HENK VAN DER MEYDEN
'HET GENRE GOSSIP IS VERLOEDERD'

6 oktober 2001



Wanneer hij uiteindelijk instemt met een interview stelt Henk van der Meyden wel een voorwaarde: 'ik wil dat je eerst naar mijn circus komt kijken'. Een paar weken later ontmoet ik hem bij Zensation, de voorstelling van het Groot Chinees Staatscircus in Carré. Na afloop van de imponerende show wandelt Van der Meyden tevreden door de kleedkamergangen, onderwijl voortdurend vaderlijk knikkend en handopstekend. Hij spreekt dan wel geen chinees, maar hij kent de leden van het gezelschap allemaal persoonlijk. Aan het begin van de toernee heeft hij het complete circus bij hem thuis uitgenodigd voor een welkomstdiner. Verder organiseert hij samen met zijn vrouw Monica Strotmann een wekelijks uitstapje voor de artiesten en hun kinderen. De ene keer naar de Efteling, de andere keer naar Madurodam. 'Je moet je uiterste best doen om te zorgen dat ze zich thuis voelen. Ze zijn toch maandenlang van huis.' Van der Meyden is gek op circus, zegt hij. 'Je kijkt naar een droomwereld van glamour en glitter. En tegelijk is het zo echt als wat. Daar houd ik van. Als een actrice een avond slecht speelt, kan ze het morgen weer anders doen. Als je in het circus slecht speelt, dan vál je. Die echtheid trekt mij enorm aan'

De reden voor zijn voorwaarde -'eerst m'n circus zien'- laat zich makkelijk raden: hoe je ook over hem denkt, hij maakt ook móóie dingen. Maar daar zijn journalisten nooit in geïnteresseerd, zegt hij later, op de bank van zijn riante Jugendstill-villa in Den Haag. Die willen vooral 'zeuren' over zijn Telegraaf-pagina en het weekblad Privé. Daarom geeft hij hoogstzelden interviews. Maar nu is er een goede reden: volgend jaar stopt hij met zijn "pagina Privé". 'Juni volgend jaar word ik vijfenzestig, eind maart houd ik er definitief mee op.' Hij zal worden opgevolgd door Wilma Nanninga, nu nog hoofdredactrice van Privé. Zij zal leiding gaan geven aan een team van drie, vier mensen dat de pagina moet gaan verzorgen. Van der Meyden zal zich daarna uitsluitend nog bezighouden met zijn theaterbureau Stardust. Het zal wel wennen zijn om straks de krant open te slaan, zegt hij. 'Al ben ik geen omkijker, het zal toch gepaard gaan met weemoed. Vierenveertig jaar is een aanzienlijk deel van je leven.'

Het gesprek verloopt wisselvallig. Meestentijds is de gastheer -gekleed in felrode trui en zwarte broek- vriendelijk en mededeelzaam. Bereid ook om met de interviewer mee te denken, vakman als hij is. 'Heb je hier wat aan? Ja, ik probeer maar wat aardige citaten voor je te bedenken, hoor.' Maar ik moet natuurlijk niet denken dat ik hem als oude rot met welke vraag dan ook kan verrassen. 'Zag ik al aankomen', roept hij regelmatig triomfantelijk. 'Had ik zelf ook gevraagd. Jongen, het is alsof ik in de spiégel zit te kijken.' Maar soms wijkt de goedmoedigheid plotsklaps voor wantrouwen. -'waar ben jij in godsnaam op uit?'-, abrupt gevolgd door vlagen van woede. 'Als jij hier durft te beweren dat wij in Privé niet de waarheid schreven, dan zet ik er nu een punt achter. Dan is dit gesprek over en uit.'

