JURRE HAANSTRA
OP DE BOK EN LANGS DE DEUREN

8 juli 2000


Als musicus, componist en arrangeur heeft Jurre Haanstra (48) z'n sporen verdiend. Hij maakte de muziek voor televisieseries als Baantjer, Wij Alexander en De Brug en componeerde soundtracks voor bioscoopfilms (waaronder Vroeger kon je lachen en De kleine blonde dood). Bovendien is hij als gastdirigent verbonden aan het Residentie Orkest. Deze week staat hij met dat orkest drie dagen in theater Carré, met een tour de chant van Paul van Vliet. Toch is hij voor de buitenwacht nog steeds vooral "de zoon van Bert". Haanstra heeft er nooit een probleem van gemaakt. 'Je weet dat je er altijd op aangesproken zal worden. Het zij zo. Voor mijn broer (regisseur Rimko Haanstra -CV) was het veel lastiger: een Haanstra die ook nog 'ns filmer was. Dan ben je een soort Jordi Cruyff. Dat is een enorm moeilijk traject. Mijn vader zei vaak: "ik hoop dat ze op een dag zullen schrijven: de vader van Jurre,… de vader van Rimko. Dat was echt geen valse bescheidenheid van 'm, hij méénde het. Alleen is het nooit gebeurd. En het zál ook nooit gebeuren.'

Jurre Haanstra -tengere, studentikoze gestalte, gekleed in geelgeruit colbert- doet eigenlijk in niets aan zijn vader denken. Zijn presentatie is bescheiden, soms ronduit timide. Hij formuleert helder en trefzeker, maar wel met een stemvolume dat soms maar amper het geroezemoes in het Hilversumse etablissement doorsnijdt.

Als jongetje zag hij in Katwijk aan Zee voor het eerst de fanfare voorbijtrekken. Hij raakte ter plekke gebiologeerd door die glimmende trommels, en besloot dat hij drummer wilde worden. Dat bleek hij ook nog 'ns erg goed te kunnen: op z'n achttiende won hij de Eerste Prijs van het Loosdrecht Jazz Concours. Op het conservatorium kwam Haanstra in aanraking met klassieke muziek en kreeg hij compositieles van Theo Loevendie. Zijn eerste compositie maakte hij voor een filmpje van zijn broer, toen die nog op de filmacademie zat. Later vroeg ook z'n vader hem muziek te maken bij diens films. Al vond-ie het wel 'behoorlijk eng' om muziek te maken bij z'n vaders werk. 'Hij was zelf zo perfectionistisch, zo hartstochtelijk, dat ik altijd bang was dat-ie het niet goed zou vinden.'

Haanstra beseft dat het vak van filmcomponist door het publiek nauwelijks op waarde geschat wordt. Terwijl het een uiterst gecompliceerde manier van componeren is, weet hij uit ervaring. 'Omdat je van die extreem korte fragmentjes moet maken. Je bent voortdurend bezig met puzzelen op een minuut. De essentie van het maken van filmmuziek is dat je het beeld een dimensie meegeeft die het van zichzelf niet heeft. .John Williams heeft filmmuziek "de opera van de twinitigste eeuw" genoemd. Dát is het: de ultieme koppeling van muziek aan drama. Terwijl je per definitie heel beperkt moet blijven met je thematiek. Als je een Beethovensonate onder een speelfilm zet, is dat ongelofelijk irritant. Dat is zo'n complete muzikale informatie dat er eigenlijk niets anders meer bijkan. Je moet met zo min mogelijk middelen zo doeltreffend mogelijk een sfeer neerzetten.'

Wanneer Haanstra aan een filmcompositie gaat beginnen, gaat hij eerst bij de regisseur langs, met een koffer vol cd's. Klassieke composities, en bestaande soundtracks.' Je moet de regisseur altijd een beetje helpen. Muziek is namelijk de enige discipline waar de meeste regisseurs geen verstand van hebben. Dat moeten ze uitbesteden, zeer tegen hun zin. Als componist moet je daarom heel erg in het verlengde van die regisseur opereren. Het is zijn film. Maar omdat hij het wel moet kunnen benoemen draai ik die cd's bij de ruwe montage. Zoek je dit? Of toch eerder zoiets? Ja preciés, maar dan iets lichter. Heel associatief. Want als ik eenmaal met een orkest in de studio zit en hij zegt: "dit is toch niet wat ik wil" is dat een ramp.'

