De schrammen zitten nog op z'n kin. Verder heeft hij last van een geblesseerde rug en een ingedeukte rib. En dan heeft-ie nog geluk gehad. Als Rob Oudkerk (45) een halve seconde later van z'n fiets was gesprongen had-ie het waarschijnlijk niet overleefd. Nu werd alleen z'n fiets door de vrachtwagen geplet. 'Ach, het geeft weer enige relativering', zegt het PvdA-Kamerlid een week later laconiek. 'Je bouwt jarenlang iets op, bent er zowat van overtuigd geraakt dat de wereld niet zonder je kan. Opeens raak je ervan doordrongen dat het allemaal van flinterdunne draadjes aan elkaar hangt.' Hij is er normaal gesproken de man niet naar om lang bij de dood stil te staan. Vroeger, als student medicijnen, was-ie nog wel een echte hypochonder. 'In mijn tweede jaar ging ik met keelpijn naar mijn huisarts. "Wat denk je zelf?, vroeg die man. Ik zei: Hodgkin. En hij weer: "goed, dan moeten we maar een botboring doen". Ik was direct genezen.'
Als huisarts heeft hij regelmatig met ziekte en dood te maken, maar die gevallen betrekt hij in de regel nauwelijks op zichzelf. 'Dat betekent natuurlijk niet dat het mij niet raakt. Ik zit op de fiets naar huis regelmatig te janken.' Dergelijke grote emoties heeft hij in de zes jaar dat hij in de politiek zit in elk geval nooit meegemaakt. Ook niet na het Bijlmerdebat, begin juni 1999, benadrukt hij. 'Al had ik wel ongelofelijk de smoor in. Toch iets van: geef me effe een buks' Zeven maanden had Rob Oudkerk deel uitgemaakt van de Enquêtecommissie die de Bijlmerramp onderzocht. Maar de conclusies in Een beladen vlucht, het rapport van de commissie, bleken in het debat niet te worden onderschreven door een Kamermeerderheid. Ook niet door de PvdA, Oudkerks eigen fractie In de nacht na afloop van het debat voelde hij 'vooral leegte'. 'En "leeg" is echt heel erg', zegt Oudkerk. .'Da's een soort dood. Ik weet het nog heel goed: half vijf 's morgens, het werd al licht. Ik moest iets uit m'n auto pakken. Ik deed de laadklep omhoog, en ben even achterin gaan zitten. Doodmoe, in het licht van de opgaande zon. Er kwam een gevoel van totale leegte over mij heen. Zo voelde het: doodgeslagen. En voor m'n gevoel volkomen alleen. De verliézer. Dat zijn moménten in je leven, hoor.' Hoe het voelde dat z'n eigen fractie hem niet gesteund had? Hij haalt z'n schouders op. 'Ze hebben een politieke afweging gemaakt. Het zij zo. Natuurlijk had ik daar onvoorstelbaar de pest over in. Logisch dat je dan eerst even denkt: ik stap op, hier heb ik niks meer te zoeken. Iedereen die op zo'n moment denkt: "nou ja prima, morgen gaan we weer lekker verder" is niet goed bij z'n kop.'
'Ik vind het een jaar later fascinerend dat ik het nu in delen kan opsplitsen. Want wat hebben we met de Bijlmerenquête bereikt? Alle dingen die in de opdracht stonden zijn in principe goed gegaan. We hebben alle negentig Indianenverhalen ontmaskerd, de lading is boven tafel gekomen, er is een gezondheidsonderzoek gekomen en een noodfonds voor gedupeerden. Het niveau van het debat in de Kamer viel mij alleen zwaar tegen. Ik had verwacht dat Kamer en kabinet zouden zeggen: "mooi werk, jullie hebben de waarheid voor een groot deel boven tafel gekregen". Maar het debat ging voornamelijk over details. We hebben 22 aanbevelingen gedaan waarvan er nadien 21 zijn opgepakt. Allemaal zeer voortvarend. Terwijl onze conclusies niet werden onderschreven. Dan voel je je als schrijvers van het rapport duidelijk niet serieus genomen. In het debat ging het uitsluitend om de politieke consequenties.'
Jij beet je daar zelf ook in vast, ten aanzien van Els Borst.
