ERIC NORDHOLT
'IK WIL ER GRAAG NOG EVEN ZIJN'

17 juni 2004



Zeven jaar is hij nu weg bij het Amsterdamse korps. Maar eigenlijk is hij nog altijd een diender, zegt Eric Nordholt (65) met een twinkeling in zijn ogen. ‘Ik ben nog steeds hoofdcommissaris. Ik hoef niet meer naar het bureau, niet meer naar de burgemeester. Ik heb geen vergaderingen meer. Maar ik bén het nog steeds.’ Vroeger hield zijn werk toch ook niet om vijf uur ’s middags op? Nou dan! ‘Als ik nu door de stad loop is dat toch nog steeds Amsterdam? Het is nog altijd de stad waar ik woon en waar ik tien jaar lang voor geknokt heb.’ Hij spreekt weinig collega’s van vroeger meer. Wel “de jongens op straat” natuurlijk. ‘Die komen nog regelmatig op me af. “Dag baas. Hoe gaat het ermee? Wel beter worden, hoor”. Da’s toch mooi, he. Ze hebben echt met me meegeleefd.’


Er volgt een geladen stilte, zoals die tijdens ons gesprek op de zolderverdieping van zijn huis in de Amsterdamse binnenstad vaker zullen vallen. De geuniformeerde zelfverzekerheid van weleer is geweken voor kwetsbaarheid. De epauletten van het gezag hebben plaatsgemaakt voor het juk van de twijfel. Zijn ziekte heeft hem veranderd. Hij realiseert zich dagelijks dat hij door het oog van de naald is gekropen. Vier jaar geleden werd bij Nordholt een Grawitz-tumor vastgesteld, een zeer agressieve kwaadaardige vorm van kanker in zijn nier. De vooruitzichten leken uiterst somber. ‘Ik dacht: het is gebéurd… Vooral door de manier waarop de arts kéék. Daarna kwam de ontlading, met ontzettend veel verdriet. Die klap was werkelijk ongelofelijk.’ Drie weken lag hij in het ziekenhuis, dat najaar van 2000. Vanuit z’n bed kon hij precies het gebouw van de Nederlandse Bank zien. ‘En ik wist: daar vlak achter ligt ons huis. Ik heb eigenlijk drie weken aan één stuk door naar buiten gekeken. Boven mijn bed had ik een schemerlampje, van thuis. Dat heeft dag en nacht gebrand. Ik wilde niet dat het uit zou gaan, ik wilde dat het licht was. Dat gaf rust.’


Was u bang?
Zacht: “Ja. Ik was bang. Dat varieerde ook sterk: van bijna niets tot ontzaglijke angst. Angst voor het lijden, angst voor hoe het eruit zou zien als het afgelopen zou zijn. Er was aanvankelijk alle aanleiding om aan dat einde te denken.’


Hoewel de tumor inoperabel leek, werd er uiteindelijk toch geopereerd. De uitzaaiingen zouden vervolgens met interferron bestreden worden. Totdat het wonder gebeurde: bij de eerste scan na z’n operatie bleken de uitzaaiingen uit zichzelf verminderd te zijn. Een half jaar na de operatie waren ze zelfs helemaal verdwenen. ‘Dankzij die knappe artsen en de geweldige verpleging in het AMC is mijn leven gered.´ Inmiddels is hij drie jaar “schoon”. ‘Maar de angst blijft. Altijd.’ Een paar dagen na ons gesprek zal hij weer naar het ziekenhuis moeten voor zijn halfjaarlijkse controle. ‘Als je daar zit te wachten, kan het geweldig spoken in je kop. Maar mijn radioloog zegt steeds: “als het lichaam in staat is om het zelf op te ruimen, dan is de kans groot dat dat ook grondig gebeurd”. Daar klamp ik mij maar aan vast.’


