ANDRIES KNEVEL
'IK BEN NOOIT EEN REBEL GEWEEST'

5 juli 2002



Wanneer hij aan het begin van het eerste gesprek zijn colbertje uittrekt en over de stoel wil hangen, verstijft Andries Knevel plotseling. Is het interview nu al begonnen? Want als ik straks nou ga opschrijven dat hij zijn jasje uittrekt… Dat is het ingewikkelde van zijn dubbelfunctie, zegt hij. De programmamaker Knevel kan zoiets best doen. Maar hij is ook nog ‘ns programmadirecteur. En dat brengt nou eenmaal extra verantwoordelijkheden met zich mee. Die twee petten zullen hem gedurende onze ontmoetingen regelmatig parten spelen. Op zulke momenten blaast hij zwijgend de rook van zijn Meharis-sigaar naar de nok van zijn werkkamer in het EO-gebouw. Want hij wil ‘geen mensen kwetsen’. Maar het grootste deel van de tijd toont hij zich een hartelijk en praatgraag gastheer. Waar voorheen Feike ter Velde (type bril-snor-trui) het apostolische gezicht van de EO vertegenwoordigde, lijkt Andries Knevel (50) vooral de wereldse kant te belichamen; gecoiffeerd, goed in het pak (natuurlijk wel jammer van dat uitgetrokken colbert), rap van de tongriem gesneden. Hij zegt ook geen éo -zoals zijn voorgangers- maar eó. En van “gristenen” rept hij al helemaal niet. ‘Daar is zo ontzettend vaak de spot mee gedreven.’

Met tachtig uitzendingen per jaar –veertig keer Het Elfde Uuren even zo vaak Knevel op Zaterdag- is Andries Knevel een bekend televisiegezicht geworden. En niet alleen bij zijn eigen achterban. Uit onderzoek blijkt dat tachtig procent van de kijkers van Het Elfde Uur geen EO-lid is. Toen Sonja Barend tijdens het VARA-jubileum nog één keer Sonja op Zaterdag presenteerde, met als onderwerp “talkshowpresentatoren”, zat ook Knevel aan tafel. Dat zou vroeger ondenkbaar zijn geweest, beseft hij. ‘In die zin was het een vorm van erkenning: we zijn niet helemaal achterlijk.’ En zo kijkt-ie ook maar aan tegen de scherpe televisiekritieken die de laatste tijd over zijn programma’s verschenen in de Volkskrant en NRC-Handelsblad. ‘Ik ben er buitengewoon content over dat recensenten het programma blijkbaar serieus nemen. Zelfs Henk van der Meyden besprak mij periodiek.’

Maar bent u er ook content over dat ze u een ijdeltuit vinden die soms nogal “lege gesprekken” voert?
‘Nou ja, ik denk dan: dit is een spiegel die mij wordt voorgehouden. Daar kan ik van leren. Ik ben niet van Tefal, maar ik probeer het positieve eruit te halen.’ Hij is nou eenmaal sterk geprofileerd, zowel fysiek als inhoudelijk, dat weet Knevel zelf ook wel. ‘Dat komt omdat je van de EO bent. Dat gevoel leeft nog altijd heel sterk: ja, hij zégt dat wel, maar eigenlijk zegt-ie iets anders.’

‘Zal ik je haar ook knippen?’, vraagt de dame van de schmink, terwijl ze Knevels grijze lokken aan beide kanten van zijn hoofd tot kleine vlechtjes trekt. Nou, nu maar even niet, besluit de presentator. Over een uur al begint de opname van Het Elfde Uur. Het programma is niet live, omwille van het aanwezige publiek. ‘Ik wil die mensen niet om half elf nog ‘ns weg laten gaan.’ Vanavond zullen er zeventig mensen rondom de presentatietafel zitten. En z’n vroegere producer is er toevallig ook, stelt Knevel verheugd vast. Die strikte altijd z’n stropdassen. Inmiddels lukt dat hem zelf. ‘Maar alleen met dunne dassen.’ Vandaag zijn VVD-kamerlid Henk Kamp en schrijfster Dido Michielsen te gast. Voor het derde gesprek –vaak op christelijke leest geschoeid- zal psycholoog Ineke van Dok-Mak aanschuiven. Zo’n laatste gesprek is voor hem niet belangrijker dan de andere twee. ‘Ik wil vooral laten zien dat christenen geen onnozele halzen zijn. Dat was een uitgangspunt toen ik er tien jaar geleden mee begon: laten zien dat er christenen zijn die vanuit hun overtuiging heel goede dingen zeggen en doen.’

