Bij de voordeur sta ik plotseling middenin het decor van zijn CAMU-column van vorige week. “Freek de Jonge is halverwege zijn oudejaarsconference, wanneer er aan de deur wordt gebeld. [..] Ik roep tegen de visite dat Freek de Jonge op de stoep staat. De Jonge trekt een koud gezicht en doet alvast een stap achteruit. “Kom maar gauw binnen dan, maar wees alsjeblieft stil want ik kan absoluut niet tegen mensen die erdoorheen kakelen”.’ Het bezoek veroorzaakt zoveel consternatie dat de televisie-Freek in het tumult tenonder gaat en MU uiteindelijk kordaat moet ingrijpen.”Dat toestel gaat uit en Freek speelt de show persoonlijk naar het einde. Ga maar voor die kast staan”.’ Echt gebeurd, erkent Mulder een tikje ongemakkelijk, wanneer hij mij voorgaat naar de grote, lichte huiskamer van zijn huis in Bussum. ‘Maar misschien mag ik dat niet vertellen.’ Want het moet wel fictie blijven; iemand als Freek de Jonge zwérft op Oudejaarsavond tijdens zijn eigen conference niet door Bussum. Behalve dan door Bussum natuurlijk. Ze hebben in elk geval een onvergetelijke avond gehad. ‘Ik vond Freek magistraal. Beter dan ooit. Hij lijkt Mick Jagger wel.’
Youp van ’t Hek heeft-ie gemist. Maar die show had hij al in het theater gezien. Jan Mulder is één van de zeer weinigen die in de vriendenkring van beide cabaretiers figureert. Aangezien De Jonge en Van ’t Hek elkaar niet kunnen luchten is dat soms lastig manoeuvreren. ‘Op mijn verjaardag kan er altijd eentje toevallig niet.’ Van ’t Hek kent hij nog van vroeger. ‘Hij woonde in Bussum en was een handtekeningenjager van Ajax-sterren. M’n vrouw vond hem wel een leuk ventje. Ze vroeg: “pas jij weleens op, jongen?” Jawel, mevrouw. Toen heeft-ie een tijd op Youri en Geret gepast.’
Youp van ’t Hek en Freek de Jonge; het verschil tussen een kunstenmaker en een kunstenaar.
‘Ehh… ze zijn onvergelijkbaar, dus vergelijk ik ze niet.’ Grinnikend: ‘God, zo ben ik net een politicus. Maar goed, wat is een kunstenaar? Ik vind Freek in elk geval beter dan Sonneveld en Kan sámen.’
Hij kan zonder twijfel aanspraak maken op de titel “meest publieke man van het jaar”. Met z’n column in de Volkskrant en z’n dagelijkse tv-optreden bij Barend en Van Dorp vereist het uiterst behendig blader- en zapwerk om Jan Mulder (56) ergens niet tegen te komen. ‘Ik heb álles gegeven’, zegt de publieke man zelf. ‘Ik ben een voorbeeld voor de mensheid.’ En dan is-ie ook nog ‘ns getipt als mogelijke bondscoach van het Nederlands Elftal. Door z’n eigen zoon weliswaar, maar die heeft er wel verstand van. ‘Die jongen heeft volkomen gelijk. Als ze me vragen, zal ik de Kroon met liefde dienen, meneer.’
Jan Mulder –donkerrood corduroy jasje, zwarte broek, gymschoenen- zit onderuitgezakt in de fauteuil, ogenschijnlijk het toonbeeld van ontspannenheid. Hij beweegt eigenlijk alleen wanneer hij zich naar het tafeltje naast hem uitstrekt om weer een nieuwe Marlboro Light op te steken. (Hij beweegt véél.) Zijn vrouw Johanna serveert koffie. Al zo’n veertig jaar zijn ze samen. En nog altijd is hij even ongeëmancipeerd. ‘Ik zou haar wát graag om drie uur ’s nachts het land opjagen om aardappels te rooien. Maar ze hebben tegenwoordig rechten, hè.’
