NAJIB AMHALI
'Er ontstaat een nieuwe islamiet'

Kerstnummer 2001


Het affiche voor z’n nieuwe programma Free fight heeft-ie laten vernietigen. Jammer, want het zag er prachtig uit: hij in free fight-houding, met op z’n schouder een tatoeage: “in Allah we trust”. Had hij gezien in een film. ‘Maar na elf september kreeg dat een heel vreemde uitwerking’, zegt cabaretier Najib Amhali (30). De elfde september komt in Free fight regelmatig voorbij, verpakt in snelle grappen. Wanneer Amhali in een kroeg een Spa Blauw bestelt, weet de barkeeper wel waarom: “jij moet nog vliegen, zeker”. Maar er zijn grenzen, vindt hij. ‘Ik ben zelf erg bang voor vliegen. In mijn vorige twee programma’s heb ik daar al grappen over gemaakt. Deze keer wilde ik het publiek in het begin meenemen op een vlucht, waarbij ik zelf de purser speelde. Maar zoiets ligt nu te gevoelig.’

Het publiek bij de try out in Lunetten is zeer gemeleerd: uiteenlopend van stereotiepe Hollanders met sterk Utrechtse tongval tot Marokkaanse jongens die ook in de zaal hun wollen mutsen ophouden. Boven, op de galerij, zitten twee meisjes met een hoofddoek. Amhali bespeelt zijn publiek met een verbazingwekkende souplesse, schijnbaar moeiteloos reagerend op elke oprisping vanuit de zaal. ‘Later zullen mijn kinderen misschien vragen: “papa, wat deed jij tijdens de oorlog in Afghanistan?”’, vertelt hij, terwijl op hetzelfde moment het flitslicht van een fototoestel in de zaal zijn blikveld voor even verblindt. ‘Jongen’, zegt hij, alsof het elke avond gebeurt, ‘papa was fotomodel.’

Zijn derde programma moest een volwassen voorstelling worden, had Najib Amhali zich voorgenomen. In zijn vorige programma’s blonk hij nog uit in imitaties en vreemde geluiden. ‘Maar nu wilde ik het over persoonlijker dingen hebben. Over onmacht, over angst.’ 11 September zat hij in de repetitieruimte, toen-ie de Boeings het WTC zag binnenvliegen. ‘Ik hoopte zó dat het geen islamitische terroristen waren. Maar dan blijkt dat het toch geloofsgenoten zijn. En sindsdien is het thema “onmacht en angst” nog sterker geworden. Angst voor de toekomst, voor de gevolgen. Want je realiseert je direct: als Marokkaan val je ook onder de moslims. Dat is zo lullig; Marokkanen hebben al geen goede naam, en dan komt dit er ook nog bij. Het slaat rechtstreeks op je terug. Voor mezelf was ik niet bang, maar ik dacht wel direct aan mijn moeder. Die draagt gewoon een hoofddoek. Dát vond ik zo eng, de gedachte dat zij erop zou worden aangesproken.’

Hij werd na 11 september ook sufgebeld door radio- en televisieprogramma’s die zijn mening wilden horen. Amhali heeft alles afgehouden. Het heeft iets onrechtvaardigs, vindt hij. ‘Ik ben iets aan het opbouwen, probeer verdomme iets van de grond te krijgen door heel hard te werken. Maar dáár bellen ze niet over. Het gaat alleen maar over elf september en over lastige Marokkaanse jongeren.’ Op het tonéél mogen ze een mening van hem verwachten. Daar is hij cabaretier voor. ‘Voor mij is het een uitlaatklep. In mijn programma’s wil ik laten zien dat niet alle Marokkanen hetzelfde zijn. Maar ik heb na elf september het gevoel dat het allemaal voor niks is geweest. Alles is weer terug bij af.’