Een compositie begint met een melodie. Vaak zeer rudimentair, soms met maar een handvol noten. Een enkele keer is een thema er ineens. De producent van Baantjer had voorafgaand aan de tv-serie een aantal componisten gevraagd zich in te schrijven voor een competitie voor de titelsong. Haanstra weigerde. 'U weet wat ik maak, ik ga niet aan een wedstrijd meedoen.' Uiteindelijk werd hij opnieuw gebeld. Niemand was erin geslaagd om de sfeer van "een Hollandse Maigret" muzikaal gestalte te geven. 'Het was 's morgens vroeg, ik was nog niet eens aangekleed. Ik liep naar de piano en zei tegen m'n vrouw: kijk, volgens mij zoeken ze dit. En ik speelde in één keer dat muziekje.' Dan moet-ie het wel direct opnemen: zo'n ingeving komt maar één keer langs. Daarom heeft hij op vakantie ook altijd een dictafoontje bij zich; voor als hij opeens op het strand loopt te neuriën.

'Het belangrijkste van een soundtrack is dat je een voorzet geeft aan de toeschouwer. Terwijl die het zelf helemaal niet in de gaten heeft. Er komen weleens mensen op mij af: "u heeft toch dat ene muziekje voor Baantjer gemaakt? Ze beseffen niet dat die hele serie boordevol muziek zit. Vol met verborgen verleiders. Dat is de subtiliteit van het filmmuziek-vak. Wij zijn geen spitsen die fantastische goals maken, wij zijn heel bruikbare, dienstbare middenvelders.' Maar daar zitten in Nederland uitstekende veldspelers bij, vindt de componist. Haanstra bewondert Bob Zimmermann (van De avonden) en is een groot liefhebber van de filmmuziek van Henny Vrienten. 'Zijn muziek zit vol met heel aparte ideeën en onverwachte orkestraties. Ik ben veel klassieker dan Henny, maar ik vind het fascinerend wat-ie maakt.' En Rogier van Otterloo natuurlijk. Die speelt ruim tien jaar na z'n dood voor Haanstra nog steeds een rol. 'Zo'n titelsong als uit Turks fruit is onvergetelijk. Een mooie pakkende melodie, schitterend vertolkt door Toots Thielemans.'

Van Otterloo's filmmuziek voor Soldaat van Oranje behoort in Haanstra's ogen tot de beste filmscores die er in Nederland gemaakt zijn. 'Het leuke is dat Rob Houwer tegen Rogier had gezegd: ik wil dat je dit voor mij maakt… En hij liet hem de Vijfde van Beethoven horen: ta-ta-ta-taaa. Leg die beginpartituren maar naast elkaar: het zijn twee nootjes meer. En toch is het helemaal Van Otterloo. Heel erg knap. De perfecte voorzet perfect ingekopt.' Op wereldschaal beschouwt Haanstra de muziek van Sophie's Choice als één van de betere soundtracks. 'Die muziek is gecomponeerd door Marvin Hamlisch, een knaap uit het lichte genre. Niet iemand waar je bij een serieuze film direct aan denkt. Maar dit heeft hij zo verschrikkelijk goed gedaan. Heel sober en klein; met alleen piano, cello en hier en daar een flardje Mendelsohn. De film begint met zwartwit titeltjes en een heel ijl blokfluitje, dat een Pools volksliedje speelt. Later blijkt dat in de film een cruciale scène te zijn: het meisje wordt met dat fluitje de dood ingestuurd.' Lyrisch: 'Dat is muzikaal zo'n gouden vondst. Zo structuréér je, door middel van muziek. Je pakt het ultieme drama-moment en maakt vervolgens heel subtiele verwijzingen. Dan doet filmmuziek optimaal z'n werk.'