Hij mag dan de naam hebben een vrouwenman te zijn, ‘Johanna is nog steeds m’n grote liefde’. Dat is iets anders dan seksuele trouw, zegt hij. ‘Sex is een luxe verschijnsel; een mooie auto, waar je ook weleens in wil rijden. Maar laten we het niet overdrijven. Het aantal vrouwen waarmee ik in mijn leven naar bed ben geweest is op de vingers van een hand te tellen.’
Mulder mag dan geen prater zijn, hij is een uiterst amusant vertéller. In zijn stem zit nog volop Winschoten. De lijzige Groningse dictie, in combinatie met Reviaanse ironie -‘u is een wijs mens, meneer’- geven zijn woorden dikwijls iets onweerstaanbaar komisch. En dan is er regelmatig nog die raspende lach, waarvan de uithalen piepen en gieren als een oude boerenwagen. Door de winterstop van Barend & Van Dorp heeft hij nu even vrij. Maar het is ‘vakantie met de handrem op’. Mulder was liever doorgegaan. ‘De loop zat net lekker in de winkel. Maar Henk vindt dat de mensen af en toe weer echt nieuwsgierig naar je moeten worden. Daar zit ook wat in. Toch merk ik dat ik het mis. Ik vind het heerlijk om ’s avonds niet te hoeven kiezen wat ik moet doen.’ Z’n avonden verlopen doorgaans volgens een vast stramien. Om zes uur schrijft hij zijn Volkskrant-column (om de dag), om zeven uur gaat hij eten. Daarna een kort hazenslaapje om vervolgens rond negen uur in zijn donkerblauwe Jaguar –gekregen van Youri- naar de RTL-studio te rijden. ‘Late-night-showtje-spelen is het heerlijkste dat er is. Dat teamverband is zo geweldig. Als voetballer vond ik het ook altijd fantastisch om naar de training te gaan: de kleedkamer, die jongens, dat getetter…. daar hield ik ontzettend van. Dat gevoel heb ik nu weer terug.’
Is het formuleren van een mening achter een tekstverwerker wezenlijk anders dan voor een camera?
‘Ja. Voor een camera moet je me zien. Je kunt “ja” zeggen en toch “nee” bedoelen. Op schrift is dat moeilijker. Maar schrijven is zo oneindig veel mooier.’
Is die mening op papier dan ook meer waard?
‘Nee, deerniswekkend genoeg niet. Televisie is amusement, maar wordt wel serieuzer genomen. Ik heb met die column nog nooit ook maar enig gevoel van “invloed hebben” gehad. Het zijn maar columns, hè. Maar als een of andere onbenul een stuk op de opiniepagina schrijft komen er tientallen brieven binnen. Zelfs Jan Blokker wordt gezien als “grappig stukje”. Terwijl juist dáár de waarheid van de Volkskrant staat.’
Marcel van Dam heeft ooit gezegd dat je in een column soms automatisch méér vindt dan je eigenlijk víndt.
‘Nee, dat heb ik niet. Ik schrijf die stukjes ook niet om mijn mening, maar omdat ik een leuk stukje wil maken. Ik heb het soms wel op de tv, omdat je daar wordt geconfronteerd met een tegenstander. Dan ga je in het heetst van de strijd soms te ver.’ Voorbeelden heeft-ie niet zo gauw paraat. ‘Maar het leuke van televisie is dat je je erop kunt trainen om je beter te concentreren en razendsnel te combineren. Als ik een column tik, denk ik in een veel trager tempo.’
Hij kijkt de uitzendingen zelden terug. Dat kan hij niet opbrengen, zegt Mulder, met getergde blik. ‘Och … dat hóófd! Da’s toch geen gezicht. In de eerste plaats tien kilo afvallen. Dan wordt het misschien een beetje draaglijk. En dan die houterige manier van doen, zinnen niet afmaken… vreselijk. Maar het is een heel tere kwestie, omdat je jezelf ook niet moet willen veranderen. Het is zoals het is.’ Op zichzelf heeft hij ook geen makkelijke rol, beaamt hij. Mulder zit er niet als derde interviewer. ‘Maar je moet mij ook niet zien als de ontregelaar. Dat is te licht. Normaal zou je natuurlijk nooit drie van die types bij elkaar zetten. “Nee dank u, doet u mij er maar één.” En toch heeft die combinatie iets. Frits is er voor de adrenaline, Henk houdt de tijd en de toon in de gaten en ik schaats er tussendoor.’