Als een volleerd spreekstalmeester instrueert de presentator het publiek, dat na de camerarepetitie aarzelend in het spiegeldecor heeft plaatsgenomen. ‘Wat wij gaan doen, dames en heren, is een pittig applaus oefenen’, zegt Knevel, terwijl hij met geheven armen voor de aanwezigen gaat staan. ‘Dus wilt u nu een enthousiast applaus geven. Kort, vanuit het middenrif graag.’ Prompt klatert een applausje op, dun als een voorjaarsregen. Knevel schudt het hoofd. Ja, zo kan het natuurlijk niet. Kom óp zeg. Komen ze een keer op tv, gaan ze zo bedeesd zitten doen. ‘En nu echt, he. Já.’ Prrima! Zó kent-ie ze weer. Nog precies binnen acht seconden ook. ‘Let u straks op die meneer’, zegt de gastheer. ‘Hij lijkt een fan van het programma, omdat-ie zo hard klapt. Maar het is de floormanager.’ De opname verloopt voorspoedig. ‘He, dat ging weer veel te snel’, stelt Knevel vast, wanneer negendertig minuten later de lichten doven. Nog even op de foto met een paar fans, en dan rap naar de afschminkruimte. ‘Het viel best mee, he?’, zegt hij tegen psycholoog Ineke van Dok-Mak. Ja, dat vond zij ook. ‘Mijn dochter zei nog: “ga je naar de man met het vingertje? Niet doen! Die laat je nooit uitpraten”.’

Met tachtig uitzendingen per jaar is het EO-gezicht erg “Knevelig” geworden, dat ziet hij zelf ook wel. De situatie is uit nood geboren. ‘Een paar jaar geleden hadden we meerdere tv-persoonlijkheden bij de EO: Feike ter Velde, Henk Binnendijk. Dirk-Jan Bijker kwam op. Feike en Henk zijn met pensioen gegaan, Dirk-Jan is helaas gestorven. Dat betekent dat we op dit moment aan gezichtsbepalende presentatoren er eigenlijk maar één hebben. De vraag van het bestuur is bijna iedere maand: “En wat nou als Andries tegen een boom rijdt? Hoe zitten we dan?” En dan zegt de directie: “dan zitten we niet”. Er zijn er gelukkig wel een paar in opkomst: Tijs van den Brink, Mark Dik. We hebben al jaren personality-plannen liggen. Maar personalities maak je niet, die groeien. Vroeger paste dat niet in de EO-cultuur. Dat was mannetjesmakerij, ijdelheid, en daar dééd je niet aan. Die fase zijn we allang voorbij. Gepaste ijdelheid mág.’

Het is wel eigenaardig: een programmadirecteur die ook programmamaker is. Wie spreekt de programmamáker Knevel dan nog tegen?
‘Die cultuur hebben wij hier. In het najaar was men niet zo tevreden over mijn rol in Knevel op Zaterdag. Mijn hoofdredacteur zei gewoon: “dat doe je niet goed”. Terwijl ik in feite ook z’n baas ben. Ik kan dat onderscheid heel goed maken.’

In de praktijk werkt dat natuurlijk nooit.
‘In mentaal opzicht misschien. Dat mensen denken: ja, maar hij is wel de directeur… Ik hoop in mijn uitstraling duidelijk te maken dat ik altijd open sta voor kritiek.’