'Nee, dat is beeldvorming. Ik vond en vind dat Borst een aantal dingen tussen 1994 en 1999 anders had moeten doen. Niet alleen Borst, dat geldt ook voor anderen. Maar ik heb er grote vrede mee dat de coalitie daar niet de consequentie aan heeft verbonden dat ze moesten opstappen. Het succes van een enquête hangt natuurlijk niet af van de vraag of er bewindslieden door zijn gesneuveld. Waarom was de IRT-enquête een succes? Omdat Maarten (van Traa) en consorten genadeloos hebben blootgelegd hoe het zát. Waarom was de enquête van Buurmeijer een succes? Omdat-ie genadeloos liet zien hoe de sociale zekerheid in elkaar zit.'
En waarom was jullie enquête géén succes?
Oudkerk denkt lang na. Zegt dan plechtig: 'Wij waren ongenode gasten op het feest. De boodschap die wij brachten -de RLD functioneert niet goed, de overheid heeft er geen fraaie voorstelling van gemaakt, de ministeries van Volksgezondheid en Verkeer en Waterstaat hebben niet goed gefunctioneerd- was niet populair. En dus werden we als boodschapper vermoord.'
Voor de boodschap van Van Traa gold precies hetzelfde. En die werd helemaal niet vermoord.
'Die was blijkbaar wel genood op het feest. Bij ons was het puur een kwestie van debunken. Alles direct kapotslaan, zodat je er verder niet op hoeft in te gaan. Zeg maar de Jaap de Hoop Scheffer-methode. Meteen na de moedige en verstandige woorden van Thom de Graaf over de monarchie dingen gaan roepen over de papierversnipperaar. Direct debunken, zodat je niet op de inhoud hoeft in te gaan.'
Jullie hadden het door jullie optreden als commissie ook over jezelf afgeroepen. Om te beginnen door het bewust voorlezen van die verkeerde ladinglijst, waardoor onnodig paniek ontstond.
'Dat er paniek is ontstaan is iets waar ik tot aan de dag van mijn dood spijt van zal hebben. Maar ik zou onder ede kunnen verklaren dat we op dat moment echt niet wisten dat die lijst niet klopte. Kijk de verhoren maar na. Diezelfde middag zegt Erhart (Rijksluchtvaartdienst): "u heeft een verkeerde lijst voorgelezen". Waarop ik geïrriteerd uitroep: oh, dat heeft u in drie uur tijd even kunnen concluderen? Dat geeft aan dat we het echt niet wisten.'
Theo van den Doel (medecommissielid) zei later dat jullie het wel degelijk wisten.
'Dat is een leugen. Hij heeft destijds in de commissie gezegd: "als het niet klopt moeten we dat snel corrigeren". "Als…" Dat duidt erop dat hij intern iets anders heeft gezegd dan daarbuiten. Ik wijs er ook nog maar even op dat onze negentien conclusies bij mijn weten nog steeds door de heer Van den Doel worden onderschreven. Hij heeft daar geen voetnoot bij gezet. Als je dan achteraf gaat lopen zeiken is dat niet sterk.' Hij ziet Van den Doel nog vrijwel dagelijks. Maar ze hebben geen enkel contact. Oudkerk, resoluut: 'Ik heb daar totaal geen behoefte aan. Als ik geen contact met 'm hoef te hebben, zal ik dat tot mijn drieëntachtigste zeker niet zoeken.'
Een andere reden voor kritiek was het optreden van de commissie (minus Van den Doel) bij Paul de Leeuw.
Geërgerd: 'Oh, het is een schande. Ach man, schei toch uit. Het enige wat we deden was na maanden opsluiting even een paar aardige dingen vertellen. Juist bij Paul de Leeuw. Omdat er niemand is in Nederland die in staat is om zulke integere programma's over gevoelige onderwerpen te maken als hij.'
Maar jullie zaten daar alleen maar een beetje te ginnegappen; "kijk ons 'ns lol hebben".
'Oh God, dat mag dan zeker niet. Nou, daar verschillen de meningen over,'
Het is toch vrij onnozel om zoiets te doen aan de vooravond van het verschijnen van een rapport over zo'n serieus onderwerp?
