PAUL MARCHAL
’IK WIL ELKE MINUUT KENNEN DIE AN DAAR GEZETEN HEEFT’

23 juni 2001



Bijna zes jaar geleden verdwenen Eefje Lambrecks en An Marchal. Paul Marchal zocht meer dan een jaar naar zijn dochter. Hij werd steeds meer de woordvoerder van het protest tegen het verval van België. Terwijl Marc Dutroux maar niet werd berecht –binnen een jaar moet het proces beginnen- zakte de nationale opwinding. Marchal werd gezien als een aandachtstrekker, uit op eigen roem. Hij overweegt een nieuw leven, ergens ver weg. ‘Ik ben altijd verknocht geweest aan mijn land. Maar dat is veranderd.’

Op de website van het Huis van An tikt een klok gestaag de tijd weg. ‘2134 dagen, 16 uren, 25 minuten en 5 seconden geleden verdween An, op 23 augustus 1995’, meldt de koptekst. Voor Paul Marchal (47) markeert die klok messcherp de cesuur in zijn bestaan. ‘Sinds An is verdwenen, is niets meer hetzelfde. Ze zeggen dat het slijt, maar dat geloof ik niet. Je kunt nooit vergeten wat er allemaal met haar gebeurd is.’ Nadat An Marchal op 3 september 1996 samen met haar vriendin Eefje Lambrecks werd opgegraven in Jumet, was België in rep en roer. Paul Marchal zelf groeide in korte tijd uit tot een heuse volksheld, die in naam van zijn dochter ten strijde trok tegen de corrupte overheid en de verziekte politiek. Met de Witte Mars als kroon op z’n werk. Daarna begon zijn voetstuk af te brokkelen. Marchal leek niet meer van het tv-scherm te branden, met telkens weer nieuwe aantijgingen en complottheorieën. Steeds vaker werd openlijk getwijfeld aan de zuiverheid van zijn motieven. De volksheld werd een lastpak, en België werd Marchal-moe. Zijn kortstondige carrière als politicus -als oprichter en voorzitter van de Partij voor een Nieuwe Politiek in België- maakten de zaken er niet beter op. De partij ging ten onder aan interne twisten, amateurisme en geldproblemen. Sindsdien houdt Marchal zich enkel nog bezig met zijn baan in het bijzonder onderwijs, en zijn werk voor het Huis van An. Daar verleent hij dagelijks hulp aan kinderen en jongeren die misbruikt zijn of anderszins in de verdrukking zijn gekomen.

In het Huis van An, in zijn woonplaats Hasselt, is zijn gestorven dochter overal. Portretten op de bureaus, aan de muur. Ook de gefotografeerde meisjeshand die zich beschermend om een donzig kuikentje heenkrult is van An. Boven de schouw in de spreekkamer hangt de sterk uitvergrote portretfoto die na haar verdwijning de hele wereld over zou gaan. Gemaakt op de laatste dag dat ze thuis was, een paar uur voor haar vertrek naar een vakantiehuisje in Westende, waar ze eind augustus 1995 met vrienden vakantie zou vieren. Marchal: ‘In een opwelling dacht ik: laat ik nog snel een foto van An en Karen (haar zusje) maken. Ik heb toen niet kunnen denken dat het bijna letterlijk mijn laatste beeld van haar zou zijn.’ Een paar dagen later had hij haar voor de laatste keer aan de telefoon, vanaf haar vakantieadres. An zou gaan koken voor haar vrienden, en belde haar vader voor een recept. ‘Ze vroeg hoe ze rijst met kip en kaas moest maken.’ Het was maar een kort gesprek, herinnert Marchal zich. An had eigenlijk geen tijd. Bovendien slorpte de campingtelefoon in hoog tempo haar franken op. ‘Ze riep: “ik hang nu weer op, hoor”. Ja, maar vertel nou nog even hoe je het daar hébt, zei ik. “Oh, het is hier fantástisch. Echt waar.” Toen hing ze op. De ingrediënten voor de kipschotel heeft ze nog gekocht. Die werden de volgende dag in de koelkast gevonden.’