Hij heeft vaak omgekeken in die periode, vooral toen hij weer thuis was. ‘Het gaat toch om de vraag: hoe ga je nu verder? Daar heb ik veel over nagedacht.’ Het is nog steeds niet gewóón dat hij er nog is, zegt Nordholt. ‘Er gaat geen dag voorbij dat ik mij niet realiseer dat ik nog lééf. Vergeet ook niet dat in diezelfde tijd mijn kleinzoon Erik is geboren. Dat verandert je leven fundamenteel. En het vergroot de noodzaak om er nog te zijn.’ Nordholt is meer dan ooit doordrongen van de eindigheid van het bestaan. Niet dat hij in geleende tijd leeft, dat klinkt te bedacht. De tijd is gewoon kostbaar geworden. ‘Vóór ik ziek werd hebben we een huisje in Spanje gekocht. Daar kan ik niet langer dan twee weken zitten. Zodra ik naar mijn kleinzoon begin te verlangen, denk ik: man, wat doé je hier? Ik heb enorme behoefte om in de tijd die mij rest van betekenis te zijn voor die kleine jongen. Ik speel met hem, praat met hem, wandel met hem door de stad. Hij is pas twee, maar hij vindt het prachtig.’ Weer zo’n pauze, dan heel ernstig: ‘Die jongen zal zich mij later waarschijnlijk niet herinneren. Maar ik hoop zo dat hij dan de liefde zal voelen die ik hem nu probeer te geven. Mijn eigen vader heb ik nooit gekend, maar hij is ongetwijfeld van belang geweest voor wie ik nu ben. Zo kijk ik nu ook naar Erik. Het gaat er niet om dat hij zich aan mij hecht. Ik hoop dat hij later zal voelen dat z’n grootvader van ‘m gehouden heeft.’


Nordholt was zelf pas vier toen zijn vader stierf. Aan een Grawitz-tumor, zoals hij pas onlangs van zijn oudere neef hoorde. Hij werd opgevoed door zijn moeder en zijn stiefvader. Opgegroeid in een rood nest, waar nog geregeld Morgenrood werd aangeheven. ‘Tweestemmig.’ Ze vonden het thuis ook bespottelijk dat hij bij de politie wilde. ‘Dat dééd je niet als linkse jongen.’ Zijn echte vader begon hij pas te missen toen hij zo rond de vijftig was. Nordholt: ‘Als je geen vader hebt, leer je vroeg op jezelf te staan. Je moet als het ware je eigen vader worden.Ik was achtenveertig toen ik naar Amsterdam kwam. Het begin was bepaald niet eenvoudig. Ik kwam met vragen te zitten waarvan ik dacht: ik wou dat ik er met iemand over kon praten die ik volledig vertrouw. Dat is -naast je vrouw- toch je vader. Toen miste ik ‘m opeens heel erg.’

Ziet u in Amsterdam nog de hand van Eric Nordholt terug?
‘Dat is moeilijk te zeggen. Als je naar de stad kijkt, dan moet je wel vaststellen dat er in die zeven jaar dat ik weg ben geen extreme gebeurtenissen hebben plaatgevonden. Amsterdam is relatief rustig. Maar het is lastig om te zeggen: ik herken mijn hand daarin.’

De tijd in Amsterdam is wel de meest indringende periode van zijn loopbaan geweest, wanneer hij er zo over nadenkt. Hij had nooit gedacht dat hij vanuit Groningen naar Amsterdam zou overstappen. Nordholt kende de stad amper. Hij vond Amsterdam te groot, en te druk, en hij was bang voor trams. En wat vond-ie de huizen ook hóóg. ‘Ik was wat dat betreft toch een beetje een provinciaal. Pas na drie gesprekken met Ed van Thijn heb ik de knoop doorgehakt. Later is er door veel mensen gesuggereerd dat wij elkaar voordien allang kenden, maar daar was geen sprake van. We hebben uren gepraat. Veel jenever gedronken, sigaren gerookt. Hij vroeg hoe ik dacht over de stad, over de rol van de politie. Ik vond zijn vragen relevant, en hij vond mijn antwoorden kennelijk adekwaat. Uiteindelijk is de knoop doorgehakt.’

