‘Ik lijk helemaal niet op een cabaretier. Ik vind mezelf niet iemand met een heel komische uitstraling. Zeg nou zelf, ik zie eruit als een basketballer. Ik ben geen underdog; hartstikke groot, en niet echt lelijk, zoals de meeste cabaretiers. Eigenlijk is het een raadsel dat ze om me moeten lachen.’ En toch wordt hij gerekend tot de absolute cabarettop. Samen met Hans Teeuwen geldt Theo Maassen (35) als de meest getalenteerde en vaakst geroemde cabaretier van zijn generatie. En dat is ook het publiek in de schouwburg van Den Bosch niet ontgaan; voor Functioneel naakt (Maassens vierde programma) zijn vanavond alle achthonderdzestig stoelen uitverkocht. Morgen is dat al net zo. Theo Maassen –1 meter 92 lang, groene ogen, gemilimeterd haar- lijkt er zelf niet van onder de indruk. Zo op het oog volkomen ontspannen slentert hij twee uur voor de voorstelling nog door de Bossche binnenstad, gekleed in korte broek en t-shirt. ‘Weet je dat theaters zo’n beetje de slechtst beveiligde gebouwen ter wereld zijn?’, zegt hij, wanneer we de schouwburg binnenlopen. Na 11 september werd er zogenaamd verscherpt bewaakt. Nou, hij heeft het vaak genoeg uitgeprobeerd door de intercom. Maassen, met sterk arabisch accent: “Ja hallo, hierrr iesj Theo Maassje”. Ze doen gewoon open.’
De tv in de artiestenfoyer staat keihard. Dan hoeft de dame van de consumpties tenminste geen woord van haar favoriete serie te missen. Maassen haalt z’n schouders op. ‘Laten we dan maar in de kleedkamer gaan zitten.’ Wanneer hij een half uur later het podium oploopt, is de zaal –grotendeels gevuld met twintigers en dertigers- uitzinnig. ‘Stel nou dat het niet wáár is wat je denkt’, begint Maassen onverstoorbaar. ‘Dat je het mis hebt. Dat kán.’ Het is het begin van een imponerende monoloog van anderhalf uur, gespeeld in het soberste decor dat denkbaar is (Maassen zit op een houten stoel aan een tafel, met daarop enkel een blikje Cola). Hij moet het niet hebben van show, maar van zijn grappen. (“Ik hou niet van generaliseren. Surinamers doen dat ook altijd zo”). Soms is zijn humor scherp en schrijnend (‘Van Cola Light word je niet dik. Daar zit aspartaam in. Dat is kankerverwekkend. En van kanker word je slank”) en af en toe ronduit bitter. (“Een optimist is een slecht geïnformeerde pessimist.”).
Het mozaïek aan grappen wordt voelbaar geschraagd door de wanhoop en het onvermogen van een man die lijdt aan de tijd. ‘Ik baal ontzettend van wat ik om me heen zie. We zouden het met elkaar allemaal zoveel leuker kunnen hebben.’
Zijn huis, een onopvallende hoekwoning uit de jaren dertig, staat in rustig straatje in de Eindhovense binnenstad. Maassen woont er al vijf jaar, maar je zou gezien de lichte onttakeling van de woning ook direct geloven dat hij nog midden in een verhuizing zit. Het ruitje naast de schuifdeur is gebarsten, en op de muur van de voorkamer is met blauwe en rode viltstift de set up van Functioneel naakt geschreven, inclusief bijna alle grappen. Leek hem handig; kon-ie tijdens het basketballen in de kamer direct z’n programma repeteren.