Hij groeide op in Den Haag, als oudste van twee kinderen. Zijn vader was slager, zijn moeder werkte bij de Bouwmeesterrevue. Een jeugd op de puinhopen van de oorlog. Onlangs moest hij er weer aan denken, bij het zien van de beelden van de verwoeste Twin Towers. 'Na het bombardement op het Bezuidenhout waren de ruïnes onze speeltuin. Heel spannend: kogels zoeken, en granaatscherven.' Soms mocht-ie met zijn ouders naar de bioscoop. Zag-ie als jongen opeens de huiskamers in Amerika, met glimmende ijskasten en broodroosters..'Ik was getroffen door het contrast met die grauwe puinhopen waar ik zelf in leefde.' Een dromerige jongen met rood haar die zijn debuut maakte in de kerkbode van dominee De Wilde. Natuurlijk werd-ie soms gepest, 'zoals alle jongens met rood haar'. 'Ik denk dat ik daardoor voor de rest van mijn leven gehard ben.' Fanatiek in hardlopen, dol op ballet -'een kleine, rooie Billy Elliot'- en gedreven door een ongewone belangstelling voor kunst en cultuur. 'Ik hing hele zondagen rond in museum Bredius, ging in mijn eentje naar Chopin-recitals.' Wat hij daar zocht? Van der Meyden glimlacht. 'De betovering van de schoonheid. Het was een ontsnapping. Dat kleine rooie jochie zag Roy Rogers rijden op een paard, en dacht: die wereld wil ik leren kennen. Ik zocht een wereld die anders was, mooier en kleuriger dan de witte kilte van de slagerij.'

Met het ophalen van oude kranten verdiende hij zijn eerste schrijfmachine. Op zijn veertiende schreef Van der Meyden kinderverhalen voor Het Vaderland, onder redactie van Helga Ruebsamen, 'toen de mooiste meid van Den Haag'. Tot vermaak van de drukkers stond-ie vaak te wachten tot zijn stuk van de persen rolde.

Hij verdiende met zijn stukken veertig gulden per verhaal. 'Terwijl mijn vader honderd gulden in de week verdiende.'' Zijn vader stierf in 1983, zijn moeder vier jaar geleden. Ze waren trots op hun zoon. Dat merkt hij nog vaak wanneer hij in Den Haag in een taxi stapt. 'Ze beginnen altijd direct over mijn moeder: "die had het altijd over u".' Hij is de enige die nog over is van het gezin. Zijn acht jaar jongere zus stierf op haar vijftigste. Hij wil er niet te veel over zeggen. 'Het is een pijnlijk verhaal. Laat ik zeggen dat ze erg van witte wijn hield. Dat is uiteindelijk haar dood geworden. Mensen die verslaafd zijn willen dat niet toegeven. Wat ik ook zei, het drong niet tot haar door. Uiteindelijk heb ik op een groot papier geschreven: "wat wil je? Wil je dood of wil je leven? Kies maar". Dat zal twee weken voor haar dood geweest zijn.' Zuchtend: 'Ja, daar ben ik heel verdrietig van geweest. Het ergste was dat ik het toen nog aan mijn moeder moest vertellen. We hebben elkaar alleen maar stevig vastgehouden. Eén lange huilbui van twee uur.'

In 1958 kwam hij bij De Telegraaf. Eerst op de Haagse redactie, kort daarna kreeg hij een eigen pagina over shownieuws. Om het prille medium televisie op de voet te kunnen volgen verhuisde de verslaggever naar Hilversum. 'Dat kondigde ik aan in een advertentie, compleet met telefoonnummer.' Vanaf dat moment begonnen ze 'm te bellen, die artiesten. Tom Manders kwam hem zelfs van huis ophalen. En elke ochtend op de fiets alle omroepen af, op zoek naar nieuws. Van der Meyden: 'In andere kranten stonden vooral dingen op de voorpagina. Ik schreef als eerste over tv-sterren; mensen die je vaker zag dan je eigen familie. Omdat er toen nog maar één net was, had die televisie een geweldige impact. En dat straalde weer af op mijn pagina. Dat is een belangrijke reden voor mijn succes geweest. De artiesten zelf waren er hartstikke blij mee. Ik heb in dit calvinistische land de glamour een beetje in de showbusiness gebracht. Vroeger waren er nooit premièreparty's. Bij Heerlijk duurt het langst (de Schmidt/Bannink-musical uit 1965) zei (producer) John de Crane opeens: "we hebben ook een nazit". Ik vroeg: wat is een nazit? "Nou, we gaan na afloop een borreltje drinken in de bar van Americain." Oh, da's leuk, zei ik, kan ik daar dan foto's laten maken? Ik bracht daar vervolgens een heel leuke pagina over. Bij een volgende première bedacht ik dat het leuk was om na afloop op het toneel foto's te maken, met de artiesten en bekende mensen uit de zaal. Heb ik daarna jarenlang gedaan, als enige in Nederland. Moet je nu 'ns kijken bij een première: staan er vijf cameraploegen en tientallen fotografen.'