'Nou ja, dat vind jij. Het spijt mij wel, hoor. Maar als dát meespeelt bij de beoordeling van de commissie, dan word ik er alleen maar cynischer van. Dat zegt alles over de beoordelaars en niets over ons. Ik vind het eigenlijk te onbelangrijk om over te praten. Als ik kijk naar Annemarie Jorritsma die bij Paul de Leeuw Sinterklaasgedichten zit voor te lezen van een niveau waar mijn kindje van vijf een flink eind bovenuit komt, voel ik heel wat meer plaatsvervangende schaamte dan wanneer een Bijlmercommissie even de uitlaatklep laat veren.'
Oudkerk bestrijdt dat de verhoren van de commissie vaak gekenmerkt werden door effectbejag. Hij heeft, zegt hij, uitsluitend de vragenlijsten voorgelezen. 'Maar als mensen eromheen gingen draaien vroeg ik natuurlijk dóór. ' Om de vele 'betekenisvolle stiltes' die hij daarbij liet vallen moest hij alleen maar 'heel hard lachen'. 'Op die momenten wist ik gewoon niet wat ik moest vragen. Maar in de beeldvorming ben ik dan opeens de Beul, de Inquisiteur, de Arroganterik. Iedereen mag mij de arrogantste klootzak van de wereld vinden, maar dat mag nooit de beoordeling van de enquête beïnvloeden. Het beeld van die arrogante Oudkerk blijft onverwoestbaar. Laat ik het niet ontkennen: ik bén bij tijd en wijle hartstikke arrogant. "Blaaskaak", "haantje", "ijdeltuit", "macho"… ik ben het allemaal. Daarnaast is er net zo goed onzekerheid. Maar dat zien alleen vrienden en vriendinnen. Beeldvorming is het Leitmotiv in Den Haag. Vanmiddag sprak ik nog iemand die zei: "maar jij bent toch al zes jaar uit op de val van Borst?". Terwijl het enige waar ik op uit ben is: haar continue te prikkelen. Ik ben haar grootste kritikaster in de Kamer. Dat is ook mijn taak. Ik was er in 1994 een groot voorstander van dat Els Borst minister zou worden. Als er iemand ervaring in de gezondheidszorg had was zij het. Ik had zulke hoge verwachtingen van haar dat ik de lat torenhoog heb gelegd. En ik moet helaas constateren dat ze dat te vaak niet haalt. Het gaat allemaal veel te traag. Maar dan roepen ze weer: je bent uit op haar stoel. Geen sprake van: ik zou het niet eens kúnnen. Want ik zou graag onderdeel willen uitmaken van een landsbestuur van leeftijdsgenoten. Kwestie van chemie. Bovendien heb ik teveel kritiek op het departement om er leiding aan te kunnen geven.'
Dat in de verhoren soms met twee maten werd gemeten -streng voor de onderhoudsmonteur, coulant voor de minister- is volgens Oudkerk 'wel een beetje waar'. 'Ik was terughoudender tegenover de ministers. Omdat ik toch geïmponeerd was. Dat gold voor de hele commissie: de vraagstelling aan ministers, en ook aan Lubbers en Kok, was anders. Het verbaasde mijzelf ook, maar het gebéurde gewoon. Uiterst verrassend. Waarschijnlijk toch een soort autoriteitenontzag. Borst en Jorritsma hadden hun antwoorden ook zo goed voorbereid dat ik er niet tussen kon komen.'
'Ik kan zó vierhonderd fouten opnoemen die we gemaakt hebben. De belangrijkste fout is geweest dat we ons in een tijdskeurslijf hebben laten dwingen. We waren nog niet klaar met de voorgesprekken en het feitenonderzoek toen we al aan de verhoren moesten beginnen. Pas drie weken voordat het rapport uitkwam kregen we de papieren over de lading. We hadden de tijd niet om sommige hoofdstukken nog 'ns goed na te lezen. Ik denk dat de onderbouwingen van sommige deelconclusies beter hadden gekund. Geef mij zes weken de tijd en ik schrijf het allemaal heel anders op. Neem conclusie 17 ("de Kamer is te vaak onduidelijk, onvolledig, ontijdig of onjuist geïnformeerd"). Ik zou dat nu veel meer concretiseren. Nu had men de gelegenheid om te zeggen: "ja, we zijn wel twintig keer fout geïnformeerd, maar één keer ging het over peanuts". We gaven ze de gelegenheid om te debatteren over de zwaarte van de "O"'s. Ik zou het nu veel feitelijker doen. Niets dan de feiten, droog als een doorgekookte aardappel. Laat de Kamer zelf maar concluderen of het onjuist was. Dat was honderd keer zo sterk geweest. Pas dan had de Kamer beseft dat hier de hele controlerende functie van het parlement in het geding was.'