Na zijn vorige programma Ruwe pit was-ie het theater even helemaal zat. ‘Omdat het zo’n verzameling afspraken is; mensen trekken nette kleren aan, spuiten nog een beetje eau de toilette op en gaan naar het theater waar ik op de afgesproken tijd grappig sta te zijn. Daar had ik opeens zo enorm genoeg van.’ Totdat-ie in Eindhoven bij een optreden van Jan Jaap van der Wal was. Maassen keek toe, genoot en wilde opeens ‘ook weer dingetjes maken’. Stapsgewijs schreef hij materiaal. ‘Heel ontspannen. Soms stond ik even tien minuutjes te stand uppen in Toomler’. Ondertussen deed hij volop andere dingen (hij speelde onder meer in de films Amnesia en Minoes). Vóór Maassen het wist had-ie een nieuw programma. ‘Het prettige was dat het niet al geproduceerd en geboekt was. Meestal ligt je toernee al een jaar van tevoren vast. Nu ging ik pas spelen toen ik er zin in had.’ Dat betekent wel dat veel theaters Theo Maasen tussen hun gewone programmering in moesten plannen, ingeklemd tussen musical en Frans Bauer. ‘Vorige week vroeg zo’n meisje van de schouwburg: “zijn jullie met véél, van de musical?” Ze had duidelijk nog nooit van me gehoord. Als mensen echt totaal niet weten wat ik doe, zeg ik altijd: “zoiets als Youp van ’t Hek, maar dan anders”.
Thuis werd er nooit cabaret gedraaid. Ja, z’n ouders hadden wel een plaat van Wim Sonneveld –‘mijn zus en ik huilden altijd bij Het hondje van Dirkie’- maar dat was het dan ook. Hij was de middelste van drie kinderen. (Uit Neuk het systeem: “We waren met drie kinderen thuis; mijn zusje was ouder, mijn broertje jonger. En ik was … ja, zeg maar even oud.”) Zijn vader werkte als inkoper bij de Mars-chocoladefabriek in Veghel. ‘Soms nam-ie snoep mee’, zegt Maassen, en hij straalt bij de herinnering. ‘Moesten we testen wat de beste chocola was.’
Na de middelbare school deed hij auditie op de Toneelschool in Maastricht. Hij werd resoluut afgewezen. ‘Ik had nog nooit van een monoloog gehóórd. Waarom staat iemand in godsnaam in z’n eentje hardop te praten? Normaal word je daarvoor opgenomen’.
Toevallig zag-ie een advertentie van de Theateropleiding in Eindhoven. Hij schreef zich in, en voelde zich daar direct op zijn plaats. ‘Daar kon je spélen. Letterlijk.’ Al was-ie wel een buitenbeentje. Want hij kwam er ook de wereld van “het wekelijkse kringgesprek” binnen. ‘Zat er zo’n meisje naast me: “ja, ik weet niet…. Ik voel me heel erg onzeker. Hoe dénken jullie eigenlijk over mij?” Ik dacht: mijn God, wat krijgen we nou? Dat stond zo ver van mij af. Man, ik had altijd alleen maar gehandbald. Af en toe schold je elkaar verrot als je de bal niet kreeg terwijl je vrij stond.’ In het kringgesprek de week daarop wist hij zich vervolgens feilloos aan te passen. ‘Ging ik met een heel bedrukt gezicht vertellen hoe onzeker ik me voelde, en dat ik zo twijfelde over mijn positie in de groep.’
Eigenlijk kon hij bijna niks op die school. De beweginglessen waren niets voor hem, en zingen kon-ie ook al niet. ‘Maar ik kon wel goed improviseren.’ Op diezelfde theaterschool ontmoette hij Hans Teeuwen. Teeuwen zat een jaar onder Maassen, maar ze vielen elkaar direct op. ‘Hans had toen nog een snor en lange haren. Een verlegen jongen met een Brabants accent. Maar we hadden direct een soort humor-klik. Ik vond hem heel erg grappig.’ Maassen won in 1990 zowel de jury- als de publieksprijs op Cameretten, Teeuwen zegevierde een jaar later (samen met Roland Smeenk). In 1994 ging Maassens eerste programma Bepaalde dingen in première, in dezelfde week waarin Teeuwen debuteerde met Hard en zielig. Hij merkt nog steeds hoe vaak ze met elkaar worden verward. ‘Laatst vroeg een jongen aan mij: “hé Hans, volgende maand trouwt m’n zus. Zou je op de bruiloft een stukje willen doen”. Nee, zei ik, dat doe ik niet. Maar je moet Theo Maassen ‘ns vragen.’