Ze vertelde aan de telefoon niet dat ze die avond met Eefje Lambrecks de hypnoseshow van Rasti Rostelli zou bezoeken. Na afloop van die voorstelling –in het casino van Blankenberge, dertig kilometer van hun logeeradres in Westende- misten ze hun laatste tram. De tram naar Oostende bracht hen vervolgens tot op dertien kilometer van hun vakantiebungalow. Verder moesten ze maar lopen of liften, zei de nachtwaker toen hij ze bij het eindpunt naar buiten dirigeerde. Op woendag 23 augustus 1995, om tien over half twee in de ochtend, zag hij An Marchal en Eefje Lambrecks de nacht in verdwijnen. Hij was de laatste die ze levend zag. Op Marc Dutroux na, die de tram op afstand gevolgd had met zijn auto.

De avond daarna werd Marchal gealarmeerd door de vrienden van An en Eefje. ‘Ik dacht direct: we zien haar nooit meer terug Ze zijn verkracht, vermoord en in zee gegooid. Mijn vrouw dacht precies hetzelfde. Maar geleidelijkaan veranderde mijn idee daarover. Nadat ik de videobeelden van de Rostelli-show had gezien (waarbij An en Eefje twee uur lang onder hypnose op het toneel stonden) ben ik van mening veranderd. Je kon daarop zien dat ze na afloop in de war waren, dat ze niet meer wisten waar ze het zoeken moesten. Dan heb je het verder maar te raden. Dolen ze ergens rond, of zijn ze in verwarring in een auto gestapt? Opeens was ik ervan overtuigd dat ze nog leefden. Tot de laatste minuut heb ik hoop gehouden.’

Op 3 september 1996, ruim een jaar na de verdwijning, was Marchal met zijn vrouw te gast in het Franse opsporingsprogramma Perdu de vue. Op de terugreis naar Hasselt werd de trein plotseling stilgezet. Marchal en zijn vrouw dienden over te stappen in een politiewagen, die hen daarop met loeiende sirene naar Hasselt bracht. ‘Ze vertelden dat Eefje was gevonden, en dat er nog iemand anders was aangetroffen. Voor mijn vrouw was het toen direct duidelijk. Maar mijn hoop was zo sterk dat ik het in die wagen niet onder ogen wilde zien. Pas toen we thuis binnenkwamen en de hele familie daar bleek te zitten, drong het tot mij door. Want als An geleefd zou hebben, zou zij daar ook gezeten hebben.’ Op een vreemde manier was het ook een soort opluchting, zegt hij. ‘Je wist ook: dit is het einde van de nachtmerrie. Na meer dan een jaar hoef je niet meer verder te zoeken.’

Is u toen al iets verteld over de omstandigheden? ‘Nee, dat kwam pas later. Vlak voor ze gevonden werden heeft de recherche ons wel een in beslag genomen videofilm laten zien van een naakt meisje dat opgesloten was. Als twee druppels water An. Maar ik denk toch dat zij het niet was. An had een paar littekens. Uit analyse van de beelden bleek dat zij het niet kon zijn.’

Hebt u An nog gezien nadat ze was teruggevonden? ‘Toen niet. Dat mocht niet. Maar ik heb haar later wel op foto’s gezien. Mijn vrouw wilde dat absoluut. Uiteindelijk heb ik zelf ook maar gekeken. Het was de enige mogelijkheid om toch afscheid te nemen.’

Kon u haar nog herkennen? Aarzelend: ‘Als je wilt weten of ze nog intact was, zeg ik: ja. Maar als we niet hadden geweten dat dit An was, dan hadden we haar misschien niet herkend. Ik zit alleen met een heel grote vraag: zoals ik An op die foto heb gezien, doet mij twijfelen hoe lang ze nog geleefd heeft. Volgens de politie heeft ze hooguit nog zo’n vijf weken geleefd. Maar als ze werkelijk bijna een jaar begraven heeft gelegen, dan zou ze volgens mij nooit zo intact geweest kunnen zijn.’