De formule is uiterst succesvol. Niemand heeft het nog over Witteman.
‘Nou ja, dat komt omdat wij een nieuw soort ge-talk hebben ontwikkeld. Directer, ontdaan van oude tradities en nette pakken. Daar kom je vaak verder mee. Ik ben meer in staat om iemand zichzelf te laten zijn dan een meneer van Nova. Ik ben geen journalist, ik ben normáál. Ik heb geen belangen, hoef geen rekening te houden met of ik iemand de volgende keer weer nodig heb. Ik kan directer iets tegen Ruud Gullit zeggen dan Frits en Henk. Zij hebben al een heel leven met hem achter de rug, ik sta er iets frisser tegenover. Door het imago van het programma willen mensen ook extra hun best doen. Anders en leuker zijn dan in Nova of Buitenhof.’
Het valt wel op dat jouw rol ook steeds meer een nummer begint te worden. Het wordt voorspelbaar. Je ziet sommige gasten denken: “ach, het is Jan Mulder maar”.
‘Onzin. Dat ligt meer aan jou dan aan mij. Dat is hetzelfde als met die column in de krant. Als ik iets beweer over politiek zeggen ze: ach, het staat maar in CAMU.’
Maar je rol als onberekenbare factor wordt daardoor steeds minder waard.
‘Welnee. Ik ga er met argumenten in. Niet om de boel op te laten leven, maar omdat ik denk: dit is fout.’ Duidelijk geërgerd: ‘Kan ik het helpen als je er elke avond naar kijkt… Da’s niet mijn schuld. Nee, daar trek ik mij niets van aan.’
Ik vraag mij bijvoorbeeld vaak af hoe oprecht je woede is.
‘Mwah… Die woede is zeker oprecht.. Maar die duurt natuurlijk geen eeuwen. Als Frits of Henk naar mij uitvallen voel ik niet twee maanden lang wrok.’
Volgens mij zet je ‘m voor de camera expres even lekker op.
‘Nee, nee, néé. Dat is een totaal verkeerde conclusie. Nee, ik erger me dan echt dood. Dacht je nou werkelijk dat ik daar een beetje een programmaatje zit te maken?’
Maar je ziet het in een discussie met Frans Weissglas. Jij roept dat Kok, Blair en Bush in Den Haag voor een tribunaal zouden moeten verschijnen. Weissglas zegt: Jan, doe even gewoon. Hij gaat er niet eens meer op in.
‘Omdat-ie geen argumenten heeft. Dat was juist het bewijs van de juistheid van mijn interventie.’
Gewoon een oude columnistentruc: je mening doortrekken tot in het overdrevene.
‘Absoluut niet. Niet met dat soort onderwerpen. Oorlogsmisdaden zijn oorlogsmisdaden, of ze nu door jou of door mij worden gepleegd.’
Je loopt het gevaar de clown van het programma te worden.
‘De clown van het programma? Ik ben de ziel van het programma! Iedereen kijkt er toevallig wel naar. Je kunt geen krant opslaan of mijn mening-die-er-niet-toe-doet wordt behandeld.’ Lachend: ‘Dus dat neem ik met een korreltje zout. Ik ga er vanuit dat ik het echt beter weet dan al die kleine kritikasters.’
Hoe vind je het dat bijvoorbeeld Nederland 2 krampachtig probeert een pendant voor jullie programma te vinden?
‘Genant. Ik zag dat Studio 2 laatst… nou, het háált het niet bij Barend & Van Dorp. Wees nou ‘ns sportief; erken gewoon dat Barend & Van Dorp dé late nightshow is. Ga niet zelf prutsen, zend een natuurfilm uit over krokodillen die gered moeten worden.’
