GUUS HIDDINK
'IK HEB MIJN MACHT NOOIT MISBRUIKT'

3 mei 2003



De uitschakeling van PSV voor de beker heeft de fans er niet van weerhouden naar de training van hun favorieten te komen. Zeker honderdvijftig mensen hangen in de ochtendzon over de reclameborden langs het trainingsveld. Guus Hiddink beweegt nauwelijks; hij kijkt vrijwel roerloos toe –de handen op de rug- terwijl assistent-trainer Erwin Koeman de spelers een voor een aanspeelt. Maar af en toe schiet opeens z’n rechterarm priemend naar voren. ‘Kez, sneller inlopen, he. Hou het strak.’ Na de training dringen de fans zich aan Hiddink op. Ze willen allemaal een handtekening, en het liefst ook met de beroemde man op de foto. Iedereen komt aan de beurt, van de jonge meisjes met hun polaroid tot het jeugdvoetbalteam uit Denemarken. De gehandicapte medemens wordt natuurlijk evenmin vergeten. Weldra wordt de trainer omstuwd door een klein Lourdes. Hiddink ondergaat het vriendelijk gedwee, met een professionele glimlach. ‘Wat heb jij een mooie jás aan.’ Pas na een kwartier gebaart hij met een zwaaiende hand dat de sessie beëindigd is.

Hij is ‘redelijk tevreden’ over het afgelopen seizoen. Het moet raar lopen wil PSV geen landskampioen worden. Maar in de Champions League werd de ploeg voortijdig uitgeschakeld. ‘Ik denk dat we er gewoon nog niet klaar voor waren’, analyseert Hiddink. ‘We waren niet gis genoeg. Inmiddels gaat het beter, is de ploeg ook mentaal harder geworden. Maar we moeten onszelf niet voor de gek houden: Madrid, Manchester, Juventus… dát is de echte top in Europa. Die is voor een Nederlandse club niet haalbaar. Incidenteel wel –Ajax is heel ver gekomen- maar niet structureel. Je moet je dus richten op de subtop daaronder.’

Heeft Nederland een tweederangs competitie?
‘Een beetje wel. Ik weet van mijn tijd in Spanje dat de Nederlandse competitie niet erg hoog werd aangeslagen. Er was nauwelijks belangstelling voor. Al is de competitie wel wat pittiger geworden. In het verleden draaide het vooral om “positioneel verantwoord spelen”. Nu is er gelukkig ook vechtlust. Maar als je bijvoorbeeld Real Madrid ziet spelen: dat is zo’n prachtige stijl, zo’n mooie opvatting van voetbal. Ze zijn in staat om voetballend heel dicht in de verdediging te spelen. Zo intelligent, dat die verdediging volstrekt gebiologeerd raakt. Dat zie je in Nederland bij geen enkele ploeg.’

Guus Hiddink (56) heeft z’n draai weer gevonden in Nederland. Al kostte het na het glorieuze WK in Japan en Zuid-Korea wel moeite om ‘weer helemaal blanco’ te worden. Bovendien kwam hij terug in een land dat zo in de war was, dat Hiddink het amper herkende. ‘Je ziet Nederland als een rustig, gezellig landje. Ik schrok enorm van de verruwing en agressie op politiek en maatschappelijk vlak. Ik dacht: hoe is dit in godsnaam mogelijk? Wat is hier gebéurd?’ Kort daarna kreeg hij er zelf mee te maken: Hiddink ontving twee kogelbrieven. Even heeft hij serieus gedacht om z’n koffers te pakken. ‘Mijn dierbaren zeiden ook: “Guus, stop ermee, we gaan lekker naar Spanje”. Aan de andere kant wilde ik toch eerst de emotie laten zakken. Bovendien had ik mij wel aan deze club gecommitteerd. Toen de bedreigingen later uit één koker bleken te komen, dacht ik: het is goed dat ik niet ben geweken voor een losgeslagen gek.’ Maar het was een angstige periode, geeft hij toe. ‘Je wordt er toch een beetje paranoïde van. Als ik ergens liep en er kwam iemand achter mij lopen, dacht ik: oppassen. En als ik hier ’s avonds wegreed, maakte ik me zo klein mogelijk.’ Hij doet het voor, ineengedoken, de ogen net over de rand van een denkbeeldig stuur glurend. ‘Ik was af en toe echt bang.’

