Gisteren had hij er even echt last van, voor het eerst sinds hij gestopt is met tennis. Hij zat in de auto te praten met z’n vrouw Daphne toen het hem plotsklaps overviel. ‘Zo’n gevoel van: goh… wat is het toch ongelofelijk jámmer. Een paar jaar geleden was ik nog topvijf-speler. Ik was absoluut op m’n top, speelde het beste tennis uit m’n loopbaan. Als die blessures daarna nou niet hadden opgespeeld…. Wat was er dan gebeurd?’ Het duurde niet lang, hooguit een paar minuten. Maar het besef sneed messcherp door Krajicek heen. ‘Wat is het onvoorstélbaar jammer dat ik een stuk van m’n carrière niet heb kunnen afmaken. Ik had zo verschrikkelijk graag gezien wat er nog had ingezeten.’
De toptennisser Richard Krajicek (31) is definitief verleden tijd. Sinds hij in 1989 prof werd, won hij 411 partijen en verloor er 219. Krajicek won 17 toernooien, met Wimbledon in 1996 als absoluut hoogtepunt. ‘Wimbledon maakt heel veel goed. Door Wimbledon kan ik nu rustig in de tuin zitten.’ Vijf jaar lang stond hij onafgebroken in de toptien, in 1999 zelfs op de vierde plaats. Totdat hij uiteindelijk voorgoed geveld werd door de Geniepige Drieëenheid van voet, schouder en elleboog. De beslissing om te stoppen was eigenlijk snel genomen. Op het toernooi van Rosmalen voelde Krajicek dat het gewoon niet meer ging. Maar het moment waarop hij die beslissing hardop tegenover de pers uitsprak was aangrijpend. ‘Mijn coach kon gewoon niet in de perskamer staan. Die kon er niet tegen. We hebben samen al die jaren zo’n band opgebouwd. Een uurtje later sta je buiten op de parkeerplaats, nog even samen bij de auto te praten. “Nou, dat was het dan. Het is een mooie carriere geweest.”. En dan rijd je naar huis, op weg naar een leven zonder tennis. Da’s zo gek…’ Wat rest is de dvd die hij nog laat maken, met hoogtepunten uit z’n loopbaan. ‘Iets om aan mijn kinderen te laten zien. En dan is het voor mij echt klaar.’
Hij heeft schitterende periodes meegemaakt, dat zeker. In 1992 –Krajicek was toen eenentwintig- haalde hij voor het eerst een halve finale op een Grandslam (Australian Open). Eind dat jaar eindigde hij bij de eerste tien van de wereld. ‘Dat was echt heel bijzonder. Onwaarschijnlijk gewoon. En Wimbledon natuurlijk, met vervolgens de finale in Los Angeles. Schitterende weken.’ Maar 1999 is op afstand zijn allermooiste jaar geweest. ‘Ik won Key Biscane, werd vierde op de wereldranglijst. Toen speelde ik zó goed, zo explosief; ik kon alles en iedereen aan. Mijn lichaam stond het toe. Ik was gewoon ontzettend goed, won van Sampras. Mensen zeiden ook: “jij gaat Wimbledon weer winnen”. Mijn niveau lag echt hoger dan in ’96.‘ Hij voelde het ook op de baan, tijdens het spelen. ‘Je weet van tevoren dat je de bal niet kúnt missen. Dat is heerlijk. Want soms heb je ook het gevoel dat je de bal niet tussen de lijnen kunt krijgen. Dan is iedere bal die je krijgt bijna een bedreiging. En doordat je twijfelt, gáát het ook mis. Je gaat de bal duwen, in plaats van door de bal heen te slaan. Daardoor verlies je alleen nog maar meer controle. Ondertussen sta je vertwijfeld iedere slag te analyseren: wat doe ik fout? Je gaat je hele checklist af, punt voor punt. Als dat ook niks oplevert, blijft er alleen nog vechtlust over. Terug naar je basis, vol op de bluf.’