'Natuurlijk dacht ik na die nacht van het debat: vanaf nu kan iedereen de kolere krijgen. Dat heeft ook echt wel even een zomertje geduurd. Ik moest mezelf de gelegenheid geven om weer normaal te worden. Ik was sociaal volstrekt gedepriveerd. Marieke (zijn vrouw) zei dat ook: "je bent onmogelijk om mee om te gaan. Je krijgt twee maanden om te herstellen". Ja, dat klonk als een ultimatum, en ik denk dat het voor haar ook een soort ultimatum wás. Ik kon ook in ons gezin (Oudkerk heeft twee kinderen, van vier en vijf - CV) niet meer normaal reageren. Als Olivier een witte blouse aanhad was dat voor mij een onderdeel van een "wit pak". We deden thuis een keer een invulspelletje. Bij "giftige…" riep ik niet "paddestoelen" maar "gassen".Volkomen gedeformeerd.'
Wat heeft het Bijlmerdebat betekend voor het contact tussen jou en Ad Melkert?
'Op dat moment vond ik 'm een ont-zet-ten-de rotzak. Dat is niet meer dan menselijk. Normaal vind ik Ad geen rotzak. Integendeel. Maar ik was zwaar teleurgesteld en gefrustreerd. Een week later, in een evalueringsgesprek, vroeg-ie aan mij: "En? Hoe zit het nu met jou? Ben je nu zo afgeknapt dat je geen zin meer hebt?". Ik zei: ja, op dit moment heb ik het even helemaal gehad. Ik heb in die tijd zeker tussen de vijftig en de zestig keer gedacht: ik stap op. Tot aan de zomer heb ik ook geen enkel debat meer opgepakt. Omdat ik merkte dat het mij allemaal niks meer kon verdommen. Daar schrok ik erg van. Moet je nagaan; ik had mij vier jaar lang als een idioot opgewonden over de apothekersinkomsten. Daar ging ik voor door roeien en ruiten. Maar toen er half juni een debat over was merkte ik dat het mij geen flikker kon schelen. Angstaanjagend gewoon. Ik dacht: het moet wél terugkomen, anders moet ik absoluut weg.' Maar het is inmiddels weer he-le-maal terug, verzekert Oudkerk. Ergens vorig najaar begon het weer te kriebelen.. 'Ik maak nu weer als een gek rapporten, zit er weer bovenop. Godzijdank. Anders was er iets heel leuks in mijn leven vermoord geweest..'
Het voelt een beetje als een herstel na een ernstige ziekte, zegt hij. 'Ik heb met Maarten van Traa vrij kort voor z'n dood uitgebreid gesproken over de IRT-enquête. Ik weet nog goed dat Maarten zei: "het is gek, maar ik kan niet meer wennen". Dat herken ik heel sterk. Het meedoen aan zo'n enquête is absoluut een life event. En van life events verander je. Je wordt nooit meer helemaal de oude.' Hij moet, zeg ik, in die dagen wel spijt gehad hebben van het feit dat hij in 1997 niet de kans aangreep om partijleider in Amsterdam te worden. Dat klopt, beaamt Oudkerk. 'Daar denk ik eigenlijk nog steeds met spijt aan terug. Maar dat heeft niets met de Bijlmer te maken. "Kiezen" is "verliezen". En ik weet zeker dat ik toen de juiste keuze heb gemaakt door in Den Haag te blijven. Als de kans zich vandaag opnieuw zou voordoen zou ik wéér voor het Kamerlidmaatschap kiezen. Hoewel ik zo langzamerhand wel moet gaan nadenken of ik hierna door wil gaan of niet. Ik heb altijd gezegd: acht jaar is genoeg. Rationeel vind ik dat nog steeds; niet nóg een keer Oudkerk. Maar aan de andere kant begin ik het hier steeds leuker te vinden.' Daar staat tegenover dat hij er na zes jaar in de politiek als mens niet op vooruit is gegaan. Oudkerk: 'Ik ben onaardiger geworden. Cynischer, minder aangenaam in de omgang. Marieke zegt weleens dat ik in discussies met haar soms doe alsof ik bezig ben in de Kamer. Dat is het ergste verwijt wat ze me kan maken. Als je thuis gaat debatteren op een politieke manier -koel zakelijk, uit op winst- ben je wel heel ver afgedreven.' Of dat het wel waard is? 'Ja', antwoordt hij onmiddellijk. 'Want hier kun je werkelijk meehelpen om de dingen te veranderen. Je hebt een klein beetje macht om onrechtvaardigheid weg te poetsen. Die betrokkenheid is mijn drijfveer.'