En dan te bedenken dat hij zes, zeven weken daarvoor nog de ongekroonde Koning van Korea was. “Kam Dong Nim” noemden ze hem, de Baas der Bazen. Hiddink leefde tijdens het WK in een roes, beseft hij nu. Het was ook voor hem iets ongelofelijks. ‘Ik wist natuurlijk dat die ploeg tot meer in staat was dan de voetbalwereld vermoedde. We zijn máánden bezig geweest. Ik had verwacht dat we de tweede ronde zouden halen. Maar op een halve finale had ik niet gerekend.’ Toen Hiddink eind 2000 door de Koreaanse voetbalbond werd aangetrokken, stond hij voor de lastige taak om cultureel bepaalde structuren binnen de selectie drastisch te doorbreken. Hij trof een spelersgroep aan die onder meer gedicteerd werd door senioriteit: oudere spelers hadden per definitie de meeste rechten. Voor een moderne coach een onhoudbaar principe. ‘Mijn opdracht was: afstoffen, opbouwen, presteren. Los van alle bestaande maatschappelijke normen. Ik creëerde dus een soort subcultuurtje. Het moeilijkste was om hun vertrouwen te winnen. Hier in het Westen moet je als trainer-coach voortdurend je autoriteit bewijzen. Dat vind ik prima. Wie lui gaat leunen op z’n titels en zeges, zal onherroepelijk indutten. Maar daar ben je per definitie een autoriteit. Er is automatisch respect voor je. In mijn ogen een verkeerd respect. Ik wil respect op basis van vakmanschap, niet omdat ik toevallig ben aangesteld om de baas spelen. Om te beginnen moest ik de “onderbazen”, de mensen tussen mij en de groep in, stuk voor stuk wegen: zijn ze nodig? En zijn ze als persoon wel nobel? Sommigen waren dat niet.’ Hij weet nog dat hij bezig was met de training. Op het veld ernaast trainde het Nationaal Elftal onder de zestien. Eén van de spelers gedroeg zich in de ogen van zijn trainer niet optimaal, waarna de coach z’n pupil een oplawaai verkocht. ‘Ik werd echt woedend en heb die man in het bijzijn van iedereen ogenblikkelijk weggestuurd. Wégwezen, in mijn organisatie wordt er zo niet met mensen omgesprongen. Dat was achteraf een precair moment. Je schudde die jongens finaal door elkaar. Maar ik heb nooit misbruik gemaakt van mijn macht. Zodra ze zagen: “hij beflikkert ons niet”, dan gíngen ze ook. Ik maakte ze soms heel bewust kwaad. Als ik bij partijtjes scheidrechter was, maakte ik vaak expres fouten. Daarna legde ik het spel stil. “En? Deed ik het goed?” En dan zág ik die ogen… Want ik ben het gezag, en ze mogen niet zeggen dat het gezag het verkeerd doet. Terwijl de sportprestatie dat wel van ze verlangt. “Voel je nu onrecht?” Ehm….’ Met stemverheffing: “Voel je onrecht, já of néé? “Eh… ja, trainer.” Goed zo, zei ik dan, onrecht moet je beantwoorden met nog meer energie. Daar reageerden ze perfect op.’