Jurre Haanstra kwam al heel jong in aanraking met muziek. Z'n moeder speelde fluit en piano. 'Ze draaide vaak klassieke muziek voor mij en mijn broer, omdat ze ons graag een culturele inprenting wilde geven.' Als jongen was-ie een dromer. Dat is hij eigenlijk nog steeds. 'Je kunt mij tot m'n middel in de stront zetten en ik zal nog verheven gedachten hebben.' Hij groeide op in 'een leuk, warm gezin'. Zijn ouders waren socialistisch, met een uitgesproken voorkeur voor het pacifisme. 'Mijn vader heeft in de oorlog als fotograaf de schietpartij op de Dam meegemaakt. Dat heeft hem enorm bepaald. Hij wilde absoluut geen geweld in zijn films. Hij werd gevraagd voor de regie van De overval, maar daar heeft-ie om die reden van afgezien.' Zijn vader was heel vaak weg. 'Maar als je hem nodig had, dan wás hij er. Hij kon je in een gesprek van tien minuten weer helemaal op het zadel zetten.'

Toch leefden ze in het decor van z'n vaders carrière, beaamt hij. 'Daar draaide thuis alles om. Mijn broer sliep boven de montagekamer. Via de verwarmingsbuis klonken de hele nacht alle geluiden door. Hij kent alle dialogen van alle speelfilms uit z'n hoofd. Mijn moeder deed onze opvoeding. Zij heeft ook echt een ruggegraatfunctie in zijn carrière gehad, met een heel goed gevoel voor kwaliteit. Tegen het einde van elke produktie had mijn vader altijd even een dip. Dan ging hij twijfelen, zag hij het niet meer zitten. En dan was mijn moeder degene die hem over de drempel hielp: "natúúrlijk is het goed".'

Het moet, zeg ik, wel moeilijk geweest zijn om op te groeien in de schaduw van zo'n grote boom.. 'Weet je dat dat heel erg meevalt?', antwoordt Haanstra giechelend. 'Ik heb het echt nooit als benauwend ervaren. Anders zou ik mij ook benauwd kunnen voelen omdat Mozart zo goed is geworden. Ik heb mijn vader nooit als concurrent gezien. Hij was geweldig goed, en dat stimuleerde juist.' Of z'n vader het succes goed kon relativeren? Haanstra denkt lang na. 'Nou, dat weet ik niet, hoor', zegt hij dan. 'Hij hing wel erg aan zijn status als Bekende Nederlander. Dat zag hij als beloning voor al dat harde werken. Ik heb dat veel minder dan hij, zie dat als minder ultiem. Ik heb niet zo'n drang om in de schijnwerpers te staan. Mijn vader genoot daarvan. Ik niet. Ik vind het prettig om applaus te krijgen, maar dat zet mij niet op een voetstuk.'

Ik zeg dat zijn broer en hij wel nadrukkelijk uit wat bescheidener, bijna timide hout gesneden lijken. Hij lacht verlegen. Ach ja, zijn vader heeft ook gewoon in een heel andere tijd geleefd.. 'Hij was een pionier, samen met Joris Ivens en Herman van der Horst. Door zijn markante visie is hij wereldwijd doorgebroken. Hij is mede-oprichter van de Filmacademie geweest. De tijden zijn nadien enorm veranderd. Nu bestormt iedere jaar een nieuwe horde filmers de markt. Nu ben je "één van de velen". Dat is een heel andere situatie.' Haanstra was wel degelijk trots op z'n zoons. Dat liet hij geregeld merken. 'Hij vond het geweldig dat ik muziek kon maken, dat datgene wat-ie zelf absoluut niet kon nu opeens uit z'n eigen kind kwam. En hij was heel trots op mijn broer. Hoewel montage zijn grote feature was, heeft m'n vader vaak gezegd dat hij Rimko een technisch betere editor vond. Waarschijnlijk klopt dat ook. Mijn vader heeft het allemaal vanuit zijn intuïtie ontwikkeld, zonder officiële scholing. Rimko heeft diezelfde intuïtie geërfd, met daarnaast alle mogelijke scholing. Als m'n vader zei: "hier moet de overgang" zei Rimko: "als ik nou nog even wacht pak ik dat ook nog even mee". Mijn vader vond dat prachtig. Dan zag je hem glimmen: "dat heeft die aap toch maar mooi gezien".'