Andries Knevel begon zijn loopbaan in 1978 bij Tijdsein radio. Hij werd al snel gestationneerd in Den Haag. De berichtgeving van Tijdsein radio was in die dagen sterk gekleurd, erkent hij. ‘We waren echt ontzettend fel tegen het kabinet-Den Uyl geweest. Jammer dat ik er toen nog niet bij was. Het was nog volop de tijd van polarisatie, waarin de EO een aantal verklaarde vijanden had. We waren tegen het communisme, tegen de Wereldraad van Kerken. De EO voerde een soort “loopgravenoorlog”. Daarin was Tijdsein zeer herkenbaar.’ Hij schreef in de Binnenhof-studio toen nog heuse commentaren, op dezelfde schrijfmachine waarop Paul Witteman zijn VARA-teksten maakte. Knevel stráált bij de herinnering. ‘Dat was gewoon een ontzettend leuke tijd.’ Terwijl de EO nog maar een klein clubje was. ‘We waren het kleine lelijke eendje van de publieke omroep. Die sfeer hing er ook: wij tegen de rest van de wereld. Een kleine evangelische familie.’ Hij ging zonder morren op z’n vrije zaterdag naar Emmen of Hollandscheveld om leden te werven. ‘Dan stond Dorenbos pakken kaarten uit te delen: “jij gaat naar Harlingen en jij naar Roermond”. Dat dééd je gewoon. Pionieren, schouders eronder. Niet eh…. praten, maar poetsen.’ Een mooi jongensboek eigenlijk: Gereformeerde jongens en een oude schuit. Dat gevoel mist-ie nu weleens. ‘De nieuwe generatie komt binnen in een groot, modern bedrijf. Wij zijn een A-omroep, met computers en een prima CAO. Niemand had dat toen voor mogelijk gehouden. De meeste critici riepen: “ach de EO… geef het vijf jaar en ze zijn weer weg”.’ Inmiddels zijn we met bijna zeshonderdduizend leden de grootste omroep van Nederland.’

De missie –‘de verkondiging van het evangelie helpen bevorderen’- is nog altijd onveranderd, beklemtoont Knevel. Dat die verkondiging vroeger in negentig procent van de EO-programma’s zat en nu nog in tien procent, spreekt hij resoluut tegen. ‘Onzin. Beeldvorming. Kom ik altijd weer tegen. Vanaf het begin hebben we ook kwissen en documentaires uitgezonden.’

De boodschap is tegenwoordig veel handiger verpakt.
Hij denkt na, trekkend aan zijn sigaar. ‘Ja, ik zit nu even een slim antwoord te bedenken. Beaam ik dit? Ons programma-aanbod is tegenwoordig buitengewoon evenwichtig. Maar ik bestrijd dat het vroeger onevenwichtig was. Het was de wijze waaróp. Zonder de collega’s van vroeger te willen beledigen: het was ook de tóón. Het was soms erg truttig. Dat is veranderd toen in de tweede helft van de jaren tachtig een nieuwe generatie kwam opzetten.’

Wie zijn journalistieke voorbeelden waren toen hij bij de EO kwam werken? Nou, Jan Zindel van de NCRV bijvoorbeeld, en Leo Pagano van de AVRO. Van de EO was er niemand, zo eerlijk moet-ie zijn. Ik vraag waarom-ie er dan zo graag wilde werken. ‘Ik wilde er helemaal niet graag werken’, reageert de programmadirecteur. ‘Het was meer een grap. Ik zou gaan promoveren (hij studeerde theologie) maar vond mezelf in theologisch opzicht nog niet rijp.’ Toevallig zag hij bij zijn ouders een advertentie in EO’s Visie. ‘Ik zei tegen m’n broer: moet je opletten, als ik solliciteer heb ik die baan.’ En verdo… verhip, hij kreeg ‘m. Terwijl een omroeploopbaan niet bepaald voor de hand had gelegen, als zoon uit een gezin waar tot zijn achttiende geen televisie in huis kwam. Bij vriendjes keek-ie soms naar Pipo en Swiebertje. Zijn vader was ambtenaar op het stadhuis in Bussum en actief SGP-lid, ‘sterk betrokken op de maatschappij. Je hoorde je verantwoordelijkheid te nemen.’ Tegelijk stond alles in het gezin in het teken van de ziekte van zijn vader, die al zestig jaar MS-patiënt is. Omdat ook z’n moeder vaak ziek was, zorgde Knevel –oudste van drie kinderen- vanaf z’n dertiende veel voor het gezin. Hij haalde en bracht z’n vader dagelijks van en naar het gemeentehuis, totdat ook dat voor z’n vader te zwaar werd. Knevel heeft het nooit vervelend gevonden, zegt-ie. Hij is niks tekort gekomen. ‘Maar ik ben ook nooit een rebel geweest. Dat kon gewoon niet. Want thuis hadden ze me nodig.’