Zijn zwartste periode begon in 2000, 2001. Hij was net geopereerd; drie tot zes maanden later zou hij weer moeten kunnen spelen. ‘Maar na negen maanden speelde ik nog steeds niet. Dat was een heel slechte tijd. Ik zag het niet meer zitten. Verliezen van je tegenstander is veel minder erg dan verliezen van je blessures. Ik heb vaak gebaald als ik een toernooi had verloren, op het nippertje of door m’n eigen stommiteit. Dat hoort er nou eenmaal bij, dat is sport. Soms verlies je wedstrijden. Op zo’n moment was ik fysiek of mentaal gewoon niet sterk genoeg. Maar het was wél een eerlijke strijd: zo wás ik op dat moment. Dat was de sporter Richard Krajicek. Maar dat je vanaf 2000 die overgang ziet. Steeds minder kunnen trainen omdat je zo’n last hebt van je arm, terwijl je daarvoor nog zo goed presteerde. Dat is heel moeilijk te accepteren.’
De parallel met Marco van Basten lijkt voor de hand te liggen. Ook bij hem maakten blessures een verder verloop van z’n carrière onmogelijk. Toch gaat de vergelijking maar gedeeltelijk op, vindt Krajicek. ‘Van Basten is echt wereldtop geweest, de beste spits van de wereld. Daar ga ik me niet mee vergelijken. Ik heb heel goede toernooien gespeeld, maar Van Basten is als sportman groter. Ik was goed, maar zat onder dat topniveau. Ik heb Wimbledon gewonnen, maar ben niet de nummer 1 van de wereld geweest. In tennis heb je een topgroep, een subtop en een groepje daaronder. In de eerste groep zitten de echte legendes: Agassi, Sampras. De groep daaronder bestaat uit de hele goeien -Rios, Kafelnikov, Rafter- die twee Grandslams hebben gewonnen of nummer 1 van de wereld zijn geweest. En daar weer onder zitten de jongens die zoals ik één Grandslam hebben gewonnen.’
Natuurlijk, het liefst had hij afscheid genomen na nog een glorieus toernooi. Maar dat zat er nou eenmaal niet in. En hij is absoluut geen man voor een speciale afscheidswedstrijd, met bloemen, vuurwerk en muziek. ‘Daar ben ik te verlegen voor. Je hebt weleens voetballers die kwaad zijn omdat ze geen afscheidswedstrijd hebben gekregen. Dan denk ik altijd: wat maakt dat nou uit? Je bent toch gestópt!’ Hij hééft trouwens een schitterend afscheid gekregen, zegt Krajicek. Volslagen ongepland. De dag nadat hij stopte, moest hij toevallig prijzen uitreiken op een bedrijfsfeest van ABN AMRO. ‘Een enorme bijeenkomst voor vijftienduizend medewerkers in het Gelredome. Er traden artiesten op, Wendy van Dijk presenteerde. Ze hadden zo’n heel lange catwalk over het veld gemaakt. Ik word geroepen, loop vanaf het podium die hele catwalk af, richting middenstip. Kríjg ik me toch een ovatie…’ Met rode konen: ‘Zo prachtig. Echt ontroerend. Het mooiste afscheid dat ik kon bedenken.’
En nu zit hij dus thuis, in de prachtig verbouwde voormalige pastorie in Muiderberg. Al moest hij zichzelf dwingen om een beetje vakantie te nemen. ‘Ik ben sowieso een onrustig mens. Als ik helemaal niks doe, ga ik me schuldig voelen.’ Sinds hij gestopt is, heeft hij welgeteld één uurtje op de tennisbaan gestaan. Op verzoek van z’n halfzusje Michaëlla. ‘Blijkbaar heb ik er toch even genoeg van.’ Hij herkent veel van zichzelf in haar. Al zijn er duidelijke verschillen. Krajicek: ‘Ik wilde als jongen vooral niet verliezen, zij wil graag winnen. En ze kan heel goed punten spelen. Bij belangrijke punten viel ik als jongetje terug op: oké, ik ga nu geen enkel risico nemen. Zij gaat wel echt voor dat punt. Daar moet je mentaal heel sterk voor zijn. Agassi kon dat ook erg goed: op belangrijke momenten toch vól blijven slaan. Dat kunnen maar weinig mensen.’