Het indrukwekkendste moment van het WK vond plaats vlak voor de wedstrijd tegen Italië. Hiddink weet het nog precies. Hij had al eerder tegen de Koreaanse president gezegd: ‘ontsla die jongens van hun dienstplicht’.‘ Dat zou hij doen, beloofde die. Vlak voor de wedstrijd tegen Italië sprak Hiddink de president weer, en herinnerde hem aan zijn belofte. ‘Is het nu definitief?’ Ja, het was definitief. Hiddink, plechtig: ‘Ik weet nog dat ik het aan de jongens vertelde: jullie hoeven niet drie jaar in dienst. Ze gaven aanvankelijk geen enkele reactie. Ik zag alleen die ogen… Vervolgens gingen ze bij elkaar staan, in een kring, terwijl ze elkaar vasthielden. Ik stond er van een afstandje naar te kijken. Kolere, wat was dat emotioneel. Je voélde het vuur. Het ging hun niet om die honderdduizend dollar als ze de volgende ronde zouden halen, of om die nieuwe Hyundai. Als je niet in dienst hoeft betekent dat je je carrière als prof kunt maken. Dat was iets geweldigs.’

In zijn geboorteplaats Varsseveld volgden ze zijn verrichtingen uiteraard op de voet. Af en toe zag hij op de Koreaanse televisie plotseling zijn vader voorbijkomen, zittend op een bankje in Varsseveld. En natuurlijk waren z’n ouders apetrots op hem. Al laten ze dat niet rechtstreeks merken. ‘Het is verhólen trots’, typeert Hiddink. ‘Ik kwam na de WK thuis. “Nou”, zei m’n vader, “het viel best mee, he, dat WK”. Jahoor, pa. ‘Ja, ’t ging bést wel. ’t Was heus niet slecht. Moe-je koffie?”.’ Hiddink grijnst breed. ‘Zo lopen die gesprekken dan. Wij zijn geen types van “dikke scheppen erbovenop”.’ Hij groeide op in een gezin met vijf broers. Z’n vader was hoofd van de openbare school. Een gelukkige jeugd, ‘in prachtige eenvoud’. Hij was een dromerig jongetje, gek van sport. Twintig was-ie, toen-ie naar het CIOS in Overveen ging. Hiddink werd leraar lichamelijke opvoeding, met zeer moeilijk lerende kinderen, ‘vaak met ernstige sociale problemen’. ‘Dat heb ik met geweldig veel plezier gedaan. Maar ik wist ook: dit wil ik niet tot m’n zestigste doen.’ Hij werd voetballer en later (assistent)trainer. Eerst bij De Graafschap, later bij PSV. Hij bouwde al snel de reputatie op van een coach die ook prima met “moeilijke vedetten” kan omgaan. Een voetballer als Romario at uit zijn hand. ‘Maar vergeet niet dat Kees Ploegsma en ik ‘m hadden gehaald uit Brazilië’, relativeert Hiddink. ‘Ik kwam niet als zijn tweede of derde trainer. Dan heb je een heel andere positie. Spelers als Romario, Miatovic of Raul zijn een soort roofdieren. Als je even een valse sterkte of een verkeerde zwakte toont, bijten ze. Mijn streven was altijd dat ik af en toe toch m’n rug kon toedraaien, zonder dat ik door de tijger gepakt werd. Natuurlijk moet je je positie bevechten. Je moet geen humbug verkopen en jezelf nooit oppompen. Romario had zwakke kanten: actief meeverdedigen vond-ie niet nodig. Daar wees ik ‘m dan op, maar ik zorgde er tegelijk voor dat ik er mensen omheen zette, die die zwakte compenseerden.’

Dus anderen moeten harder werken voor hem?
‘In zekere zin. Dat proces moet je heel goed begeleiden, door te zorgen dat die waterdragers extra waardering krijgen. Al moeten waterdragers beseffen dat er Romario’s nodig zijn om het verschil te maken. Dat spanningsveld is mooi, ook voor het publiek.’

