THEO KOOMEN – woekeren met de waarheid
Uitgezonden door de KRO op 12 april 2004, en herhaald op 22 juli 2004.
Zelfs een rolmops zou Theo Koomen nog spannend kunnen verslaan, schreef Nico Scheepmaker ooit: ‘Jaaa, ohhhh, wat mooi!! Een echte rolmops, zomaar op tafel, wat gewellldig!!!’ Al tijdens zijn leven werd sportverslaggever Theo Koomen legendarisch, vanwege zijn vaak jubelende verslagen van wieler-, schaats- en voetbalwedstrijden. Twintig Rondes van Frankrijk bracht Koomen als verslaggever op zijn naam, en vele honderden voetbal- en schaatsverslagen. Vaak uitzinnig, achter zijn adem aanhollend, over zijn woorden struikelend. Zijn verslagen doorspekkend met oneindig veel ‘aaaahhh’s’ en ‘oehhh’s’ en met lyrische overdrijvingen als ‘drramaatisch’ en ‘fantaaastisch’. Op 5 april 1984 kwam hij bij een verkeersongeval om het leven. Twintig jaar na zijn dood spreekt Koomen nog steeds tot de verbeelding, zo blijkt uit de documentaire van regisseur Coen Verbraak. Verbraak, die eerder documentaires maakte over Godfried Bomans en Ko van Dijk, sprak met vrienden, familieleden, collega’s en critici over “het fenomeen Koomen”. Voor het eerst ook wordt openlijk gesproken over het grote geheim dat Koomens leven bepaalde: hij kreeg een relatie met zijn schoonzus, en verwekte een kind bij haar. Coen Verbraak blikt met zijn dochter Netty, haar moeder Janny, zijn zus Gré, collega’s als Mart Smeets, Heinze Bakker en Kees Jansma en met topsporters als Gerrie Knetemann en Ard Schenk terug op Koomen’s leven, zijn positie tussen twee vrouwen, zijn omstreden radioverslagen, zijn sterke hang naar aandacht en zijn vele eenzame momenten.
BIOGRAFISCHE SCHETS VAN THEO KOOMEN
(mede gebaseerd op een groot portret dat Verbraak ooit van Koomen maakte voor zowel Vrij Nederland als de NOS-radio)Theo Koomen was een duizendpoot; hij werkte voor kranten (o.a. Algemeen Dagblad) voor radio (o.a. NOS en KRO) en televisie (o.a. NOS, KRO en TROS). Zijn werkdrift was eigenlijk een inhaalmanoeuvre, vertelde hij zelf meermalen. Koomen, geboren in een streng katholiek Westfries gezin, was voorbestemd om priester te worden. Als vijfjarig jongetje liet hij ‘moeder Grietje’ al blozen door aan iedere klant in de groentewinkel van zijn vader te verkondigen: ‘Ik word páús, paus Theodorus de Eerste.’ Maar de vijf jaar op het kleinseminarie St.-Paul in Arcen werd de ongelukkigste tijd van zijn leven. Koomens ‘valse start’ werd nog eens verlengd door zijn jarenlange verblijf als tbc-patiënt in sanatoria. In 1962 ging hij als sportverslaggever bij de Volkskrant werken. En toen begon zijn carrière. ‘Mijn leven begon pas toen ik tweeëndertig was,’ zei Koomen zelf. ‘En ze zullen potverdomme wéten dat ik aan het inhalen ben. Dat zal ik ze laten zíén en horen.’
Koomen zette in zijn verslagen de werkelijkheid naar zijn hand. Hij herschiep de wereld naar eigen geluid en gelijkenis. Tegen de realiteit aanleunend, een stuiver oppoetsend tot een blinkende gouden medaille. Maar soms schoot hij te ver door, en werd het regelrecht bedrog. Zijn broer Jaap Koomen vertelde ooit hoe Theo voor de NOS een radiofonisch sfeerbeeld vanuit Rome zou verzorgen, omdat Ajax daar zou spelen. Maar door omstandigheden miste Theo het vliegtuig. ‘Toen hij ‘s middags producer George Tor opbelde, vroeg Theo: ‘‘George, kunnen we niet wat prakkizeren?” Nou, dat kon, zei Tor. Theo moest gewoon net doen alsof hij vanuit Rome verslag deed, dan zou Tor ondertussen een band met buitengeluiden en schreeuwende supporters laten horen. En verdomd, ‘s avonds ging bij Theo in Wervershoof de telefoon. ‘‘En Theo, hoe is het in Rome?” Nou, het was verschrikkelijk mooi, zei Theo, hij kon zich maar amper staande houden tussen die feestende Ajaxsupporters op plein zus-en-zo. En Tor liet inderdaad een band horen met: ‘‘Ajax, Ajax!” Nou, jongen, het was niet van echt te onderscheiden. Liep hij daarna de tuin in. Nou, je had Theo’s buurman moeten zien kijken. Ogen als schoteltjes. ‘‘Ik... ik dacht dat jij in Róme zat...” Maar nee, Theo zat lekker thuis in Wervershoof een bakkie koffie te drinken.’