En vervolgens werd u een soort onderburgemeester.
‘Welnee. Daar bestaan heel rare ideeën over, maar het was echt heel simpel: Ed. van Thijn was de baas. Punt.’

Veel mensen dachten dat het andersom was.
‘Dat klopt dus niet. Ik heb in mijn leven twee goede burgemeesters gehad: in Groningen Harm Buiter en in Amsterdam Ed. van Thijn.’

U noemt Schelto Patijn niet.
‘Ik noem Ed. van Thijn.’

Hij spreekt de oud-burgemeester nog regelmatig. ‘Ed heeft mij voor de operatie thuis bezocht. En hij deelde bepaald niet de mening dat het afgelopen was met me. “Jij komt terug”, zei hij. “Ik reken erop”.’

Hebt u ook contact gehad met Patijn?
‘Ik heb Schelto ook gesproken. We zijn allebei ziek geweest. Zo’n ziekte doet een hoop dingen vergeten.’

U bent wel eerder weggegaan door Patijn.
‘Nee. Dat had er niks mee te maken. Ik was uitgeput. Achteraf beschouwd was ik toen al ziek.’

Was u ook weggegaan als Van Thijn er nog had gezeten?
‘Dat weet ik niet. Misschien was ik iets langer gebleven. Het was in elk geval niet zo dat ik dacht: ik wil van Patijn af, dus ik ga weg. Dat Patijn graag wilde dat ik weg ging, is iets anders. Ik denk dat het voor Patijn moeilijk was: hij wilde dé man in de stad worden. Maar er liep volgens hem al zo iemand rond. Dat was één te veel.’

Maar u was ook een soort koning in uw eigen rijk geworden.
‘Zo heb ik het nooit gevoeld. Maar ik vond dat ik als hoofdcommissaris dingen moest kunnen zeggen. Op het ogenblik is er geen enkele hoofdcommissaris die zich ergens nog publiekelijk over uitlaat. Omdat ze allemaal monddood zijn gemaakt.’

Het is hun taak ook niet om zich overal over uit te laten.
‘Waarom niet? Dat vind ik een gevaarlijk en ondemocratisch standpunt. Als politiechef heb je je ogen en oren open. Er is niemand in de stad die een bredere scoop heeft. Je kunt alle problemen helder overzien. Waarom zou je ze dan vervolgens niet aan de kaak stellen?’

Dat kan toch ook in een gesprek onder vier ogen met de burgemeester?
‘Dat werkt natuurlijk nooit. Je moet het naar buiten brengen, je moet zeggen wat er aan de hand is. Dat gebeurt in dit land niet meer. Alles in dit polderlandschap wordt versluierd en verdoezeld.’

Er wordt juist meer dan ooit van alles gezegd en geroepen.
‘Welnee. Ja, Pim Fortuyn deed dat. Maar daarna toch niemand meer? Men roept wel steeds: “we moeten keihard dit, we moeten keihard dat”, maar dat leidt allemaal tot niets.’

De politiek stoorde zich destijds zeer aan u: “Eric Nordholt waarschuwt voor de vierendertigste keer”.
‘Ja, daarom noemde ik ze ook “leuterkonten”. Want weet je nog waar ze kwaad over waren? Dat ik iets zei over criminele Antillianen. Ik stelde ruim tien jaar geleden een probleem aan de orde, dat nadien alleen maar verergerd is. Men zegt dat Bolkestein de eerste was die erover begon, maar dat klopt niet. Ik was de eerste. Bolkestein is een paar keer bij mij op bezoek geweest om te praten over de Antilliaanse en Marokkaanse problematiek. Ik heb hem uitgelegd wat er aan de hand was. Dat heeft hij later in zijn verhaal verwerkt. Hij was de enige die zich er toen voor interesseerde.’

Zat u op één lijn met Fortuyn?
‘Gedeeltelijk. Als die man sprak, dan geloofde je hem tenminste. Als hem iets akeligs was overkomen –een taart in zijn gezicht- en je vroeg hem hoe hij dat vond, dan zei hij: “ik vond het verschríkkelijk. Ik voelde me aangevallen”. De meeste politici zouden zeggen: “nee hoor, ik vond het helemaal niet erg, het smaakte naar meer”.’