Hij groeide op in Den Haag, in een gezin van twee kinderen. Zijn ouders waren Tjechische vluchtelingen. ‘De eerste dag dat ze in Nederland aankwamen, logeerden ze op een camping in Rotterdam. Dezelfde dag won Feyenoord de Europacup 1. Die hele camping uit z’n dak, overal hossende, juichende mensen. Mijn ouders waren stomverbaasd. “Jezus, waar zijn we nú terechtgekomen? Is dit hier normaal?’ Zijn vader had ook nog nooit van Luilak gehoord. ‘Opeens reden er ’s nachts jongens met knallende brommertjes langs. Is-ie met ’n bijl achter zo’n gozer aangegaan.’
Thuis werd Tjechisch gesproken. Z’n ouders waren uiterst ambitieus, en streng voor hun kinderen. Ze moesten excelleren, zowel op school als in sport. Vanaf z’n derde jaar stond hij bijna dagelijks op de tennisbaan. Uitsluitend om te tennissen, sociaal verkeer vond z’n vader onbelangrijk. ‘Na afloop bleven we nooit even hangen.’ Vijftien was hij toen z’n ouders scheidden. Kort daarna raakte hij gebrouilleerd met z’n vader. Ze spraken elkaar nauwelijks nog. De laatste jaren was het contact zelfs geheel verbroken. Totdat Krajicek drie jaar geleden in een interview met NRC-Handelsblad zei dat hij “misschien later, als ik niet meer tennis” ooit nog het contact met z’n vader zou herstellen. ‘Mijn vader moet dat als een uitnodiging hebben gelezen, want kort daarna kwam hij hier een brief voor mij in de bus doen, in het Tjechisch. Toen hij terugliep naar z’n auto, zag Daphne hem. “Daar loopt voor de tweede keer dezelfde man langs.” Da’s m’n vader, zei ik. Daphne riep hem binnen. Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Zelf zou ik hem niet binnengehaald hebben.’
Dat eerste bezoek duurde anderhalf, twee uur. Voor het eerst ontmoette Petr Krajicek z’n kleinkinderen en de vrouw van z’n zoon. Sindsdien zien ze elkaar regelmatig. Hoe belangrijk het voor hem is dat de relatie met z’n vader hersteld lijkt? Hij antwoordt onverwacht laconiek. ‘Op zich was het geen doel voor mij. Ik vond het zelfs wel lekker rustig. Het scheelde een boel stress. Maar nu kan ik redelijk met ‘m opschieten. We doen dingen samen die we vroeger ook deden, we gaan samen vissen. Het is leuk nu. Maar voor m’n gevoel zou ik ook niks gemist hebben. Want ik weet ook hoe het wás. Tot m’n drieëntwintigste, toen we definitief gebrouilleerd raakten, ging het uiterst moeizaam. We waren duidelijk niet blij met elkaar. Nou ja, dan maar niet. Ik heb me de afgelopen jaren regelmatig afgevraagd: “kan ik ermee leven als hij morgen overlijdt, zonder dat ik ‘m ooit nog gesproken heb?”. Het antwoord was steeds “ja”. Zolang dat zo was, zag ik niet het nut van een verzoeningspoging.’ Niet dat-ie de goede kanten van z’n vader niet zag. Integendeel. ‘Hij is een heel gedreven, intelligente man. Hij weet van alles wel iets. Alleen over tennis kun je niet rationeel met hem praten. Daar kregen we enorme conflicten over.’