‘Hans is echt als een komeet gegaan. Bij mij ging het veel gestager, stapje voor stapje. Misschien moeten iets minder grote talenten er gewoon wat harder voor werken.’ Maassen staat, zeg ik, in elk geval wel dichter bij zijn publiek dan Teeuwen. Nou, dat is met dit programma wel minder, reageert hij. ‘Volgens de klassieke cabarettheorie smeedt de cabaretier samen met het publiek een complotje tegen de rest van de wereld. Ik sluit dat complot bij dit programma heel nadrukkelijk niét. Ik zit juist enorm op het publiek te kankeren. Ik ben steeds minder de vriend van de zaal. Je wordt voortdurend autonomer, het wordt steeds minder interessant om aardig gevonden te worden. In het begin heb je dat nog heel erg nodig. Je staat er in je dooie eentje, dus: “laat alsjeblieft merken dat jullie me leuk vinden”. In de eerste recensies werd mijn zogenaamde grapdichtheid geroemd. Dat kwam daar uit voort; je maakt zo snel mogelijk weer een nieuwe grap, in de hoop dat er weer bevestiging komt. Bepaalde dingen had dat heel erg: weinig gas terug nemen uit angst voor de stilte. Bij het maken van m’n tweede programma was dat ook het probleem. Ik wist dat ze zouden komen om te lachen. En opeens wist ik niet meer wat ik met die anderhalf uur aanmoest.’ Pas toen is-ie een beetje gaan nadenken. Op z’n achtentwintigste! Belachelijk laat natuurlijk, vindt hij zelf. Maar om te ontdekken waar hij het over wilde hebben, moest hij toch eerst nagaan wat hij van de dingen vond. ‘Daardoor ga je met andere ogen naar de wereld kijken; naar de stad, naar de mensen. En daar werd ik opeens zo ontzettend treurig van. Het programma moest zelfs uitgesteld worden omdat ik een tijdje echt down was.’
Die wanhoop op het toneel is dan ook allerminst gespeeld, benadrukt de cabaretier. Niet dat-ie er de hele dag aan denkt, ‘maar het is wel wat er loos is in mijn hoofd’. ‘Als grootste euvel van deze tijd zie ik de onverschilligheid. Dát is de echte oorlog die woedt; de strijd tussen fundamentalisme en fanatisme enerzijds en onverschilligheid anderzijds. En die wordt altijd door de onverschilligen verloren. Elke beschaving is uiteindelijk ten onder gegaan aan decadentie en nonchalance.’ Stampend op de vloer: ‘Wij hadden vroeger buren in Zijtaart die in de kamer gewoon tl-balken hadden hangen. Ik zou doodongelukkig worden van tl-licht; alles wordt er zo lelijk en treurig van. Maar hun maakte het niet uit. Dáchten ze. Want ik weet zeker dat die mensen zich ook prettiger zouden voelen met fijn licht in de kamer.’ Of neem nou laatst: hij staat bij de slijterij. Vóór hem bestelt een stomdronken man een fles drank. Maassen, verhit: ‘En zo’n meiske achter de kassa wil gewoon die fles gaan afrekenen. Er staan nog twee andere mensen bij, maar niemand zegt wat. Dus ik ga me er mee bemoeien: wat ga je nou doen? Ga je die man nou echt die drank verkopen? En dat meisje: “Eh…ja. Hoezo?” Je hebt er de hele dag mee te maken: hoe mensen elkaar op straat bejegenen, hoe ze in een winkel tegen elkaar doen. De optelsom daarvan is hoe prettig je je als mens voelt, hoe veilig of hoe onveilig. Daar probeer ik op dat toneel mijn ongenoegen over te laten zien.’
‘Een week nadat Feyenoord de Uefa-cup won speelde ik in Luxor, in Rotterdam. Ik liep met Hans en Marco (zijn technici-CV) over straat. Vijftig meter verderop zag ik een lange jongen op me afkomen, in korte broek. Wat heeft die vent een benen, dacht ik. Van die ontzettende voetbalbenen. Opeens zie ik dat het Robin van Persie is, de linksbuiten van Feyenoord die een week daarvoor nog de Uefa-cup had gewonnen. Een manneke van achttien, maar voetballers zijn voor mij toch altijd een beetje helden. Hij liep daar met een ander ventje, blikje Fanta in z’n hand. Ik zat er glunderend naar te kijken…. Zag ik godverdomme dat hij dat blikje midden op straat neerzette en doorliep. Terwijl drie meter verderop een prullenbak stond! Dus ik liep op hem af en zei: “hé, dan kun je wel de Uefa-cup gewonnen hebben, maar doe dat blikje ‘ns in de prullenbak”. Keek-ie me aan en liep gewoon door.’ Met een diepe frons van ergernis: ‘Dan knap ik zo totáál op zo’n jongen af. Ik heb echt duizend keer liever iemand die niet zo goed kan voetballen. Ik weet ook wel dat talent vaak samengaat met andere eigenschappen. Als je biografieën leest van Mick Jagger of Miles Davis… dat zijn vaak afschuwelijke mensen. Zo wil ik niet zijn.’