De kritiek op zijn reportages –hij zou te weinig objectief zijn- trok Koomen zich zeer aan. Hij bewaarde alle negatieve recensies zorgvuldig—’Die Peter van Bueren is een húfter. Wat die man allemaal over mij geschreven heeft... Ik kan die vent opvreten met huid en haar, vandaag nog. Met heel mijn ziel, met heel mijn lichaam’—om later in zijn memoires onverbiddelijk terug te slaan. Toch hadden Koomens critici niet helemaal ongelijk; als verslaggever kon hij onvoorstelbare blunders begaan. Bij een wereldkampioenschap schaatsen voor dames vergiste hij zich gruwelijk. Collega Heinze Bakker krijgt het er desgevraagd ‘nóg benauwd’ van. Want vanaf het begin van de drieduizend meter haalde Koomen beide vrouwen door elkaar en riep uiteindelijk de verkeerde uit tot wereldkampioene. Bakker: ‘Ik stond met een zender op het ijs, maar kon er niet tussenkomen. Vervolgens schakelde hij na dat enthousiaste verslag over naar mij, als beginnend verslaggever, voor een interview met de wereldkampioene. Hoe pijnlijk ik het ook vond, ik móést Theo natuurlijk corrigeren. Hij vatte dat gelukkig sportief op, maar was na zo’n fout duidelijk aangeslagen.’ Dergelijke blunders hadden vooral te maken met Koomens beperkte gezichtsvermogen, denkt Bakker. ‘Hij zag heel slecht en was daarnaast kleurenblind. Daardoor kon hij een rood schaatspak niet van een blauw onderscheiden. Maar ja, daar was de fout nog niet goed mee, natuurlijk.’ Koomen mocht dan een ‘crowd pleaser’ zijn, hij ging de confrontatie niet uit de weg. In 1971 haaldte hij zich de woede van sommige schaatsers op de hals, nadat hij had onthuld dat Jan Bols duizend gulden van de Avro had aangenomen voor een interview. En met het boek Vijfentwintig jaar doping, dat in 1974 verscheen, trapte hij menig wielrenner tegen de schenen. ‘Het was zelfs zo,’ weet Gerrie Knetemann, ‘dat er bij een criterium in Woerden, waar Theo als speaker optrad, problemen ontstonden. De renners weigerden te vertrekken als Theo niet zou ophoepelen. Uiteindelijk liep het zo hoog op, dat Theo geen andere mogelijkheid zag dan de microfoon neer te leggen en te vertrekken. Maar dat is later weer bijgetrokken. En als je het boek nú leest, dan snap je niet waar toen die drukte vandaan kwam.’ Knetemann bewaart, zegt hij, dierbare herinneringen aan Koomen. ‘Zijn eerste interview met mij zal ik nooit vergeten. Het was in 1975 en ik had net mijn allereerste Tour-etappe gewonnen. Ik heb toen in dat interview tranen met tuiten gehuild. En binnen de kortste keren stond Theo zélf ook te janken als een kind. Ja, Theo was uniek. Hij had het echt goed met de sporters voor. Ik weet nog dat ik in 1983 keihard was gevallen. Ik lag daarna totaal verkreukeld in een ziekenhuis in Gent, toen opeens Theo Koomen aan mijn bedje stond. Bibberig, want hij hield niet zo van ziekenhuizen. En ik zie nóg helemaal voor mij hoe intens verslagen hij was toen hij mij daar zo hulpeloos zag liggen. Daar stond Theo met zijn bosje bloemen. De tranen biggelden over zijn wangen.’ Zélf ontsnapte Koomen tijdens zijn werk meermalen op het nippertje aan de dood. Zoals in 1975, toen de NOS-wagen slipte en een ravijn ingleed. Twintig meter lager landde de auto op zijn kop, het stuur stak door het dak. Chauffeur Gerard Koel hoort Koomen nóg schreeuwen tijdens de val. ‘Oh, moedertje, moedertje, Theootje gaat dood.’ Maar ‘Theootje’ bleek alleen een bezeerde duimnagel te hebben. Koel was er ernstiger aan toe. ‘Ik had een flink gat in mijn arm. Het bloedde niet, maar er stak wel bindweefsel uit. Theo kwam troostend bij mij staan toen ik op de tafel werd gelegd. ‘‘Stil maar Gerard, het komt allemaal goed. Bij mij viel het ook wel mee.” Nou ben ik jaren beroepsrenner geweest, dus ik ben wel wat gewend. Toen die dokter kwam en met een schaar dat bindweefsel eraf knipte, hoorde ik opeens een plof achter mij. Dat was Theo. Hij was flauwgevallen.’ Theo Koomen wist dat hij de prins van de club was, zegt toenmalig NOS-radiochef Kees Buurman, en hij gedroeg zich daar ook naar. ‘Van instructies vanuit Hilversum trok hij zich vaak weinig aan. Ik ben weleens halsoverkop in het vliegtuig gesprongen om Theo tot de orde te roepen. Zat ik tegenover hem, begon hij alles te ontkennen. Hij was heel aardig, zocht nooit ruzie, maar vond wel dat hij altijd gelijk had. Nu vond ik dat toevallig ook van mijzelf. Ik ben weleens zo razend geworden, dat ik van drift een tafel in tweeën heb geslagen. Maar daarna liepen we dan toch weer broederlijk de sneeuw in.’ Drie dagen voor Koomens dood werd de Ronde van Vlaanderen verreden, die dat jaar gewonnen werd door Johan Lammers. En Koomen móést en zou, tegen alle voorschriften in, met de NOS-wagen vlak achter Lammers over de finish rijden. Even aarzelde NOS-chauffeur Gerard Koel nog, maar toen besloot hij om voor Koomen dan maar het risico te nemen. Koel: ‘Ik dacht: hij wil het, ik doe het. Terwijl ik best wist dat ze daar ontzettend streng in zijn. Wij zijn dus achter Johan Lammers over de finish gereden. En dat is het laatste wat ik voor hem heb kunnen doen, wat ik hem heb kunnen laten zien van het wielrennen. De week daarop was Parijs-Roubaix. Theo zei nog: ‘‘Ik zal mijn spullen maar in de auto laten.” Maar er is nooit meer een Parijs-Roubaix gekomen. Een paar dagen later is hij overleden.’ Ferry de Groot regisseerde die woensdagavond, 4 april 1984, de uitzending van Langs de lijn. Hij weet het nog precies: ‘s avonds om zeven voor elf werd de PTT-lijn met Enschede afgesloten. De Groot: ‘Ik zei Theo gedag en hij zei: ‘‘Dag Ferdinand, tot volgende week.” En anderhalf uur later...’ Zijn stem stokt. ‘Ja, sorry hoor, ik raak er gewoon weer helemaal ondersteboven van. Ik was erg op hem gesteld. Theo stond altijd voor je klaar, wilde je overal mee helpen.’ Toch speelt Theo Koomen tien jaar na zijn dood geen echte rol meer in de sportverslaggeving. De Groot: ‘Navolgers zijn er niet. Theo is toch een gesloten boek. Als Theo doorgeleefd zou hebben, dan zou hij beslist veel minder een legende zijn geworden. Door de grote live-verslagen die je nu op televisie ziet, had Theo natuurlijk niet meer met die klaterende bergbeekjes kunnen aankomen. En ik vraag mij serieus af of Theo daarin wel had kunnen meeveranderen. Wat de reputatie van Theo Koomen betreft zijn werkelijkheid en fictie elkaar inmiddels wel érg dicht genaderd.’ De dag na het ongeluk werd NOS-chef Kees Buurman in een NCRV-programma over de dood van Koomen geïnterviewd. Buurman had zich tot dan toe vooral gekenmerkt door zakelijkheid en strengheid. ‘Hij zou op een dag als vandaag zijn emoties wel eens wat meer mogen tonen,’ vonden sommige omroepmedewerkers. Maar nu barstte Buurman voor de microfoon opeens in tranen uit. Want, zo zei hij, ‘met Theo zijn wij ook een beetje doodgegaan’. Buurman vertelde hoezeer hij zich geërgerd had aan sommige collega’s, die over Koomen opmerkten: ‘Wij zijn journalisten en hij maakte een show.’ ‘Maar verdomme, hij maakte een show,’ reageerde Buurman, met een daverende klap op de studiotafel. ‘Sorry hoor,’ vervolgde hij emotioneel, ‘maar dat een man die radio heeft gemaakt, zodat heel Nederland aan zijn voeten lag... dat die nu weg is... dat is vreselijk!’ Wanneer Buurman tien jaar later aan zijn reactie van toen wordt herinnerd, reageert hij enigszins gegeneerd. Wel moet hij bitter constateren dat het gat dat Koomen binnen de sportverslaggeving achterliet, nooit meer is opgevuld. ‘De dood van Theo Koomen heeft een geweldige slag toegebracht aan de sportverslaggeving. Die begaafdheid om voor de microfoon het binnenste van je huig te laten zien, is helaas verdwenen. Ik hoor nu vooral twaalfjarige, net menstruerende meisjes die vanuit verre landen kranteberichtjes voorlezen. Natuurlijk zijn er na hem weer jongens in de Tour op de motor geklommen, maar dat bleef beperkt tot zeer matige imitaties. Koomen was het schoolvoorbeeld van hoe radio op zijn best kan zijn. En mensen zoals hij zijn er niet meer. Met Koomen is een deel van het radiovak gestorven.’ |