Afgelopen maart nam hij z’n vader mee naar Amerika, nota bene naar de Masters Series. Voor het eerst in jaren liet hij z’n vader weer toe in z’n tennisleven. ‘Ik vond dat wel een mooie symboliek.’ Het was sowieso een vruchtbare trip. Ze hebben heel veel samen gepraat. ‘Hij heeft me z’n hele levensverhaal verteld. Dat vond ik wel bijzonder. Vooral omdat er door die brouille toch een flink gat in de tijd was ontstaan.’
Zeg je er iets van als hij je zusje te streng traint?
‘Jawel. Ik heb wel gezegd dat hij het af en toe wat rustiger aan moet doen. Hij kan soms te negatief zijn. Ze heeft af en toe problemen met haar tweede service. Daar blijft-ie dan op hameren. Waarop ik zeg: als je dat te vaak roept, kan het echt een probleem worden. Dat neemt-ie wel van me aan. En ik zie dat ze het goed kunnen vinden met elkaar. Dat is toch een belangrijke graadmeter.’
Zelf neemt hij zijn kinderen vrijwel nooit mee naar de tennisbaan. ‘Misschien komt dat toch wel door mijn eigen jeugd. Ik vind het belangrijk dat kinderen aan sport doen, maar ik zou ze nooit willen pushen. Ze moeten hun eigen weg vinden. Voor mijn part gaan ze viool spelen.’ Het vaderschap viel hem aanvankelijk zwaar, erkent Krajicek, bijna schoorvoetend. ‘Vooral de eerste maanden van Alec waren zwaar. Ik vond ‘r niks aan. Omdat-ie te vroeg geboren was had-ie vaak krampjes, waardoor hij de hele nacht huilde. Maar ik had wel m’n carrière, ik moést slapen. En Daphne moest ´s ochtends natuurlijk ook gewoon opstaan om te werken. Uiteindelijk hebben we zelfs tijdelijk iemand in huis moeten nemen. Ik was zó moe, totaal geknakt. Hoe vaak ik hier niet op de oprijlaan met hem heen en weer heb gelopen om ‘m maar in slaap te krijgen.’ Maar inmiddels is het vaderschap geweldig, zegt Krajicek glunderend. ‘Het is nu precies wat ik er vroeger van gehoopt had. Ik kan met ‘m praten, dingen uitleggen. Samen wandelen, fietsen. Alles wat je idealiseert als vaderschap is er nu.’
Maar het vaderschap brengt ook angsten met zich mee, heeft Krajicek gemerkt. ‘Ik ben heel erg bang dat ze iets aangedaan wordt, bang voor kinderverkrachters. Hier in de buurt is twee keer een man in een rood autootje gesignaleerd die probeerde kinderen mee te nemen. Dat is echt mijn allergrootste angst. Die momenten die zo’n meisje moet doormaken voordat ze uiteindelijk doodgemaakt wordt… daar ben ik panisch voor. Als we samen vliegen denk ik weleens: als we nu neerstorten, is het heel erg dat ze maar zo kort hebben mogen genieten. Maar dan ben ik in elk geval wel bij ze. Je wilt ze zo graag beschermen, he.’ Hij draait zich om naar z’n dochter, die verderop naast de glijbaan in het gras zit. ‘Emma, wat moet je doen als een meneer je een snoepje geeft?’ Ze kijkt met grote blauwe ogen op van haar Mickey Mouse-bordje. ‘Nee zeggen, papa.’ –‘Goed zo. En wat nog meer?’ ‘Niet praten en niet meegaan.’ -‘Heel goed.’ Hij glimlacht, tevreden knikkend over de feilloos vertolkte katachismus-tegen-boze-mannen. De wereld is nou eenmaal anders dan in zijn eigen jeugd, beseft Krajicek. Al was het alleen maar omdat de elfde september toen nog een doodgewoon kalenderblaadje was. Sindsdien is alles anders. ‘We zijn een keer op vakantie naar Bali geweest. Laatst zei ik nog tegen Daphne: waarschijnlijk gaan we daar dus nooit meer heen. Niet voor een paar jaar, maar echt nóóit meer. Ook over twintig jaar durf ik het niet. Die haat tegen het Westen zit zo diep. En het erge is dat zo’n aanslag in Jakarta zorgt voor veel minder toerisme. De mensen worden daardoor nog armer, met als gevolg dat de haat tegen het Westen verder toeneemt. Het is een dramatische vicieuze cirkel.’