In Neuk het systeem (uit 1996) was het centrale thema: “waarom doen we eigenlijk niet datgene wat het fijnste is?” Daar zou Maassen nu niet meer mee durven aankomen. ‘Ik denk eerder: laat iedereen zich liever gedeisd houden.’ De wereld is in een paar jaar drastisch veranderd. Dat merkt hij ook in het theater. ‘Opeens lijken dingen legitiem die eigenlijk helemaal niet oké zijn.’ Hij is er, geeft hij toe, voorzichtiger door geworden. ‘Als ik kijk naar mijn eigen humor, als ik met vrienden ben, dan is die redelijk grof. In racisme zit bijvoorbeeld ongelofelijk veel humor. Juist omdat het zo dom is, kun je de meest stupide redenaties bedenken die altijd kloppen. (Uit Bepaalde dingen: “Ik discrimineer niet. Echt niet. Voor mij zijn alle buitenlanders hetzelfde.”) Het zijn eigenlijk alleen maar leuke taalconstructies. Maar ik vind het niet prettig hoe mensen daar soms op reageren. Als ik een racistische opmerking maak, voel ik in de zaal bijna de opluchting: “eindelijk iemand die het zegt”. Waardoor het een heel vervelende lading krijgt. Als ik een PSV-supporter doe die “kankerjoden” schreeuwt, baal ik me dood als daar een applausje op komt. Dan is de lol er finaal van af.’ Dat is, realiseert Maassen zich, ook de tol van de populariteit en de laagdrempeligheid van zijn programma’s. ‘Je hebt die definitie van Wim Ibo: “cabaret is theateramusement voor een intelligent publiek”. Fuck it, man. De stomste honden zitten in de zaal! Naast intelligente mensen. Er zit van alles.’ Soms moet-ie er ook heel erg om lachen. ‘In Ruwe pit ging het over de totale vercommercialisering van de maatschappij. (“Er is blijkbaar behoefte aan. En wie zijn wij dan om daar niet aan te voldoen?”) Ik stond me daar anderhalf uur heel kwaad over te maken. De eindgrap was dat als mensen na afloop de zaal uitliepen er in de foyer een enorme Ruwe pit-merchandisingskraam bleek te staan. Daar kon je allerlei Ruwe pit-artikelen kopen. En dan hoor ik toch zo’n jongen heel serieus zeggen: “ja, hee… da’s ook niet consequent, zeg”.’
In dat opzicht is hij eigenlijk geen professional. Eerder een amateur. ‘Omdat ik me vaak teveel aantrek van reacties. Als ik een bepaalde dommigheid voel bij een zaal, kan ik daar slecht mee omgaan. Dan mislukt het voor mijn gevoel. Zo’n programma is een dialoog. Je hoopt toch dat mensen je associaties volgen, je bruggetjes snappen. Wat ik op dat podium doe is een soort hardop kritisch denken. Maar als ze alleen maar lachen om de platte dingen, wordt het opeens ook een heel erg plat programma. Dan denk ik: ben ik dáár nou dat hele kuteind voor gaan rijden? Het moet voor mij ook leuk blijven.’ Dat merkte het publiek in Harderwijk onlangs nog. Vlak voor het einde van de voorstelling ging er in de zaal een mobiele telefoon af. ‘In plaats van ‘m snel af te zetten, ging die vent doodleuk zitten telefoneren.’ Maassen spoorde de dader op, bedankte hem voor het verpesten van zijn programma en brak de voorstelling af. ‘Ik ben dan gewoon heel erg teleurgesteld.’