Toen je begon wilde je de beste journalist van Nederland worden. Vind je dat dat is gelukt?
'Nou, in elk geval wel de best gelezen journalist. Ik heb gekozen voor een groot publiek. Ik ben een pionier geweest van een genre dat ze "gossip" noemen. Ik noem het liever entertainmentsjournalistiek. Het gebakje bij de koffie. Op elk feestje wordt over mensen gepraat. Dat doe ik in het groot, over bekende mensen. En ik was de eerste die naar Hollywood ging. Met een nachtvliegtuig, dat was goedkoper. Dat soort human interest was nieuw voor Nederland. En wat zie je drieënveertig jaar later? Vrij Nederland heeft zo'n rubriek, en de NRC. De Volkskrant had na de dood van Diana elke dag zo'n rubriek (Dianarama). Al die kranten die jarenlang zo'n grote mond hadden doen het nu zelf. Opeens zien ze allemaal dat het belangrijk is om over mensen te schrijven. De Volkskrant schrijft meer over Máxima dan wie dan ook.'

In 1966 richtte Van der Meyden Concerto op, om zijn theateractiviteiten te stroomlijnen. Bovendien begon hij begin jaren zeventig Club Privé aan het Leidseplein in Amsterdam en presenteerde hij vijf jaar lang voor de TROS zijn talkshow TV Privé. In 1977 gevolgd door de oprichting van het weekblad Privé. Van der Meyden zou er tot 1996 hoofdredacteur blijven. Toch praat hij niet graag meer over zijn geesteskind. 'Ach, daar heb ik al zo'n afstand van genomen. Ik had liever nog veel meer bladen gemaakt. Eigenlijk had ik daar nooit twintig jaar willen blijven hangen. Zo'n weekblad is een kind, waarvan het goed is dat het uiteindelijk op eigen benen komt te staan. Ik ben blij dat ik weer terug ben bij de bron, bij de krant. Ik vind het 't leukst om direct resultaat te zijn. Bovendien ben ik meer een solist. Mijn kracht is niet om met veel mensen te werken. Daar had ik Willem (Smitt, mede-hoofdredacteur) voor. Ik was meer van de ideeën. We hebben heel goede dingen gedaan. Dat specialistenpanel werd een gezaghebbende rubriek. Wij brachten het eerste verhaal over de niersteenvergruizer. Tegenwoordig zie je in alle kranten medische rubrieken. Er is ontzettend veel gepikt en nagedaan.'
Maar het genre gossip is inmiddels verloederd, stelt de oervader teleurgesteld vast. Nee, namen noemt-ie niet. Daar is-ie te fatsoenlijk voor. 'Maar andere bladen komen nu aan met "Het drama van Huppeldepup…" En dan blijkt er alleen maar een hondje weg te zijn.' Hoofdschuddend: 'Dat ondermijnt de kwaliteit. Bij Privé hebben we altijd gezorgd dat het een A-merk bleef. Uit onderzoek bleek ook dat Privé de meeste hoogopgeleide lezers had..Bij bladen als Weekend en Party zie je heel veel c-, d- en z-publiek. Dat zijn duidelijk mindere bladen, met goedkopere onderwerpen. Zoals Privé Máxima gebracht heeft, met grote primeurs, dat was ontzettend goed gedaan.'