Niet alleen zijn ouders vergden zorg. Z’n zusje was fobisch, en durfde jarenlang de straat niet op. Maar daar wil hij het ‘absoluut niet’ over hebben. Net toen ze haar angsten eindelijk overwonnen had, werd er kanker bij haar geconstateerd. Kort daarna overleed ze, zesendertig jaar oud. Het is nu zeven jaar geleden, maar de klap suist nog altijd na, zegt hij. ‘Mijn ouders zijn er ontzettend dapper mee omgegaan, maar ze zijn er nooit meer bovenop gekomen. Ze hadden al zo’n loodzwaar leven gehad, en dan overlijdt ook je oogappel nog. Op zo’n moment stort alles in. Ik heb precies hetzelfde gevoel. Er ligt sindsdien een schaduw over het leven. De glans is eraf. Ik sta er niet elk uur bij stil, maar het is nooit echt weg. Op de momenten dat ik geniet –bij een mooi concert, of met m’n vrouw op een terras in Sienna- slaat er bijna altijd een soort bliksemschicht in. Dan komt die schaduw weer.’ Hij leefde altijd al met het besef dat alles tijdelijk is, maar dat gevoel is nadien nog verder versterkt. ‘De ondertoon van mijn leven is er één van somberheid. Ik kán genieten, maar altijd met de handrem op.’

De dood van z’n zus moet, veronderstel ik, een enorme deuk in zijn godsvertrouwen hebben veroorzaakt. ‘Uiteindelijk toch niet’, zegt hij, na lang nadenken. ‘Waarom zou het de schuld van God moeten zijn? Ik denk wel vaak: God, het wordt tijd dat u hier of daar ingrijpt. Maar het kwaad in de wereld wordt veroorzaakt door mensen. De concentratiekampen waren mensenwerk. Die vliegtuigen van 11 september zijn gekaapt door negentien schurken. Daarboven krijg je de metafysische vraag: “had God dat niet kunnen voorkomen?”.’

De vraag is of je überhaupt iets te maken wilt hebben met een God die zoiets laat gebeuren.
‘Natuurlijk ken ik dat gevoel. Dat is dé vraag waarom de meeste mensen zijn afgehaakt. Vroeger durfde ik daar niet eens over na te denken, maar sinds mijn veertigste laat ik zulke vragen toe. De laatste tien jaar ben ik bewuster gaan geloven, terwijl ik meer vragen heb dan ooit. Dat heeft zeker ook invloed op mijn werk. Ik stel als interviewer andere vragen dan vroeger, probeer meer een soort relatie op te bouwen. Ik had ooit een interview met een Kamerlid. Over ’n bepaalde zaak had ik ‘m op zeker moment helemaal in de hoek zitten. Toen dacht ik: joh, wat zit je nou te doen? Zit je die man een beetje in de hoek te drijven? Probeer liever een relatie met ‘m te krijgen. Neem het gesprek met Fortuyn (waarin de lijsttrekker vertelde in opdracht van hogerhand te opereren- CV). Daar is heel veel commentaar op gekomen, zowel positief als negatief, maar het was een bijzonder gesprek. Ik had heel graag nog ‘ns bij hem thuis willen doorbomen over God en geloof. Heel jammer dat dat er nooit van gekomen is. We ontwikkelden echt een band met elkaar. Ik laat soms wel m’n tanden zien, maar ik zal nooit echt bijten. Ik zeg liever: joh, ik hóu van je. Dat heb ik heel sterk tegenwoordig. Ook bij politici.’