Goed, soms is-ie misschien wat extreem in z’n reactie. Daarom kon het ook gebeuren dat-ie bij een reclameoptocht door Eindhoven opeens zo ontzettend kwaad werd dat-ie door het lint ging. Kan hém wat schelen dat-ie inmiddels een publieke figuur is. ‘Het is toch belachelijk dat dat allemaal volkomen ongevraagd aan je opgedrongen wordt!’ Nee, hij heeft niet ter plekke op straat z’n geslachtsdeel laten zien. ‘Dat is verkeerd in de krant gekomen.’ Maar op zulke momenten komt er een soort ongebreideld fanatisme in hem boven. Al moeten mensen dat natuurlijk niet overdrijven. ‘Toen Functioneel naakt in première ging, stond in de NRC een foto van mij, met daaronder een heel strafblad. Theo Maassen, u weet wel: die cabaretier die ook een vrouw heeft lastiggevallen en de Uefa-cup van PSV heeft gestolen. Dat gaat alleen maar om sensatie.’ Die kwestie met die vrouw was een bedrijfsongeval, licht Maassen toe. ‘Soms gebeuren er dingen in een voorstelling die je niet kunt negeren. Ik was net een verhaal aan het vertellen over dat onhandige gevinger, vroeger in het fietsenhok. Dat zij d’r broek nog aanhad, zodat je er niet goed bij kon. En op dat moment komt die vrouw binnen, veel te laat. Dan maak je in een split second een afweging of je er wel of niet iets mee doet. Ik vroeg haar op het podium, en demonstreerde hoe dat nou precies in z’n werk ging. Ik deed een hand in haar broek, tussen haar onderbroek en haar jeans. Ik heb de situatie verkeerd ingeschat. Heel vervelend allemaal, maar het is gegaan zoals het gegaan is.’
‘Die man die daar op dat toneel staat, lijkt erg op wie ik ben. Het is behoorlijk autobiografisch allemaal. Maar in het echt valt het natuurlijk behoorlijk tegen met die grappigheid. In die anderhalf uur is het beste samengebald wat ik in twee jaar tijd heb bedacht. In feite is het belachelijk wat dit vak aan beroemdheid genereert. Ik zat op de theaterschool in de klas bij Monic Hendrickx (van onder meer De Poolse bruid en Nynke). Wat zij doet vind ik echt knapper dan wat ik doe. Toch zit daar weinig roem aan vast. Mijn vriendin werkt met ouderen. Dat is heel zwaar werk, terwijl het helemaal geen aanzien heeft. Terwijl wat ik doe voor leken heel wat lijkt. Ik kan mezelf goed relativeren. Mijn grootste ambitie is dat ik een goede vriend ben voor mijn vriendin, een goede zoon voor mijn ouders en een goede broer voor mijn zus. Ja, dat kun jij braaf vinden, maar ik meen het echt. Daar gaat het toch om?’
‘Een cabaretier moet over alles grappen kunnen maken. Je mag op een toneel met een stalen bek alles beweren. “Ja lekker makkelijk”, zeggen mensen dan, “je preekt voor eigen parochie”. So what? Dat is waar het in mijn vak om draait. Ik ben geen verzinner van nieuwe ideeën, geen revolutionair. Maar ik heb antennes voor wat er speelt, voor wat er loos is. Als je dat dan kunt verwoorden op een herkenbare manier… Dát is de kunst van cabaret. Dus moet je juist voor eigen parochie preken.’ Hij zwijgt geruime tijd. Wanneer hij weer begint te praten klinkt hij bijna gekweld. ‘Weet je wat zo frustrerend is? Kijk nou ‘ns naar het succes van Fortuyn. In het aloude gevecht tussen goed en kwaad heeft het kwaad per definitie zo’n enorme voorsprong. Het negatieve, de ontevredenheid is zo makkelijk te mobiliseren. Het positieve is altijd broos.’ Kleintjes: ‘Dat is zo frustrerend, zo ontzettend kut. Het is zoveel makkelijker om je voor het negatieve in te zetten. Ik denk weleens: stel nou dat ik mijn talent zou inzetten voor iets anders. Ik voel als ik racistische grappen maak hoe dat lééft in zo’n zaal. Als ik daar aan zou gaan werken, zou ik misschien verschrikkelijke dingen kunnen aanrichten.’
© Coen Verbraak, 2002
|