Nu chargeert u.
‘Dat moét ook. Omdat ze niet éérlijk zijn! Fortuyn was dat wel. Alleen vond ik zijn tirade tegen de islam niet erg gelukkig. Daardoor ontstond een klimaat waar ik mij onprettig bij voelde.’

Was de LPF uw partij?
‘Welnee. Schei uit! Maar ik ben geen PvdA-lid meer. Omdat die partij de realiteit zo totaal anders heeft voorgesteld dan-ie was. De PvdA heeft stelselmatig zijn verantwoordelijkheid ontlopen op het gebied van veiligheid en multiculturele problemen.’

Zijn die problemen nog te keren?
‘Nee. Ik denk dat het inmiddels te ver is. Het is voor een groot deel onbeheersbaar geworden. Mevrouw Verdonk roept elke avond heel streng in de camera dat ze hard optreedt. Dan denk ik: mens, laat me niet lachen. Ze gaan nu bijvoorbeeld zogenaamd beginnen met het uitzetten van 26000 uitgeprocedeerde asielzoekers. Dat gaat dus nooit lukken Die mensen hebben geen paspoort, of hun land neemt ze niet terug. Bovendien willen de gemeenten niet meewerken. Het is totaal tot mislukken gedoemd.’

U baarde destijds groot opzien met de bewering dat er zeker tienduizend illegale Ghanezen in de Bijlmer zouden wonen. Gelooft u dat nog steeds?
‘Absoluut. Na de Bijlmerramp kon een aantal mensen een verblijfsvergunning krijgen. Stonden er opeens honderden in de rij. In elke flat hadden zogenaamd wel vijfhonderd Ghanezen gewoond. Ik sprak daar een belangrijke vertegenwoordigster van de Ghanese gemeenschap.Ik zei: het zijn er wel veel, he? Ze lachte en zei: “Mister Nordholt, you were right”. Nadien is het alleen maar erger geworden. Loop door de stad, kijk eens wat een Bulgaren, Roemenen en Albanezen hier rondsjokken. En dacht je heus dat die allemaal komen om onze prachtige architectuur te bewonderen? Dan ben je wel heel naief.’

Hij maakt zich zorgen om het land waarin zijn kleinzoon zal opgroeien: een verloederde, verruwde wereld. ‘Neem de tippelzone’, zegt Nordholt. ‘Als je nou één onheilspellend teken van verloedering wil zien dan is het deze plek. Politici kozen er heel bewust voor om zo’n gore plek in te laten richten.’ Schamper, met gespreide armen: ‘Ja vrienden, dan zijn we érg ver heen. Die prostituees moeten juist gehólpen worden. Als beschaafde samenleving moeten we perspectief bieden. Steek je geld in het bouwen van klinieken voor de verpleging van verslaafden. Maar nee, als een soort aflaat creëren we liever zo’n plek, met als toezichthouder de burgemeester.’ Snuivend van ergernis: ‘Dat is niet eens gedogen, dat is het institutionaliseren van de verwording.’ En kijk dan eens, vervolgt Nordholt, naar de Marokkanen die vanuit het Rifgebergte naar Nederland komen. ‘Die mensen leven daar in armoede, in een woestenij. Ze zijn hartelijk en vriendelijk, maar hebben een levenswijze die op geen enkele manier aansluit bij de onze. Wat moeten die nou denken van zo’n tippelzone? Vind je het dan vréémd dat ze onze cultuur minachten? Dat roepen we over onszelf af.’

U bent uw roeping als politicus misgelopen.
‘Dat weet ik niet, hoor. Ik betwijfel of ik als politicus de kracht zou hebben gehad om het systeem te wijzigen.’

Bent u ooit benaderd voor een functie in de politiek?
‘Ik ben ooit door Felix (Rottenberg) gebeld, met de vraag of ik belangstelling zou hebben voor Binnenlandse Zaken. Dat was niks voor mij. Bovendien zouden Kok en Melkert mij vast niet hebben gewild.’