Ik vraag of hij zich inmiddels weer op z'n gemak voelt in de PvdA-fractie, die hem vorig jaar in de kou liet staan. Hij knikt. Al beseft hij terdege 'dat je voor vriendschappen niet in de fractie moet zijn. Ik heb een paar vaste kornuiten -Bert Middel, Adri Duivesteijn, Sharon Dijksma- en verder heb ik niet zo veel contacten. In de vorige fractie was dat net zo; toen ging ik ook maar met een handjevol mensen om: Rick, Adri, Marjet… Hooguit een stuk of tien.' Ja, dat dagboek van Marjet van Zuijlen was 'effe niet gezellig'. Da's nog zacht uitgedrukt: hij was woedend over de ontboezemingen van zijn fractiegenote. 'Met name dat ze dingen heeft opgeschreven uit vertrouwelijk overleg vond ik onacceptabel. Ik ga niet vertellen wat ik thuis allemaal heb lopen vloeken, maar het was niet mis.' Alles is wel heel gebleven, verzekert hij. 'En anders had ik de rekening naar Nijmegen gestuurd. Aan de andere kant: één van de eersten die mij na het ongeluk belden was Marjet. Dat is nou weer net de aardige dynamiek van het leven.'
Zij suggereert in haar dagboek dat jij één van de lekken in de commissie was.
'Ja, dat denkt ze. Onzin. Er is tijdens de enquête drie keer iets naar buiten gekomen. In twee gevallen ben ik erachter gekomen wie het was.' Verwijzend naar z'n woonadres: 'Maar dat blijft het Geheim van de Spaarndammerstraat.'
Ze schrijft ironisch: "Rob zal inderdaad nooit lekken tegen de pers. Die fluistercampagne tegen Jacques Wallage in de vorige periode, daaraan had hij part noch deel".
'Daar heb ik erg om moeten lachen. Destijds stond op de voorpagina van de Volkskrant dat Van der Ploeg, Duivesteijn en Oudkerk de positie van Wallage ter discussie stelden. En ik herinner mij nog heel goed de grote foto van ons drieën. Als Van Zuijlen dat een fluistercampagne vindt, krijgt ze van mij de Dikke Van Dale cadeau. De verklaring is simpel: waarschijnlijk heeft Marjet toen gedacht: hé, ik mís iemand op die foto. Dat zou weleens de oorzaak kunnen zijn.'
Jullie kwamen in 1994 dankzij Felix Rottenberg in de Kamer, met de bedoeling om het politieke debat weer nieuw leven in te blazen. Dat is niet echt gelukt.
'Dat ben ik niet met je eens. Het uitgangspunt was dat er wat mensen zouden komen die met "Rottenberg-schwung" de zaak zouden aandraaien. Je kunt veel van Duivesteijn zeggen, maar dát heeft-ie absoluut gedaan. Idem Van der Ploeg. En het geldt ook voor mij. De onvrede die wij hadden met het technocratische van de fractie heeft ook feitelijk gevolgen gehad. Er is absoluut een verband tussen ons optreden en het vertrek van Jacques Wallage.'