'Ik vind dat ik heel veel op mijn vader lijk. Die discipline, de overgave aan je werk heb ik van hem. Alleen was bij hem zijn werk alles. En ik heb ook gezien hoe dramatisch het was toen hij dat later weer moest inleveren.' Haanstra kreeg de ziekte van Alzheimer. 'Ik vond het hartverscheurend om die sterke man in de mist te zien verdwijnen. Het ergste was dat hij het van zichzelf wist. Zijn eigen vader is dement geworden, en hij is altijd bang geweest dat het hem ook zou overkomen. Toen hij twintig jaar geleden een hartaanval kreeg was hij bijna verbaasd: oh, dan wordt dít 'm zeker. Die hartaanval kreeg hij tijdens een vertoning van Een pak slaag, een film over een dementerende man. Hij moet daar z'n vader in gezien hebben. Het was ook eigenlijk de eerste keer dat hij meemaakte dat de pers niet laaiend enthousiast was. Dat werd 'm allemaal teveel. Maar hij is helemaal over de hartaanval heen gekomen; gestopt met roken, andere levenswijze. Uiteindelijk werd het dus toch Alzheimer.'

'Op z'n heldere momenten doorzag hij zijn situatie en raakte hij volkomen in paniek. Ik werd dan gebeld door het verpleeghuis, en ging vervolgens met hem wandelen om hem te kalmeren. Het moeilijke voor hem was dat hij altijd a man in charge was geweest. Totaal niet gewend dat iemand tegen hem zei: "zo meneer Haanstra, nu gaan wij fijn een kopje koffie drinken". Dan werd hij gék. Hij was er buitengewoon ongelukkig onder. Toen hij overleed was dat eigenlijk ook een heel vredig moment. Hij hoefde niet meer, hij was er klaar voor.'

Haanstra's leven is niet echt veranderd door de dood van z'n vader, zegt hij. Er zijn andere ankers die hem op koers houden. Als jongen van negentien was hij overtuigd Maoïst. In interviews uit die tijd toont hij zich nog een vurig pleitbezorger van de linkse revolutie. "Ík ben revolutionair in hart en nieren en het is logisch dat ik met mijn muziek bepaalde ideeën wil overbrengen', zei hij destijds in de Tijd. 'De mensen moeten linkser gaan stemmen. En met het geld van mijn composities wil ik mijn verdere studie van Marx bekostigen. De rest van het geld gaat naar het Angola-comité of de vrijheidsbeweging in Mozambique" Haanstra lacht bijna vertederd wanneer ik hem daaraan herinner. Ach ja, hij is altijd zoekende geweest. Vandaar die hang naar Mao. Tegelijkertijd voelde hij zich jarenlang aangetrokken tot de bijbel. Die ging steevast iedere vakantie mee in de koffer. Maar hij wist niet goed wat hij nou precies met dat dikke boek aan moest. Totdat er zo'n tien jaar geleden aan de voordeur gebeld werd, en een Jehovah's Getuige hem haarfijn antwoord op al z'n vragen wist te geven. 'Dat is een enorme ommekeer geweest. Door de bijbel ben ik gaan inzien hoe het in elkaar zit.'

Sindsdien is Haanstra belijdend lid van Jehovah's Getuigen. Hij vindt het zichtbaar ongemakkelijk wanneer ik over het onderwerp begin. Hij is uiterst voorzichtig, bang voor eventuele negatieve gevolgen en reacties. 'De meeste mensen hebben een totaal verwrongen beeld van Jehovah's Getuigen. De Getuigen hebben de naam een fanatieke sekte te zijn. Daar doen de meest absurde spookverhalen over de ronde. Men gaat uitsluitend af op hearsay.' Ook zijn ouders waren aanvankelijk zeer bezorgd. 'Ze dachten dat hun zoon voorgoed verdween in een mysterieuze sekte. Nadat ik ze had uitgelegd dat daar geen sprake van was, waren ze weer gerustgesteld. Uiteindelijk is het contact met hun erdoor verdiept.'