Is het voor u belangrijk om te weten of het vijf weken of twee maanden was? ‘Enorm belangrijk. Ik zou iedere minuut willen kennen die ze daar gezeten heeft.’

Het schrijnende is dat u voor het verslag daarvan afhankelijk bent van de dader ‘Helaas. En ik geloof zijn verklaringen niet.’

Bent u ooit op de plek geweest waar Dutroux ze gevangen hield? ‘Ja, samen met twee van onze drie andere kinderen. We hebben gevraagd of we het huis mochten zien, en door de kelder mochten lopen waar ze zaten.’

Zag u in die kelder nog sporen van de kinderen? ‘Niet van onze eigen kinderen. Maar je zag bijvoorbeeld “Julie” op de keldermuur staan. Dat had Julie er zelf op geschreven. Het was veel verschrikkelijker dan ik mij had kunnen voorstellen. Je komt binnen, in een ruimte waar volwassenen niet eens kunnen staan, en opeens sta je voor tralies. Met een uitsparing erin, om voedsel door te geven. Net als in een dierentuin. Of An daar ook gezeten heeft weten we niet. Zij is vooral boven geweest, vastgeketend in de slaapkamer. Ook daar heb ik rondgelopen. Ik kan alleen maar zeggen dat ze daar in omstandigheden heeft verkeerd, waarvan ik hoop dat de details nooit wereldkundig gemaakt zullen worden. Dat zou te schokkend zijn.’

Maar wat hebt u zelf aan die details? ‘Je kunt pas alles aanvaarden als je de waarheid kent. Dat is een vorm van verwerking. Dutroux heeft de kinderen bijvoorbeeld voorgehouden dat hun ouders geen losgeld voor ze wilden betalen, omdat ze dat niet voor hun kinderen over hadden. Hij heeft ze zelfs brieven laten schrijven. En dan zei hij later: “zie je nou wel dat je geen antwoord krijgt? Ze missen jullie helemaal niet”. Daarom wil ik weten hoe An die laatste dagen gedacht heeft. Ik hoop maar dat ze een beetje gevoeld heeft hoe wanhopig we naar haar gezocht hebben, hoezeer we met haar en Eefje bezig geweest zijn. Ik hoop dat ik ooit een teken vind dat ze daarin is blijven geloven. Dat zou een geweldig lichtpunt voor mij zijn.’

Zou u Dutroux willen ontmoeten? ‘Dat is de moeilijkste vraag die je mij kunt stellen. Ik denk dat het op dit moment veel te riskant zou zijn. Want ik denk niet dat ik mijn handen kan thuishouden.’

Hoe reageerde u toen u hoorde dat Dutroux ontsnapt was? ‘Dat was de volgende onwerkelijkheid die werkelijkheid werd. Ik kwam net uit school, reed op de autosnelweg toen ik gebeld werd door een reporter. Ik dacht dat ik een beroerte kreeg. Ik ben met de wagen langs de kant gaan staan. Geen idee hoelang ik daar gestaan heb. Ik dacht dat ik gek werd.’

De ontsnapping van Dutroux was te toevallig, vindt Marchal. ‘Je kunt toch bijna niet anders concluderen dan dat hem bewust een kans is gegeven. Hij bleek ook vijf truien en drie paar sokken over elkaar te dragen. Bovendien had hij schroevendraaiers bij zich. Hoe kan dat dan?’ Het proces tegen Dutroux ziet Marchal met weinig vertrouwen tegemoet. Voor hem staat vast dat Dutroux weliswaar veroordeeld zal worden voor ontvoering van An en Eefje, maar niet voor de moord op de meisjes. ‘Ze zijn gevonden op het terrein van Weinstein (zijn handlanger). Weinstein is dood, dus die zal de schuld wel krijgen.’ Hij kent het dossier, maar wil er weinig over zeggen, beducht dat de advocaten van Dutroux ook maar iets vinden dat op een procedurefout lijkt. ‘Dan komt er helemaal geen proces, en wordt Dutroux vrijgesproken.’