Nogal gevaarlijk voor een interviewer. Het haalt de angel eruit.
‘Zeker. In Het Elfde Uur is die angel er soms al uit. Vergelijk het maar ‘ns met acht jaar geleden. Voor Knevel op Zaterdag moest ik weer zeer scherp gaan interviewen. Daar moest ik echt toe aangevuurd worden.’ Dat betekent natuurlijk niet dat-ie nooit ‘ns iemand aan de tand zou voelen. Waarom zou hij iemand als Ina Brouwer niet ter verantwoording roepen voor haar verleden? ‘Dat is juist heel belangrijk. Dar had Bolkestein groot gelijk in. De discussie over: “wie was fout in de koude oorlog?” is in Nederland nooit gevoerd.’

Ik herinner mij ook nog glashelder het EO-standpunt over Zuid-Afrika. Jullie waren felle tegenstanders van het ANC.
‘Ja, dat klopt. Maar wij wezen de apartheid af.’

De EO was wel voor de thuislanden-politiek.
‘Maar nooit “slegs vir blanke”. Wij zeiden: zorg dat de Xhosa in Xhosa-gebied opgroeien, en de Venda in Venda-gebied. Want bij elkaar maken ze alleen maar ruzie. En het ANC wezen we af vanwege het geweld.’

De overwinning van Mandela is bepaald niet aan de steun van de EO te danken.
‘Oké, die mag je van me hebben. We zagen meer in Buthelezi dan in het ANC. Ik erken dat we daar mis hebben gezeten. Maar bij het communisme was het in de jaren vijftig al duidelijk wat een perfide systeem het was. Daar had je verantwoording voor moeten afleggen.’

En de EO zou moeten zeggen: inzake Zuid-Afrika hebben we absoluut geen mooi nummer gemaakt.
‘Laat ik zeggen dat we daarin een late bekering hebben doorgemaakt.’

De publieke omroep lijkt moeilijke tijden tegemoet te gaan, met een bezuiniging van 30 miljoen euro in het vooruitzicht. Toch lijkt Knevel er niet heel zwaar aan te tillen. Tuurlijk, het is een fors bedrag. ‘Maar het is aan Balkenende te danken dat we nog wat ruimte krijgen. Als de LPF z’n zin had gekregen, had het veel drastischer kunnen uitpakken. Er ging een gerucht over een bezuiniging van honderdvijftig miljoen.’ Bijna vrolijk: ‘Dan valt dertig nog aardig mee.’ Knevel is ‘absoluut blij’ met de komst van Balkenende. Hij kent de aanstaande premier enigszins. ‘Als we elkaar zien, slaan we op elkaars schouders. Jan Peter gaat regeren in een extreem lastige financiële situatie. Maar wat-ie in z’n kop heeft, heeft-ie niet in z’n kont. Hij maakt echt wat los. Laatst was-ie op de EO-jongerendag. Daar werd-ie toegejuicht door ruim dertigduizend jongeren. Welke politicus kan dat nou zeggen?’ Voor de journalistiek is het alleen maar goed dat er weer een nieuwe lichting politici voor de camera’s langs zal trekken, vindt Knevel. Wat dat betreft is hij nog lang niet op zijn missie uitgekeken. Hij denkt sowieso ‘meer dan ooit’ na over de toekomst. Ook over zijn eigen voorland. En daarin is “werk” niet meer het allerbelangrijkst. ‘Ik zou meer dingen samen met mijn vrouw willen ondernemen: veel naar concerten gaan, samen mooie reizen maken. Ik heb haar door het werk toch redelijk verwaarloosd. Als je de vijftig bent gepasseerd breekt er een andere fase aan: je realiseert je dat de tijd die je nog over hebt beperkt is. Het besef dat het leven eindig is, zit niet in mijn achterhoofd maar in mijn voorhoofd. Het effect daarvan is dat je er sterk relativerend van wordt. Daarom val ik ook niet om van kritiek op mijn functioneren. In het licht van de eeuwigheid zijn het uiteindelijk allemaal voetnoten.’

© Coen Verbraak, 2002