Haanstra gaat uit overtuiging ook langs de deuren, meestal eens per week. 'Dat is een opdracht die in de bijbel staat. Maar het blijft eng en onwennig om bij wildvreemden aan te bellen. Zeker als je onbeschoft wordt bejegend.' De voet-tussen-de-deur-tactiek is allang verleden tijd, benadrukt hij. 'Je mag mensen niks opdringen.' Maar het contrast is wel erg scherp, zeg ik: de ene dag staat hij voor een symfonieorkest in Carré, de volgende dag gaat hij langs de deuren. Ach, zo'n tegenstelling is het niet, vindt Haanstra. 'Mijn werk doe ik met volledige overgave, en dat andere ook. In dat opzicht zijn er meer overeenkomsten dan verschillen.'

Maar als dirigent maakt u de dienst uit voor een orkest van tachtig man. Dan is het toch vreemd om de volgende dag weer nederig de deur in je gezicht dicht te laten smijten?

'Zo voel ik dat niet. Tuurlijk, als ik bij een orkest kom hebben zij ervoor gekozen om de regie aan mij over te dragen. Al die musici hebben noodgedwongen het initiatief uit handen gegeven. Ik ben zeg maar de baas. Dat is nou eenmaal zo afgesproken. Die tachtig mensen zitten daar om te doen wat jij zegt. Dat kan alleen maar als je die mensen stuk voor stuk goed laat functioneren. Dus je moet zorgen dat je goed voorbereid bent, en dat je ze niet overbelast. In feite is dat óók een dienende taak. Die spotligts zijn in dit opzicht eigenlijk misleidend.'

'Mensen denken altijd dat je bij de Getuigen in een soort waanwereld terechtkomt. Maar ik ben juist in een realiteitswereld terechtgekomen. Dat EO-toontje van: "ik heb de Héér gezien", compleet met tranen in de ogen en armen in de lucht, zul je bij Jehova's Getuigen niet aantreffen. Bij ons is het volledig op verstandelijke dingen, op bijbelstudie gebaseerd.' Ik vraag wat zijn mede-getuigen van zijn artistieke werk vinden. Dat weet-ie niet precies, antwoordt Haanstra. 'Ze volgen het zijdelings.' Maar ze zullen wel niet naar de bioscoop gaan, zeg ik. Hij reageert geërgerd. 'Waarom niet? Kijk, daar heb je weer zoiets. Er wordt altijd gezegd dat Jehova's Getuigen niks mogen. Onzin. Je mag alles wat je wilt. Alleen: als je een door de bijbel getraind geweten ontwikkelt zie je dingen door een andere bril. Alles is geoorloofd, maar niet alles is wenselijk. Maar we zijn niet van de zwarte kousen. Alles gebeurt op basis van vrijwilligheid.'

Hij vindt het ook geen enkel bezwaar om door z'n werk voortdurend in een niet-christelijk milieu te vertoeven. Laat staan dat hij de behoefte voelt om collega's te bekeren. 'Op die momenten ben ik gewoon aan het wérk. Voor alles is een tijd.' Z'n vak heeft er in elk geval wel een ander gewicht door gekregen. Het is niet meer het allerbelangrijkste in zijn bestaan. Dat betekent niet dat hij geen ambities meer heeft. Integendeel, hij wil nog 'van alles' maken. Nog meer partituren, nog meer soundtracks. Of het streven uiteindelijk zo'n herkenningsmelodie uit Turks fruit is? 'Ach', reageert Haanstra. 'Ik heb dat nu een beetje met Baantjer. Dat melodietje is bij heel veel mensen bekend. Zoiets is toch wel erg leuk. Tegelijkertijd staat het ver van je af. Je geeft het af, en daarmee is het van de mensen. Het bestaat buiten jou om. In feite is dat het hoogste dat je als componist kunt bereiken.'

© Coen Verbraak, 2001