Marchal heeft af en toe nog contact met de ouders van Mélissa. Met de vader van Eefje Lambrecks raakte hij al kort na de verdwijning gebrouilleerd. Lambrecks verweet Marchal dat hij de zaak volledig naar zich toetrok. Bovendien zou hij tijdens de verdwijning vooral de aandacht hebben gevestigd op An, en niet op Eefje. De stichting “An en Eefje” moest uiteindelijk van de rechter op instigatie van vader Lambrecks ook omgedoopt worden in de stichting “An”. Het is treurig dat de beide lotgenoten als kemphanen tegenover elkaar zijn komen te staan, geeft Marchal toe. Ze hadden elkaar kunnen steunen. ‘Maar moet je dit dan zien’, vervolgt Marchal, terwijl hij een krantenknipsel op tafel uitvouwt. Het is een recent interview uit Het Volk met de moeder van Eefje. “Ik vergeef Dutroux”, staat er boven. Marchal schudt verbijsterd zijn hoofd. ‘Daar kan ik met mijn verstand niet bij. We kijken er zo fundamenteel anders tegenaan. Ten tijde van de verdwijning hadden vader Lambrecks en ik afgesproken dat hij een privé-detective zou inschakelen. Daar was ook geld voor. Omdat ik verder niets hoorde nam ik twee maanden later zelf contact op met die detective. Bleek hij nooit benaderd te zijn. Dat zijn dingen die ik gewoon niet begrijp. Voor elke stap die ik zette, zette hij een tegenstap. Mijn fout is geweest dat ik daar alerter op had moeten reageren. Als ik daar meer energie in had gestopt, dan was ik er zelf mooier en beter uitgekomen. Het zij zo.’

In 1998 richtte Paul Marchal de Partij voor een Nieuwe Politiek in België op, die onder meer ageerde tegen corruptie en vriendjespolitiek in de Belgische samenleving. De partij deed in 1999 mee aan de kamerverkiezingen, maar behaalde slechts een schamele 0,3 procent van de stemmen. Op dit ogenblik bestaat de partij alleen nog in naam. Er loopt nog wel een schadeclaim tegen Marchal van vijfendertigduizend gulden. ‘Het gaat om een bestelling van affiches, die zonder mandaat geplaatst is door de penningmeester.’ In naam is Marchal nog steeds voorzitter van de partij. Voor hem is de verklaring van het échec duidelijk: zijn partij was gewoon niet welkom. ‘Voor bestaande politieke partijen is het nooit een goede zaak dat er nieuwe partijen en politici komen. Want daar kunnen ze zelf kiezers aan verliezen.’

Maar toen u de partij oprichtte scoorde u in opiniepeilingen maar liefst dertien procent. Bij de Kamerverkiezingen vervolgens nog geen half procent. Dus niet de politici, maar de kiezers zagen het niet in u zitten. ‘Ja maar goed, hoe komt dat? Dat wordt stilaan voorbereid. Je wordt zwartgemaakt.’

Maar zelfs uw medestanders stapten uit de partij omdat ze uw optreden eigenzinnig en autoritair vonden. ‘Dat is niet echt waar. Maar sommigen wilden van mijn naam profiteren, en ondertussen zelf op die plek staan.’

Is het niet een enorme fout geweest dat u de politiek bent ingegaan? ‘Zeker, dat is bij nader inzien een grote fout geweest. Maar ja, toen had ik nog geen “nader inzien”, he.’

Het heeft uw reputatie ernstig aangetast. ‘Ja ja. En dat is jammer. Maar goed, wat moet ik daar verder mee? Moet ik mij dan van nu af gaan opsluiten? De omstandigheden hebben ertoe geleid dat ik de politiek in ben gegaan met een nieuwe partij. Dat was het gevolg van consequent optreden. Want in het Huis van An liep ik aan tegen talrijke zaken die niet goed geregeld waren. Die wilde ik van een wettelijk fundament voorzien. Dat ik als politicus vervolgens niet zag wat er allemaal om mij heen gebeurde is mij hopelijk een beetje te vergeven. Moeten we dan blijven stilstaan bij wat er fout is gegaan? Of moeten we leren van onze fouten? Ik kies voor het laatste.’