Ja, hij piekert vaak over de toekomst, zeker nu hij kinderen heeft. ‘Hoe groot wordt dat moslimfundamentalisme? Gaan m’n kinderen er last van krijgen? Het trieste ervan is dat de christenen op hun beurt ook beginnen door te slaan. Nu wil Bush weer in Amerika de kreet ´One Nation under God´ herinvoeren. Dan denk ik: ho ‘ns even… kerk en staat waren toch gescheiden? Over dat soort dingen maak ik me grote zorgen.’
Hij volgt de politiek op de voet. Voor z’n eigen partij – de VVD- sprak hij de afgelopen campagne zelfs spotjes in. Grinnikend. ‘Nou, dat heeft lekker veel geholpen.’ De politieke opmars van Pim Fortuyn sloeg hij met genoegen gade. ‘Ik had het leuk gevonden als-ie één zetel had gehaald. Maar als mensen vroegen: “zou je op hem stemmen?”, antwoordde ik altijd: nee, want ik vind hem te links. Hij had natuurlijk rechtse standpunten over integratie, maar hij was tegen de NAVO. Daarom zou ik dus nooit links kúnnen stemmen. Mijn eigen ouders zijn ooit overrompeld door de Russen. Ik realiseer me altijd hoe belangrijk het is om Amerika achter je te hebben. Mijn zoontje hoeft niet in militaire dienst. Waarom? Omdat Amerika alle vuile klusjes nu opknapt.’
En hij houdt zich actief bezig met Zen-boeddhisme, al heeft hij geen enkele behoefte om dat uit te dragen. De belangstelling ontstond een paar jaar geleden, in een periode dat hij erg bezig was met de dood. ’s Avonds in bed kwam de eindigheid van het bestaan vaak dreigend op hem af. ‘Ik kreeg het enorm benauwd van de gedachte dat het op een dag zomaar afgelopen is. Dan ga je op zoek naar antwoorden. “Het paradijs” vond ik geen geloofwaardige mogelijkheid. Op een dag kreeg ik van Daphne een stripboekje: Zen speaks. Met op iedere pagina een stripje over een gebeurtenis, met tot slot steeds een Zen-monnikje dat commentaar geeft.’ Hij ging er meer over lezen, raakte overtuigd van de waarde van Zen. ‘Ik heb door Zen met mijn angst voor de dood leren omgaan. Waarom zou je je druk maken over iets waar je niets vanaf weet? Leren loslaten, ook het materiële. Dat gaf me rust.’
Ging je er ook anders door tennissen?
Bijna betrapt: ‘Ehm… in het begin wel. Je krijgt een soort onverschilligheid over je; “het is allemaal niet zo belangrijk”. Maar ja, als je een paar keer verliest, wordt de sportman in je wel weer wakker.’
Volgend jaar wordt hij toernooidirecteur van het ABN AMRO-toernooi. Bovendien is hij aan de open universiteit begonnen met een rechtenstudie. Krajiceks tenniscarrière mag dan afgelopen zijn, de wereld ligt nog voor ‘m open. ‘Natuurlijk voel ik weemoed omdat het voorbij is. Aan de andere kant: hoeveel mensen krijgen nou de kans om aan een tweede carrière te beginnen? Daar troost ik mezelf mee. Al is de kans natuurlijk heel groot dat je nooit meer zo succesvol wordt.’ Hij lacht, een tikje melancholiek. ‘Waar word ik nou ooit nog vierde van de wereld in?’
© Coen Verbraak, 2003
|