We spreken elkaar in zijn bovenwoning in Amsterdam, waar hij in de kleine keuken oploskoffie maakt Officieel mag hij niet eten en drinken vanwege de ramadan. Maar omdat hij vanochtend een behandeling bij de tandarts moest ondergaan, vervalt die verplichting voor vandaag. Morgen zal hij weer gewoon vasten. Zo’n periode van abstinentie stimuleert de zintuigen enorm. ‘Je bent extra scherp. Een sinaasappel ruik je al op vijf meter afstand.’ De ramadan vereist voor een artiest als hij wel een nauwkeurige planning. ‘Morgen gaat de zon om tien voor vijf onder. Vanaf dat moment mag je eten. Dan zit ik net in de auto. Daarom ga ik in de ramadan extra vroeg van huis.’ Maar denk niet dat hij nou zo’n vrome moslim is, zegt Amhali. Hij eet geen varkensvlees, maar drinkt wel gewoon alcohol. ‘Volgens mij is er een nieuwe islamiet aan het ontstaan. Mensen die wel bezig zijn met het geloof, maar niet vijf keer per dag bidden. Veel jongeren drinken wel alcohol, maar zullen er niet openlijk voor uit komen. Ik zal echt niet dronken bij mijn moeder aankomen.’

Hij was anderhalf toen hij in 1972 vanuit Nador naar Krommenie kwam. Zijn vader was al vijf jaar eerder naar Nederland gekomen. De eerste lichting gastarbeiders. ‘Soms wilden mensen voelen aan zijn haar.’ Jaren zestig, werk genoeg. Zijn vaders generatie heeft zich echt kapotgewerkt, zegt Amhali ernstig. ‘Ze leerden de taal ook niet. Ze hoefden zich niet aan te passen, want ze woonden toch met elkaar in een pension, in afwachting van de dag dat ze weer terug zouden gaan. Dat is hij mij en mijn drie broers ook later altijd blijven voorhouden: er komt een dag dat we allemaal teruggaan. Terug moéten.’ Op aandringen van zijn vader ging hij een opleiding voor automonteur volgen. ‘Want een paar ooms in Marokko hadden een garage. Daar kon ik dan mooi aan de slag. Maar hoe langer het duurde, hoe meer ik dacht: ik ga niet terug, ga zelf maar. Hij begreep bepaalde dingen van Nederland ook niet. Dan vroegen wij: “waarom vieren wij eigenlijk geen Kerst?”. Nee, daar deden wij niet aan. “Maar waaróm dan niet? We kunnen toch gewoon een kerstboom neerzetten?”Als compromis werd het dan een kerststukje.’

Al snel werd duidelijk dat in Najib Amhali geen getalenteerd automonteur school. Hij verruilde de opleiding voor de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht, omdat-ie liever acteur wilde worden. Zijn ouders vonden dat maar wonderlijk. ‘Acteur is in Marokko geen beroep. Je hebt daar muzikánten, die van deur naar deur trekken. Acteurs bestaan niet.’ Zijn ouders kwamen ook niet kijken wanneer hun zoon op het toneel stond. Maar toen Amhali eenmaal op tv kwam, was zijn vader ‘toch wel trots’. ‘Da’s mijn zoon op tv! Wat? Niet gezien? Najib, geef even een band aan die meneer”.Zijn moeder was er minder van gecharmeerd. Haar zoon verscheen dan wel op televisie (bijvoorbeeld in Pleidooi) maar wel altijd met een wapen. ‘Ik kreeg voortdurend dezelfde rollen, ook in overheidsfimpjes. Altijd vroegen ze mij voor de rol van de ontspoorde crimineel.’ Soms ging dat Amhali te ver. Een gastrol als Turk (!) in Goede Tijden Slechte Tijden sloeg hij resoluut af.