Eind vorig jaar verscheen De vrouw als karretje, een kloeke bundeling van Mulders proza; verhalen, columns, toespraken en dagboekfragmenten. Hij lacht daverend wanneer ik vraag of De vrouw als karretje een kroon op z’n werk is. Nee, dit is absoluut geen mijlpaal, vindt hij. ‘Het is juist een dodelijk bewijs dat ik ‘ns iets moet schrijven waar ik werkelijk tróts op kan zijn. Iets van langere adem.’ Hij is daar ook al jaren mee bezig: Chez Stans, de roman die zich afspeelt in zijn lievelingsrestaurant in Brussel, staat zelfs voor dit voorjaar aangekondigd in de aanbieding van De Bezige Bij. Ze zijn het alleen vergeten aan Mulder te vertellen. Want Chez Stans komt voorlopig niet van de grond. ‘Het lukt me steeds niet, het strandt voortdurend in herinneringen. Ik ben geen schrijver, maar een beschrijver. Een echte schrijver schrijft een roman. Niet zomaar een roman, maar één waar de wereld steil van achterover slaat. Waarbij je van verbijstering naar je hoofd grijpt, met op de laatste bladzijde ook nog een kláp waar de tranen je van in de ogen springen. Zo’n boek heb ik in gedachten. Maar ja, dan moet je er wel vierentwintig uur per dag aan werken. Niet ’s avonds nog even naar Ad Melkert of imam Haselhoeff hoeven.’
Dat echte literaire erkenning tot dusver achterwege is gebleven noemt Mulder ‘terecht’. ‘In vergelijking met Reve of Thomas Mann ben ik natuurlijk nergens. In dat opzicht ben ik volstrekt ambitieloos.’ En dat Elsbeth Etty schreef dat Campert en Mulder zich verhouden als een geslepen diamant tot een spruitje raakt hem evenmin. Zégt hij. ‘Ik bewonder Remco ook heel erg. Die kritiek van Etty had betrekking op ons boekenweekgeschenk Familie-album. Remco schreef een schitterend stuk over zijn vader, ik maakte een verhaal over mijn zonen. En ja… ik heb een heel gelukkige band met mijn zonen. Heláás. Ik had ook liever gehad dat ik ze al twintig jaar niet gezien had. Het is niet anders. Ik zit maar opgezadeld met die proza-bedervers.’ Of hij zich de kritiek aantrok? Met uitgestreken smoelwerk: ‘Dat hééft men zich aan te trekken, om vervolgens rustig op een stoel te gaan zitten en het te accepteren. Ik bén een spruit, meneer. En spruiten kennen hun plaats.’
In één van de verhalen uit De vrouw als karretje beschrijft Mulder de euforie van het moment waarop hij hoort dat zijn zoon is geselecteerd voor het Nederlands Elftal: “Ik ben nog nooit in mijn leven zo blij om iets geweest”. Dat was absoluut niet overdreven, bezweert hij. ‘Ik vond het echt een godswonder. Dat ligt een beetje aan mijzelf. Ik heb het altijd het hoogste gevonden dat in mijn leven zou kunnen gebeuren: in de rij staan naast Henk Groot en Piet Keizer, en naar het Wilhelmus luisteren. Puur Kick Wilstra. En opeens belde Johanna: “Jan, Youri is geslecteerd”. Ik vond het een mededeling van Mars. Opeens zie je je eigen jongetje in zo’n stadion in die rij staan. Een angstaanjagende ervaring. Ik heb Cruyff het Feyenoordstadion zien betreden, totaal ontoerekeningsvatbaar, omdat Jordi die avond in het Nederlands Elftal debuteerde. Ik vroeg: waar is Danny? Ja, die kon de spanning niet aan, die zat thuis. Als een zombie liep hij door de sponsorruimte. Ik riep nog: die kant op, Johan, de deur is dáár. Hij klampte zich aan mij vast: “ach, loop even met me mee”. Dronken van geluk en van de spanning.’