Er heeft zich iets heel wonderlijks voorgedaan: u bent vader van een slachtoffer van een verschrikkelijk misdrijf. Mensen hebben bij voorbaat sympathie voor iemand in uw situatie. Maar in uw geval is er in de publieke opinie een regelrechte omkering opgetreden. Afwerend: ‘Ik denk daar heus wel over na, maar ik wil mij er nog niet over uitspreken. Ja, ik weet hoe ik mij had moeten opstellen: ik had braafjes moeten zeggen dat alles goed was gegaan, en dat het heerlijk is om in België te leven.’

Dat kan niet kloppen. Want wat Belgen juist bindt is hun algehele afschuw van de overheid. Daarom had u ook dertien procent in de peilingen. ‘Ja, ja. U zegt het.’

Ze zijn u als persoon gaan wantrouwen. ‘Ze zijn kennelijk gaan geloven dat ik geen goede bedoelingen had. Daar zal ik ooit mijn idee over geven. Maar dat doe ik nu niet, omdat ook dat zich tegen mij zou kunnen keren. Ik had bewuster met de pers moeten omgaan. Vanaf de eerste dag hebben ze mij geprobeerd af te breken. Omdat de pers hier politiek is. Iedere krant heeft hier een politieke kleur.’

Had het niet vooral met uw eigen optreden te maken? ‘Ik zal u een voorbeeld geven: één van de ministers verklaarde voor de televisie dat ik munt probeerde te slaan uit wat ik allemaal heb meegemaakt. Als dát het wereldje is, dan pas ik er ook niet in’

Maar dat hebben vast meer mensen gedacht. ‘Dat zal best. Maar daar heb je het weer. Iemand hoeft zoiets maar te beweren en de mensen gaan dat naroepen.’ Hij gaat rechtop zitten in de fauteuil, klinkt nu opeens verbeten. ‘Ga nou ‘ns na: waarvoor zou ik het allemaal gedaan hebben, behalve “voor de zaak zelf”? Wat heb ik er zelf dan aan?’

Uw tegenstanders zeggen: hij genoot van de aandacht. ‘Ja, maar goed. Dat is nu negatieve aandacht geworden, dus dat houdt geen steek. En verdienen doe ik er ook niet aan.’

De overtreffende trap in de kritiek op Marchal kwam voor rekening van Hugo Camps. Die oordeelde vorig jaar in het VARA-programma Het zwarte schaap fijntjes: “Een vader die danst op het graf van zijn dochter is gek of ranzig of allebei”. Dat kwam heel hard aan, zegt Marchal, voorzichtig naar zijn woorden zoekend: ‘Dat was verscheurend. Probeer je voor te stellen dat je kind wordt misbruikt, geketend, vermoord, in de grond gestopt. Je gaat dat kind een jaar lang met man en macht zoeken. Je zou willen ruilen, zou er zo je eigen leven voor willen geven. Je gezin gaat eraan kapot, je blijft met zoveel wonden zitten. En dan gaat er iemand op televisie doodleuk zeggen dat je op haar graf danst…’ Lange, zeer geladen stilte. ‘Dat kan mij nu nog emotioneren.’

Voelt u zich een zwart schaap? ‘Jazeker, ik voel mij een zwart schaap. Maar dan, zoals iemand mij schreef, een zwart schaap, omringd door zwarte wolven.’

Hoe is het voor u om te moeten constateren dat zoveel mensen u niet mogen?Dat moet aan u vreten. ‘Dat zullen we zien, he. Ik denk niet dat ik rijp ben voor een psychiatrische instelling. Tenzij u daar anders over oordeelt. Want er zijn er genoeg die dat gezegd hebben.’