Met zijn hoofdredacteurschap van Privé was de reputatie van Van der Meyden als the man you love to hate compleet. Hij heeft er nooit mee gezeten, zegt hij laconiek. 'Dat is nou eenmaal het gevolg als je in dit land iets nieuws begint. Onderhand lézen ze het wel allemaal. Ik heb mij daar niets van aangetrokken. Dat is misschien ook de dikke huid van het jongetje met het rode haar. Vergeet niet: ik kwam bij de Telegraaf in de tijd dat mensen er liever liever een zakje omheen wilden voor ze ermee over straat gingen. De Telegraaf was uiterst verwerpelijk. Maar ook binnen het linkse kamp belden ze mij allemaal. Niemand heeft méér interviews gemaakt met Wim Kan dan ik. En echt niet alleen omdat ik Wout van Liempt (impresario van Kan) goed kende. Het verschil was dat een man als Kan na een interview in de NRC van geen sterveling iets hoorde, terwijl hij bij een stuk van mij bij elke benzinepomp direct op zijn schouders geslagen werd.'

Wat mij opviel is dat je stijl nauwelijk veranderd is.
'Ach, het moet leesbaar en toegankelijk zijn.'

Ik bedoel dat het eigenlijk altijd nogal onbeholpen is gebleven.
'Dat mag jij vinden. Roep maar, joh. Leve de vrijheid.'

Vanwaar die woorden en namen in hoofdletters?
'Oh, dat is ooit begonnen als instructie voor de zetter. Bepaalde woorden wilde ik vetgedrukt, maar omdat ik geen zin had om dat er telkens bij te zetten deed ik het in hoofdletters.'

Waar een verhaal aan moest voldoen voor het in Privé kwam? Van der Meyden hoeft er nauwelijks over na te denken. 'Het moest spraakmakend zijn, het moest de nieuwsgierigheid bevredigen. En het moest wáár zijn.'

Da's een goeie.
Opeens zeer verontwaardigd: 'Nee, nu maak je mij echt heel kwaad. De waarheid stond bij Privé altijd hoog in het vaandel. Wij hebben in twintig jaar tijd zo'n beetje de minste processen van alle bladen gehad. We zijn altijd heel betrouwbaar geweest.'

Dus alles klopte?
'Nou ja… alles. Er zal heus weleens iets tussen gezeten hebben dat niet klopte.'

Noem 'ns wat.
'Ik zou het niet weten…' Plotseling fel: 'Ik heb hier trouwens ook geen zin in. Ik heb geen zin om me te moeten verdedigen. Al dat oudbakken gelul over gossipbladen… De zogenaamde kwaliteitskranten doen precies hetzelfde, maar dan veel slechter. Op gossipgebied hebben we in Nederland echt niets te klagen. Vergeleken met Engeland is het hier Disneyland.'

Het grappige is dat je er slecht tegen kunt als je zelf beroddeld wordt. Toen Panorama ooit schreef dat je misschien homo was, stapte je direct naar de rechter.
'Omdat het niet wáár is. En omdat ze mijn vrouw erbij betrokken. Ze moeten mijn vrouw en mijn dochter (Eliza van elf) erbuiten laten.'

'Dit vak is voor mij gebaseerd op vertrouwen en op afspraken. Er zijn heel veel dingen waar ik expres niet over heb geschreven. Als ik bijvoorbeeld van Sylvia Millecam geweten had dat ze kanker had, had ik dat nooit geschreven. Ik had een heel goede band met haar, was als enige journalist uitgenodigd bij haar begrafenis. Maar dat is nou jouw vooroordeel: oh, Henk van der Meyden schrijft gewoon dat iemand kanker heeft. Nee dus.'