Bij de audities voor Pleidooi deed ook een Brabantse jongen mee. Ene Hans Teeuwen. Het zei Amhali niets, maar zijn buurvrouw stootte hem geheimzinnig fluisterend aan: “dat is die ontzettend grappige cabaretier”. ‘Ik zat naar zijn auditie te kijken. Stomverbaasd. Is hij grappig? Ik vond ‘m juist ontzettend slecht. Dat stuk ging helemaal niet goed. Daarna ben ik toch maar naar zijn show gaan kijken. Nou man, ik ging kapot van het lachen. Zó goed… Ik was totaal niet bekend in dat wereldje, maar kort daarna ben ik ook naar Theo Maassen, Erik van Sauers en Raoul Heertje geweest. Gewéldig. De ene komt uit Brabant, de ander is een neger en de derde is een jood. Hoe zij omgaan met de vooroordelen waarmee ze te maken krijgen…Ik dacht: wat is dit een toffe manier, zeg. Zelfspot wérkt dus.’ Hij deed auditie bij de Comedytrain en werd aangenomen. ‘Marokkanen hebben ook heel veel zelfspot. Toen ik merkte dat dat zo goed aansloeg, wist ik: dit moet ik doen. Ik moet dingen over mijzelf vertellen.’ Dat leverde in zijn eerste programma Vol=Vol, dus kom op tijd een zee aan Marokkanengrappen op, die geen autochtone cabaretier zich zou durven permitteren. Alleen de openingszin al, als variatie op de verzekeringsman van Vicoria Vesta “Als Marokkaan kom ik graag bij de mensen thuis”. In een krappe drie kwartier schetste Amhali in Vol=Vol onder meer het leven van zijn vader. Een man die amper Nederlands verstond, op enkele woorden na: ‘Integratie?… Isj gratisj?’ Als z’n vader al ‘ns meeging naar een ouderavond, dan moest zijn zoon elke opmerking van de leraar voor hem vertalen. ‘Wat “brutale jongen” betekent? Dat ik de beste van de klas ben”.’


Hij heeft geen moment de bedoeling gehad om z’n vader op het toneel belachelijk te maken, benadrukt Amhali. ‘Ik wilde alleen het verschil aanduiden. Mijn vader beheerste het Nederlands slecht. Als kind maak je daar gruwelijk misbruik van. Zaten we op de bank om naar een film te kijken, kwam eerst die omroepster: “deze film is geschkt voor twaalf jaar en ouder”. Vroeg m’n vader: “wat zei ze?” Dat het vooral voor kinderen een erg leuke film is. Bleven we lekker zitten kijken. Soms kwam er een brief van school dat ze met mijn vader wilden praten. “Wat staat er?” Dan verzon ik iets vervelends, waarvan ik wist dat-ie dat niet wilde. “Ja eh… je moet met andere ouders praten over het schoolbestuur. Drie keer per week moet je erheen. Maar het hoeft niet. “Hoeft het niet?” Nee. Nou, brief in de prullenbak. En natuurlijk de brieven van het GAK, he. Die probeerde hij eerst zelf te lezen. Als-ie er niet uitkwam vroeg hij: “kom ‘ns hier, wat bedoelen ze?”. Ja, zei ik dan, je moet invullen wat je verdient en wanneer je op vakantie gaat. Hetzelfde gold voor brieven van de bank. Dat is natuurlijk een heel rare situatie. Ik wist als kind alles; wat mijn vader verdiende, waar-ie het aan uitgaf. Dat is helemaal niet leuk. Ik kon niet zeggen: mag ik die schoenen van honderd gulden? Ik wist dat-ie het niet had. Heel simpel. Daardoor word je snel volwassen. Ik legde mij als kind sneller bij dingen neer. Het had geen zin om te zeuren om een wintersportvakantie. Ze konden niet eens skieën.’