Het bittere is dat u door de aversie tegen uw persoon de zaak zelf misschien wel veel kwaad heeft gedaan. ‘Helaas, ja. Daarom treed ik heel bewust veel minder in de media. Maar als ik niet had gedaan wat ik gedaan heb, was er nu geen opsporingsprogramma op de Belgische televisie. Dan kregen ouders van een vermist kind niet nog vijf jaar kinderbijslag, dan was er in verzekeringspolissen geen mogelijkheid opgenomen om naar een verdwenen kind te zoeken.’

Bent u door al die conflicten en gevechten eigenlijk wel toegekomen aan verwerken? Lachend: ‘Misschien kan ik u hiermee troosten: ik heb nadat An gevonden was een boek toegestuurd gekregen over verwerken van verdriet. En ik heb al één hoofdstuk gelezen. Wel tien bladzijden van de driehonderd! Ik heb voorlopig nog teveel andere zaken te doen.’

Misschien bijt u zich daar wel zo krampachtig in vast om niet in de afgrond van uw eigen verdriet te hoeven kijken. ‘Dat is niet zo. Daar ben je echt mis mee. Ik kijk wel degelijk in die afgrond. Alleen, ik laat de ander niet meekijken. Ik ben zeker geen gevoelloze man. Vanaf de eerste dag dat An verdween heb ik om haar geweend. De reden dat ik al die dingen ben gaan doen is dat ik een zin wilde geven aan het zinloze. Een grafsteen alleen vond ik voor An niet genoeg. An zelf heeft geen toekomst meer, maar die andere kinderen wel.’ An is in Hasselt begraven. Hij komt er vaak, het liefst alleen. ‘Ik hoop dat als ik kom te sterven An wordt opgegraven en bij mij en mijn vrouw wordt begraven. Dat is mijn liefste wens. Onze andere kinderen hebben tegen die tijd hun eigen gezin. An heeft die kans niet gehad. Die hoort terug bij haar papa en mama.’

Hij heeft geprobeerd zijn leven weer op te pakken. In zijn agenda is minimaal een dag per week gereserveerd voor zijn gezin. De jongste van de drie kinderen is nu zeventien, net zo oud als An was toen ze verdween. Hij zegt liever niet over zijn gezin te willen praten.‘Maar ik kan je verzekeren dat er diepe wonden zijn geslagen. Meer dan een jaar heb ik naar An gezocht. Gedurende die periode heb ik mijn andere kinderen verwaarloosd. Ik zal er alles aan doen om goed te maken wat ik fout heb gedaan. Ik wil hun laten zien dat ze voor mij evenveel waard zijn als An. Ik hoop dat we nog veel fijne momenten mogen meemaken, ergens waar ze ons niet herkennen. In het buitenland dus. Daar ben ik ook mee bezig. Ik ben altijd verknocht geweest aan mijn land, aan mijn stad. Maar dat is wel veranderd.’

Wat is er nog over van Paul Marchal van vóór augustus 1995? ‘Het is nog te vroeg om die vraag te stellen. Je moet bloemen niet voortdurend uit de vaas trekken om te kijken of ze nog genoeg water hebben. Dan gaan ze dood. Natuurlijk ben ik niet meer wie ik was. Met An is een stuk van mijzelf doodgegaan. De geboorte van An was één van de mooiste momenten in mijn leven. Mijn eerste kind, wat was ik toen gelukkig. Maar als ik daar nu aan terugdenk, zit daar een zwarte vlek op.’ Fluisterend: ‘Al die prachtige momenten zijn beschadigd, voorgoed bezoedeld. Dat is zo verschrikkelijk. Daarom vind ik het werk in het Huis van An zo belangrijk. Ik wil het toch omzetten in iets goeds. Wát mensen ook van mij denken of zeggen, uiteindelijk gaat het om het resultaat. Het gaat om wat je hebt opgebouwd. Het mag misschien een schamel hutje zijn, maar als je er niet aan had gebouwd had er helemaal niets gestaan. Dan was de dood van An echt helemaal zinloos geweest.’

Voor meer informatie: www.huisvanan.org

© Coen Verbraak, 2001