Bij Sonja Barend deden jullie het wel.
'Absoluut niet. Nooit. Niet onder mijn leiding. Dat was Story.'

Hoe had je het gevonden als er over je zus was geschreven?
'Wat een vráág… Ja, ik had het natuurlijk niet leuk gevonden. Maar het is wel een menselijke tragedie. Ik had er uiteindelijk dus wel begrip voor moeten hebben.'

Een week later spreken we elkaar opnieuw. Ik laat hem de kopie zien van de cover van Privé: "Dramatische operatie Sonja Barend in Anthonie van Leeuwenhoekhuis". Uit 1990, dus nog volop onder zijn leiding. Geprikkeld laat hij zijn ogen over de pagina gaan. 'Dit is fake', besluit hij nijdig. 'Dit heb je zelf gemaakt.' Dat is te flauw, zeg ik. 'Goed', zegt hij dan. 'Maar waar hebben we het eigenlijk over? Laten we blij zijn dat die operatie goed is afgelopen.'

We praten verder over zijn aanstaande vertrek. Hij zal, zeg ik, zijn pagina in de Telegraaf als gratis uithangbord wel gaan missen. Smalend: 'Ach gut, daar hebben we de belangenverstrengeling. Laat ik je dit zeggen: negentig procent van onze omzet komt uit Duitsland. Daar kent niemand Henk van der Meyden. En toch schrijven ze er net zulke stukken over.'

Toch nogal een verschil of je ze zelf schrijft.
'Maar als ik het Kirov-ballet breng, dan zijn dat toch produkties waar niemand omheen kan? Dat is toch wereldnieuws?'

Heb je principes in je leven?
'Krijgen we dát weer. Nou, ik wil 's nachts rustig kunnen slapen. Ik heb nog nooit iemand in de maling genomen of belazerd.'

Je kijkt erbij alsof je het zelf gelooft.
'Maar het is zo. Anders hou je dit vak toch geen vierenveertig jaar vol? Maar daar gáán we weer. Ik word zo moe van die flutvragen. Die pagina is de meest gelezen pagina van Nederland. Klaar! Wat jij of Vrij Nederland ervan denkt, zal me echt een zorg zijn. Daar lach ik om.' Hij maakt aanstalten om op te staan. 'Ik heb nu genoeg gezegd. Dit was het.'

Waarom word je nou zo kwaad?
Staccato: 'Ik-heb-er-geen-zin-meer-in. Punt. Ik heb je een plezier willen doen met dit interview, maar ik denk dat het een grote vergissing is geweest.'

Maar wat is…
'Ik ga het niét meer over mijn pagina en over Privé hebben. Ik zeg alleen maar dit: ik heb het gedaan zoals ik wilde en heb daar groot succes mee gehad. Er is niemand die zoveel mensen die nog nooit in het Concertgebouw waren geweest naar klassieke concerten heeft gekregen als ik. Die Ode aan Amadeus, met Van Zweeden en Stenberg, is de bestverkochte klassieke plaat in Nederland. Wat wij hebben opgebouwd op circusgebied is uniek in Europa. Of het nou het Wereldkerstcircus is of het Bolshoi-ballet. Ik heb meer wereldattracties gebracht dan het Holland-festival. Maar ja, dat is niet spannend voor jou.'

'In dit land van middelmaat heb je altijd voor- en tegenstanders. Ik zal wel de geschiedenis ingaan als De Roddelkoning. En misschien in een klein regeltje eronder: hij maakte ook theaterprodukties. Je imago is nooit wat je bent. Zoals jij hier binnenkomt met je vooroordelen… Je moest 'ns wéten hoe hard we werken om elke dag weer iets spraakmakends te brengen. Die gedrevenheid, die nieuwsgierigheid van vroeger is altijd gebleven. Het is één grote schrijfmarathon geweest. Veertienduizend pagina's! Dat doet niemand mij na. Ik ben absoluut de Konsalik van de Nederlandse journalistiek.'

© Coen Verbraak, 2001