Van Gaal zet vedettes met kapsones op de bank: “je moet in het belang van het team spelen”.
‘Maar “resultaat” ís in het belang van het team. Zeker als je ook nog attractief speelt. Er zitten grenzen aan. Ik heb Romario ook weleens niét laten spelen, om hem te prikkelen. Je zoekt als trainer altijd de grens: waar wordt het contraproductief, waar gaan de spelers onderling bakkeleien? Voor de top is die grens essentieel. En natuurlijk donder je er weleens overheen. Voel je dan vooral niet te groot om te zeggen: sorry jongens, dit zag ik even verkeerd.’ Grinnikend: ‘Al moet je dat niet elke week doen.’

U hebt als bondscoach twee keer een halve WK-finale meegemaakt (met Nederland en Zuid-Korea). Welke was de mooiste?
‘Ik vond Nederland-Brazilië in Marseille (1998) fantastisch. Kwalitatief was Nederland-Argentinië nog iets beter. Maar Brazilië is één van de allermooiste wedstrijden uit m’n loopbaan geweest.’ Nee, niet omdat-ie zelf Nederlander is, zegt Hiddink. Ook bij Korea leefde hij zich sterk in. ‘Maar Brazilië… verdorie, ik word nog altijd zuur dat we vlak voor het einde die penalty niet kregen, na die charge tegen Van Hooydonk.’ Hij ziet de beelden zo weer haarscherp voor zich, zegt Hiddink. Met dichtgeknepen ogen en getemperd volume doet hij vervolgens nauwgezet verslag vanachter z’n ogen. ‘Ik zie Van Hooydonk vallen, ik zie Patrick Kluivert een heerlijke kans krijgen, de voorzet van De Boer die Kluivert binnenkopt. En ik zie hoe we na rust verdomme staan te slapen, zodat Ronaldo de bal bij Van der Sar kan binnentikken.’ Met een diepe zucht: ‘Ik kan nog regelmatig denken: verdorie, hoe kan dat nou? Ik heb twee keer met penalties de halve finale gedaan. Met Korea schopten we ze er alle vijf in.’ Waarom het dan bij Nederland niet lukte? Hij haalt z’n schouders op. ‘Dat is niet te beredeneren. Ronald (de Boer) faalt, Philip (Cocu) faalt… jongens die normaal nooit falen. Op het EK ’96 was het ook al gebeurd. En later in 2000 wéér! Het zijn psychologische processen. Je probeert op de training de werkelijkheid te benaderen. Maar de situatie dat je in een kolkend stadion helemaal alleen naar die stip moet lopen, die is nooit na te bootsen. Met de Koreanen heb ik het een dag voor Spanje geprobeerd. Ik liet ze aan één kant van het veld een partijtje spelen. Telkens pikte ik er eentje uit die ik helemaal naar de overkant liet wandelen om een penalty te nemen. Zeventig, tachtig meter lopen. Daarmee imiteer je een beetje die eenzame wandeling, waarbij er zoveel door je kop kan schieten.’

Hij vond het bondscoachschap ‘heerlijk om te doen’. ‘Omdat je met de beste spelers van een land kunt werken. Dat dacht ik vroeger als jongen al: goh, als je toch ooit de beste spelers van het land bij elkaar kon zetten… dan krijg je in principe het mooiste voetbal wat er bestaat. Bij een club is het anders; daar heb je altijd te maken met budgetten en concurrentie. Met Zuid-Korea had ik bovendien het gemak dat de competitie voor mij werd stilgelegd. Ik kon een nationaal team samenstellen en er vervolgens als clubteam mee werken.’

Zou u nog een keer bondscoach van het Nederlands Elftal willen worden?
‘Ik denk het wel, ja. Ik vind het echt heerlijk om met sterspelers te werken. Het is een vak apart. Ook omdat je van zoveel kanten beïnvloed wordt. Neem zo’n akkevietje met Davids en Van Bommel; iedereen bemoeit zich ermee. Daar moet je boven kunnen staan.’