Vier jaar geleden overleed z’n vader, aan een hartkwaal. ‘Zonder afscheid, zonder de mogelijkheid om hem nog iets aan hem te vragen. Ik had ‘m graag veel meer willen vragen over z’n leven. Hoe het voor hem wás om hier te komen, hoe hij het allemaal heeft beleefd. Hij heeft altijd heimwee naar Marokko gehouden. Hoe heeft hij het dan toch volgehouden? Ik kom soms vrienden van hem tegen. Die zeggen dan: “ach ja, je vader, jongen… Ja, ik was brugwachter, en op dinsdag kwam je vader altijd langs om te praten”. Dan denk ik: vertel dóór. Zo leer ik dan weer een onbekend stukje van hem kennen. Ik sta er heel vaak bij stil dat-ie zoveel van mij niet heeft meegemaakt. Ik mocht soms een stukje rijden, naast hem in de auto. Dan zag ik hem denken: dit wordt helemaal niets met die jongen. Na zijn dood heb ik mijn rijbewijs gehaald. Dat had ik ‘m willen laten zien. “Zie je nou dat ik het kan?” Ik had zo graag willen roepen: kijk pa, ik sta een week in de Kleine Komedie. Zie je het, een hele week! Wat zou hij het geweldig gevonden hebben. In het begin speelde ik in gedachten vooral voor hem. Vlak voor de voorstelling deed ik in de coulissen een schietgebedje. En altijd zei ik: moet je ‘ns kijken waar we nou staan, pa. Elke avond opnieuw.’

Inmiddels speelt Amhali vooral voor zichzelf, denkt hij, in een poging om vandaag weer een beter programma te brengen dan gisteren. En vooral in de huidige try out-fase valt dat niet mee. Omdat hij zonder papier wil spelen, vergeet hij nog veel dingen. Natuurlijk niet de leukste grap van de avond. ‘Maar wel de grap die daar weer bij hoort, of het uitstapje dat je daarbij maakt. Het moeilijke van een cabaretprogramma is dat het alleen in je hoofd bestaat. Een pottenbakker kan zeggen: “morgen boetseer ik wel weer verder”, een cabaretier neemt z’n programma met zich mee. Elke dag ben je ermee bezig. Je ziet iets op tv en denkt: “verdomd, daar wil ik ook iets mee”. Het rare is dat hier vrijwel geen taboes meer bestaan. Ik vind het jammer –al klinkt dat ouderwets- dat sex hier op tv te pas en te onpas te zien is. Daar word je gewoon misselijk van. Voor mij hoeft dat niet.’

Hoe vaak is de cabaretier Amhali in discussie met de moslim Amhali?

Met gepijnigd gezicht: ‘Continu. Alles wat ik vertel over het geloof en de islam is toch ingewikkeld. Ik maak grappen over Allah. In mijn tweede programma vertelde ik een verhaal over een Marokkaan die in de hemel komt. Uiteindelijk komt hij bij God. “Kom binnen”, zegt God. “”Maar ik kom voor Allah”, zegt de Marokkaan. “Kom nou eerst binnen… H é Allah, twee koffie hier.” Dat vonden sommigen schandelijk.’ Hij haalt demonstratief z’n schouders op. ‘Maar ik wil geen grappen maken over Allah, ik stel gewoon vrágen. En die vragen leiden soms tot hilarische antwoorden, die ik als mens geef. Ik ben niet uit op godslastering. Ik zal ook geen grappen maken over Enschede of Volendam. Dat is mijn stijl niet.’

Durf je die grap over Allah in Marokko te maken?

‘Ja, ik denk het wel. Ik denk alleen dat-ie daar anders geïnterpreteerd wordt. Wij zijn hier gewend om met meerdere religies te leven. Dat is daar niet zo. Bovendien vinden ze zo’n grap raar uit de mond van een buitenstaander. Want zo zien ze mij. Je bent toch degene die daar elk jaar met een mooie auto, dure schoenen en een dikke portemonnee even de economie komt spekken..’ Hij betwijfelt of hij zijn huidige voorstelling in Marokko zou kunnen spelen. ‘Onder de nieuwe koning kun je echt wel dingen zeggen, maar er blijven grenzen. Laatst werden hier op tv Willem-Alexander en Máxima nagedaan. Ik zei tegen mijn oom: moet je zien, dat kán hier gewoon. In Marokko moet je daar toestemming voor vragen. Daar moet je eerst een brief sturen naar het koningshuis.’