U beweerde destijds ook dat sommige politieke partijen dreigden te worden geïnfiltreerd door de georganiseerde misdaad.
‘Dat wás ook zo. Het ging met name om partijen op lokaal niveau. De Tweede Kamer betrok het op zichzelf en begon direct vreselijk te schreeuwen.’

Om welke partij ging het?
‘Dat is ambtsgeheim. Maar er waren duidelijke relaties.’

In uw tijd als hoofdcommissaris heeft de georganiseerde misdaad zich wel duidelijk verhard.
‘Het is zeker harder geworden. Hoewel het aantal liquidaties door de jaren heen betrekkelijk constant is gebleven. Het is niet fundamenteel erger dan tien, vijftien jaar geleden. Alleen zitten de slachtoffers hoger in de boom, waardoor je ze beter ziet vallen.’ Wat is de grootste teleurstelling in uw loopbaan geweest?
Hij denkt lang na, met getuite lippen. ‘Ik denk toch het rapport Wierenga (waarin het Amsterdamse korps door de Utrechtse korpschef Wiarda werd beschuldigd van corruptie). Dat was een voor Amsterdam vernietigend rapport. Het teleurstellende was dat ik zelf urenlang voor de commissie heb getuigd dat er in Amsterdam juist was gehandeld. Tot op de dag van vandaag vind ik het onacceptabel dat mijn verklaring toen niet werd geloofd.’

Hoe kijkt u naar uw toenmalige collega Wiarda die uw korps zo ernstig beschuldigde?
‘Ik heb die beschuldigingen heel erg gevonden. Dat heb ik ‘m ook persoonlijk laten weten. Nou en of… Het gekke is: Wiarda is een heel goede, knappe hoofdcommissaris geweest, die in Utrecht een prima korps heeft weten op te bouwen. Het had met persoonlijke rancune te maken. Met afgunst. Hoe dan ook: dat rapport was het absolute dieptepunt in mijn politieleven.’

Hebt u bereikt wat u wilde?
Nordholt knikt. ‘Dat geloof ik wel. Met name in menselijke zin. Veel mensen hebben heel lang een verwrongen beeld van mij gehad. Ze zagen mij als een harde man, als een nietsontziende diender. Sonja Barend heeft ooit tegen Van Thijn zelfs iets gezegd als: “ik kan mij helemaal geen emoties bij Nordholt voorstellen”. Een treurige vergissing. Ze konden kennelijk niet voorbij de knopen van mijn uniform kijken. Mijn werk heb ik juist altijd enorm kunnen relativeren. Ik was daarom zeer geroerd door de honderden reacties die ik rond mijn ziekte kreeg, van mensen uit allerlei korpsen en daarbuiten. Ze schreven me namelijk niet omdat ik hoofdcommissaris was geweest, maar om te laten zien dat ze aan me dachten en om me gaven. Daar mag ik uit afleiden dat ik als méns van betekenis ben geweest.’

Durft u weer na te denken over de toekomst?
‘Dat probeer ik wel.’ Hij zwijgt, de blik gefixeerd op een onzichtbare verte. ‘Weet je wat zo gek is?, zegt hij dan. ‘Als je zo dicht bij het einde geweest bent, betekent dat niet dat je er daarna minder bang voor bent. Zeker niet als je weer van het leven hebt mogen proeven. Er is nu een overweldigend gevoel dat ik er nog graag een poos zou willen zijn.’ Opeens staan de bruine ogen vol tranen. ‘Ik kan gewoon nog niet weg’, zegt hij dan, bijna onhoorbaar zacht. ‘Ook voor de kleine jongen.. Ik wil er nog voor hem zijn. Daar zal ik mijn uiterste best voor doen.’ Als ik hem een paar dagen later weer spreek, heeft hij net z’n halfjaarlijkse onderzoek achter de rug. ‘Het was allemaal goed’, zegt hij, hoorbaar opgelucht. ‘Ik heb er weer een beetje toekomst bij.’

© Coen Verbraak, 2002