Waarom liep het niet onder Louis van Gaal?
Aarzelend: ‘Ik praat daar eerlijk gezegd niet graag over. Ik heb geen behoefte om me over een collega uit te laten. Dat het niet lekker liep, hebben we allemaal kunnen zien. Ik ben het in elk geval niet eens met het verhaal van sommigen dat deze multimiljonairs niet meer vooruit te branden zijn. Als miljonairs niet willen, dan komen ze heus niet. Je laat je niet selecteren om ‘ns lekker af te gaan. Die hele kwalificatie is gewoon niet goed gelopen. Er zijn cruciale wedstrijden misgegaan: Ierland thuis, en Ierland uit natuurlijk. In die laatste wedstrijd tegen Ierland forceerde men zo, dat zelfs Jaap Stam in de spits ging lopen. Daar stond vijf, zes man. Maar dan moet de bal er nog wel komen. Letterlijk paniekvoetbal.’

Heeft Advocaat een beter contact met de selectie?
‘Dat kan ik niet beoordelen. Iedereen heeft z’n eigen methode. Ik had altijd als strategie: eerst de club eraf wassen.. Als je ze binnenkrijgt, komen ze altijd uit zware competities. Zo’n eerste dag bij elkaar wil iedereen z’n bevindingen kwijt. Dan moet je dus ook niet direct gaan trainen. Je probeert vooral een goed sfeertje te kweken. We gingen soms naar Scheveningen; beetje wandelen, daarna lekker Indonesisch eten met een flesje wijn erbij. Pas daarna ga je tactisch werken.’

Ziet u Oranje nog een groot toernooi winnen?
‘Ik verwacht het eigenlijk niet. We hebben in ’88 wel een EK gewonnen, maar nooit een WK. Terwijl we bijvoorbeeld in 1990 in Italië een heel sterke selectie hadden. Als de huidige generatie nog een extra stapje zet, denk ik wel dat we in Portugal een goed figuur kunnen slaan. Nederland heeft ook wel wat goed te maken. Het aanzien van Oranje in de wereld was vorig jaar sterk gedaald. Hoe vaak ik niet op het WK ben aangesproken: “hoe is dit in Godsnaam mogelijk?’. Ja, ik snap het óók niet, zei ik dan. Vooral omdat de selectie nauwelijks verschilde van de jaren daarvoor.’

Maakt u zich zorgen over de huidige financiële malaise in het voetbal?
‘Niet echt. We gaan na alle excessieve dingen weer terug naar de normaliteit. Je kunt spelers of trainers niet verwijten dat ze te veel hebben verdiend, maar het blijft natuurlijk vreemd dat een gemiddelde voetballer meer verdient dan de minister-president. Ik heb als trainer best een verantwoordelijke functie. Toch zie ik heel goed dat een arts of een rechter heel wat verantwoordelijker werk doet. Daarmee vergeleken is het idioot goed betaald. Het voordeel van de huidige ontwikkeling is dat de valse luxe er af gaat. Daar ben ik zelf ook mee bezig. Ik kreeg vorige week een jeugdspeler aangeboden. Hij wilde komen, maar hij kon ook daar- en daarheen. Hij wilde een miljoen per jaar hebben. Ik zei: ga het halen waar je het krijgen kunt, maar niet hier. Vroeger zou je gezegd hebben: toch maar doen. Zeker bij PSV. Laten we eerlijk zijn: PSV trok voorheen toch snel de portefeuille. Dat is niet meer aan de orde.’

U maakt altijd de indruk dat u voetbal niet echt op leven en dood beoefent.
Onverwacht fanatiek: ‘Nou, op het moment dat we bezig zijn, is het wel degelijk op leven en dood. Tijdens een wedstrijd relativeer ik geen seconde. Anders kun je wel inpakken. Maar daarbuiten kan ik het vrij aardig relativeren. Hoe erg is de uitschakeling voor de beker tegen de achtergrond van een wereld die in brand staat? Ik zeg altijd: voetbal is de belangrijkste bijzaak van het leven.’

© Coen Verbraak, 2003