In zijn vorige programma Vene vidi vici weidde Amhali uitvoerig uit over zijn twee vrienden Mo en Karim uit Krommenie, die via kattekwaad langzaam afgleden naar echte criminaliteit. Het verhaal was grotendeels op de werkelijkheid gebaseerd. ‘Ze zijn ook naar het programma komen kijken. Gelukkig vonden ze het geweldig. “Dat was ík, he? Ja, man”. Terwijl het bepaald geen succesverhaal was. Maar ik vertelde er ook bij dat ze niet zo zijn geboren. Door omstandigheden zijn ze die weg opgegaan.’ Mo en Karim zijn exemplarisch voor een deel van de Marokkaanse jeugd, beseft Amhali. En laat-ie eerlijk zijn: hij zat er aanvankelijk ook bij. ‘De vraag is waarom ik uiteindelijk een andere weg gekozen heb. Misschien omdat zij strengere ouders hadden. Zij waren bang voor hun vader, ik niet. En ik kreeg op een gegeven moment plezier in school. Ik dacht: Najib, hoe zie je jezelf graag over vier jaar? Nou, toch met minstens één diploma. Mijn vrienden hadden dat niet. Je moet ook de juiste mensen treffen die je willen helpen. Ik kwam mensen tegen die regelmatig zeiden: “jij bent goed bezig, man. Echt goed. Ga zo door”. Dat heb je nodig.’ Het is een vreemd besef, zegt hij, dat hij nu zelf als succesvolle Marokkaanse cabaretier een voorbeeldfunctie blijkt te hebben. ‘Het enige dat ik kan doen is laten zien hoe ik het gedaan heb. Als ik gevraagd word voor die jongens op te treden in een buurthuis, dan vertel ik mijn grappen, maar leg er ook iets in. “Kijk maar naar mij. Ik ben niet anders dan jullie; ik ben ook niet rijk geboren, ik heb het allemaal zelf gedaan. Maar als je echt wilt, lukt het je”.’

‘Ik ben geen woordvoerder van de Marokkanen, ik spreek namens mezelf. Er is ook geen “woordvoerder van de Marokkaanse gemeenschap”. Maar zodra een imam iets zegt, wordt direct de hele gemeenschap ermee geassocieerd. Is-ie anti-homo, dan denkt de hele Marokkaanse wereld daar zo over. Maar mensen vergeten dat “de Marokkaan” niet meer bestaat. Ik voel mij niet vertegenwoordigd door iemand met een baard in een jurk. Natuurlijk weet ik wat er in de Koran en in de Bijbel wordt gezegd over homoseksualiteit. Maar we leven in Nederland, zeg. Ik ben een groot voorstander van vrijheid. Zo’n Mohammed Rabbae die dan gaat roepen dat je beter geen grappen kunt maken over de islam en de Taliban… Ik dacht: hoor ik dit goed? Wat klétst die man nou… Dan dwing je mensen juist in het verdomhoekje: “nee, over ons mag je geen grappen maken, want wij zijn zielig”. Néé man! Daar erger ik mij dood aan.. Humor is juist belangrijk. Ik ben bij de Comedy Train heel goed bevriend geraakt met Raoul Heertje. Hij is jood, ik ben moslim. Dat geeft een band. Je ziet dat overal in de wereld joden en moslims met elkaar overhoop liggen. Wij zien de goede kanten van elkaar, terwijl we echt vreselijke grappen over elkaar maken. Humor en comedy brengt mensen juist samen.’

© Coen Verbraak, 2001