine, bescheiden winkeltje. En voor dat bescheiden winkeltje is in Nederland blijkbaar toch plaats.’ Gaaikema kijkt ongelukkig en in het nauw gedreven. Laten we er nu toch alsjeblieft over ophouden. ‘Je hoeft het niet te geloven, maar wat ik doe voorziet in een behoefte. In een tijd van barricades en zwart-witten is echt wel plaats voor iemand die in nuances spreekt en gewoon zegt wat hij voelt en denkt. Dat is mijn bestaansrecht en dat laat ik mij door niemand uit handen slaan. Optreden is mijn wezen, mijn bestaan.’

Het is ook een misverstand om te denken dat hij politiek cabaret bedrijft. Want: politiek cabaret bestaat helemaal niet meer, zegt Gaaikema. ‘De mensen weten niet eens meer wie de ministers zijn. Het zou krankzinnig achterhaald zijn om op dit moment zuiver politiek cabaret te brengen. Zoals Kan al die ministers afging, dat zou niet meer kunnen. Het gaat om de grote politieke machten: Moskou, Washington. Ik sla dus een nieuwe weg in.’ Opeens buigt hij zich voorover naar mij toe, het kolossale hoofd een decimeter van mijn gezicht, en begint met stemverheffing te declameren: ‘Dat máchteloos gevoel van aan de kant te staan/ máchteloos toezien hoe zij hun gang maar gaan/ hoe zij maar onrecht plegen/ en zondigen tegen alle regels van fatsoen/ dat machteloos gevoel van aan de kant te staan/ en zij hun gang maar gaan/ en jij niks kunnen doen.’ Aan andere tafels wordt gegrinnikt, obers kijken om. Gaaikema merkt het niet. ‘Dáár gaat het om, dát is deze tijd. En dat is niet nikserig, dat is het gevoel dat iedereen heeft. Jij misschien niet, maar de anderen wel. Machteloosheid, wat gaat er met mij gebeuren. Maar niemand weet toch wie meneer Alders is? Die bestaat helemaal niet. Het is één grote zap-mentaliteit. Zapperdezapperdezap.’

Maar dat moet hij als cabaretier toch juist doorprikken? Hij lacht minachtend. ‘Jongen, jij wilt de mensen veranderen. Dat kan niet! Die vorm van Kan zou niet meer kunnen. Dat was die tijd. En het was een mooie tijd, we zijn dankbaar voor die tijd, maar het is voorbij.’ Zijn vuisten dansen op tafel. ‘Vol-sla-gen voor-bij! Tegenover je zit een vent die op een andere manier probeert die nieuwe tijd te formuleren. Misschien lukt het hem niet, maar hij probeert het. En die kritiek moet dan maar komen. Ik heb gezien hoe Kan zich de recensies aantrok en hoe hij eronder leed. Toen dacht ik: dat zal mij nooit overkomen. Kan twijfelde tot gek wordens toe. Ikzelf heb ook jaren gezegd: twijfelen is het hoogste wat er is. Maar dat vind ik nu onzin. Je moet beslissingen nemen, aanpakken! Natuurlijk voel ik twijfels, maar ik heb geen tijd meer om mijn leven met twijfelen te verdoen. Ik moet voort. Het gaat op en neer. Als je ‘s morgens om negen uur belt: ‘‘Seth, ik kom vanavond naar je voorstelling,” zeg ik: ‘‘Nee, alsjeblieft niet, zeg. Het is niks.” Maar als je er dan ’s avonds om negen uur inderdaad niet bent, denk ik: verdomme, waarom is hij er nou niet? Ondermoed en overmoed horen nou eenmaal bij mij. Ik zeg altijd: ik vind het voor-na-me-lijk leuk.’

© Coen Verbraak, 1994