Dat vindt hij soms wel raar: De enige voetballende Mulder heet Youri. De voetballer Jan Mulder is allang een omgekrulde foto geworden. Goed, als-ie door de Leidsestraat loopt merkt-ie dat-ie nog steeds aanbeden wordt door vrouwen. Maar wel vrouwen tussen de zestig en de tachtig. ‘Die hebben mij nog zien spelen, die hebben verstand van voetbal. De rest van de bevolking ziet mij als dat tv-mannetje. Dat is voor mijn gevoel echt twee echalons minder.’
Het liefst was je natuurlijk Cruyff geweest.
Verbaasd: ‘Oh nee, totaal niet. Ik vind Cruyff wel de beste voetballer die ik ooit gezien heb. Maar ik heb ook intens van mezelf genoten; van mijn kracht, mijn talent en mijn liefde. Daarin kan Cruyff mij nooit overtroffen hebben. Ik ben heel realistisch. Vergelijk mij nou eens met Arie Haan. Die heeft een zoveel grotere carrière dan ik. Een palmares om “u” tegen te zeggen. Maar ik kon echt beter voetballen. Daar gaat het uiteindelijk om. Je kunt niet alles in rendement uitdrukken.’
Maar wie heeft het dan beter gedaan: Haan of jij?
‘Ik natuurlijk. Ik ben in de running, hij is trainer bij een tweederangs Grieks clubje. Maar evengoed bewonder ik hem om zijn carrière. Als je in Spanje vraagt: “wie is Arie Haan?” weet iedereen het. Als je naar Jan Mulder vraagt, zeggen ze heus niet: “is dat niet die dwarsligger van Barend & Van Dorp?”.Uiteindelijk gaat het om talent. Ik kon er op het schoolplein al van genieten dat ik handig was met een bal. Mijn talent is ook behoorlijk erkend. Dan kun je nog wel meer erkenning willen, maar ik heb wel in de top gespeeld.’
Hij heeft er een hekel aan als mensen zeggen dat hij zijn voetbalmilieu ontstegen is. ‘Dat vind ik zelfs dubieus. Het is namelijk zo dubbel. Ik zou zo trainer van Arsenal willen worden. Ik zie heus dat dat zijn beperkingen heeft. Maar iemand als ik heeft eerder een psychiater nodig dan Arie Haan of Johan Cruyff. Die zijn in hun milieu gebleven. Voor mijn gemoedsrust was het ’t beste geweest als ik altijd in Winschoten was gebleven. Trouwen met je buurmeisje en later als oude grijsaard op een bankje op de Brink zitten. Maar ik moest voor dat voetballen Winschoten uit, eerst naar Anderlecht, later naar Amsterdam.’ Hij was een bedeesd ventje, verlegen ook met meisjes. ‘Helemaal geen vlotte publieksman. Maar dat voetbal was verbonden met spelen voor publiek. Zo overwin je je schroom.’ In het begin van zijn voetbalcarrière kon hij zich nog ergeren aan medespelers van Anderlecht die zich na de wedstrijd uitdrukkelijk presenteerden aan de pers. ‘Egotripperij vond ik dat. Aanstellers.’ Mulder ging liever meteen douchen. ‘Ik was daar te kleinburgerlijk in. Ik was goedbeschouwd gewoon een beetje saai. Maar langzaamaan begin je je te ontwikkelen. Ik heb uit al mijn talenten –voetbal, schrijven, delibereren voor de televisie- het maximale weten te peuren. Ik ben in alles eigenlijk net niet goed genoeg, maar ik heb mij altijd virtuoos uit de situatie gered. Eigenlijk is het ongelofelijk knap wat ik gepresteerd heb. Ik heb mij reusachtig ontwikkeld. En ik ben toch niet helemáál een karikatuur geworden.’
De vrouw als karretje verscheen bij De Bezige Bij
© Coen Verbraak, 2002
|