Wat het belangrijkste verschil is tussen Wallage en Melkert? Oudkerk hoeft er nauwelijks over na te denken. 'Melkert omringt zich bewust met mensen die het niet met hem eens zijn. Wallage deed het omgekeerde. Jacques was heel aanwezig, sturend aanwezig. Dat vonden we vaak nogal verstikkend. Achteraf was Wallage geen slechte fractievoorzitter, voor die periode. Maar het is heel goed geweest dat die wisseling heeft plaatsgevonden. Eerst dacht ik dat dat kwam door de ruimte die je krijgt, maar dat klopt niet. Ad bemoeit zich met alles, controleert elke motie, soms tot het ergerlijke toe. Dat geeft tegelijkertijd meer debat, waardoor het minder verstikkend wordt. Vroeger was-ie al een ongelofelijke bemoeial. Als hij woordvoerder Peper en Zout was, bemoeide hij zich niet alleen met alle andere ingrediënten, maar ook met de complete tafelschikking. Als je 'm op straat ziet lopen, denk je: "wat lóópt daar?". Maar hij is zo onvoorstelbaar slim. Eigenlijk vreselijk vervelend slim. Op afstand de beste man. Hij kan daardoor politiek ook goed manipuleren. Hij heeft alles in huis om het zowel ten goede als ten kwade te gebruiken. Ik heb het heel bijzonder gevonden dat Ad voor het begin van de enquête vroeg: "vind je het geen probleem omdat je zelf joods bent? Want: El Al…" Dat vond ik echt fantastisch van 'm. Voor mij was dat joods-zijn geen bezwaar, maar het was wel een heel plausibele gedachte.'
Zijn deelname aan de enquête werd hem in sommige joodse kringen zeer kwalijk genomen. 'Mijn moeder kreeg reacties als: hoe kan Rob nou meedoen aan een anti-joodse enquête? Beyond any reality', zegt hij, met merkbare ontzetting. 'Tegen mij mogen ze alles zeggen, maar tegen mijn moeder is dat schofterig.' Oudkerk zelf kreeg dreigbrieven; dat-ie als jood moest oppassen. Hij heeft zich werkelijk bedreigd gevoeld, beaamt hij. Ook nu nog. Maar daar wil hij 'pertinent niet' over praten. Ik vraag of bij die dreigementen meespeelde dat hij een kleinzoon is van David Cohen, in de oorlog mede-voorzitter van de Joodsche Raad. 'Weet jij het?', antwoordt hij vinnig. Hij was twaalf toen zijn opa overleed. Pas jaren later las hij bij Presser over de andere kant van z'n grootvader. 'Dat is het belangrijkste wat ik hem had willen vragen: wist je het of wist je het niet? Dacht je echt dat de Duitsers jouw lijsten alleen maar gebruikten om werk te verschaffen? Toch denk ik dat hij godsongenadig naïef is geweest. Hij nam voor de oorlog soms wel vijf vluchtelingen tegelijk mee naar huis om te komen eten. Zou zo'n man vijf jaar later dan collaboreren met de Duitsers? Dat gaat mijn voorstellingsvermogen te boven.' Oudkerks moeder heeft zich na de oorlog een uitgestotene gevoeld, weet hij. 'Ze mocht niet in de synagoge trouwen vanwege mijn grootvader. Dat gaat heel ver.'
Zijn vader had vier jaar ondergedoken gezeten. Na de oorlog bleek bijna niemand van zijn familie meer in leven. Het moet een vreemd besef zijn, zeg ik tegen Oudkerk, dat de familie van zijn vader waarschijnlijk op de lijsten heeft gestaan die zijn grootvader van moeders kant heeft gemaakt. 'Ik weet daar te weinig van af', antwoordt hij afwerend. 'Mijn vader heeft er nooit een woord over gezegd. Ik weet alleen dat mijn vader stervensdol was op mijn grootvader. En waarom? Zijn hele familie was dood. Hij was blij met elk familielid dat hem werd aangeboden. Hij was ook ontzettend blij met mijn geboorte. Mijn vader heeft een loodzwaar leven gehad: vaak ziek, altijd depressief. Als in de oorlog bijna je hele familie wordt uitgemoord en je vervolgens een vrouw trouwt die doodgaat aan kanker (zijn eerste vrouw) dan kan ik mij goed voorstellen dat je niet meer wilt leven. Hij is onder behandeling geweest bij professor Bastiaans, is zelfs geshockt, en heeft meermalen geprobeerd om zelfmoord te plegen. Maar op de dag van mijn geboorte liep hij zingend en dansend door de sneeuw. Het is één van de weinige momenten in zijn leven geweest dat hij het gevoel had dat hij erbij hoorde. Hij had mij gemaakt; zijn geslacht werd voortgezet, ondanks dood en ellende. Ischa Meijer schreef ooit over "een jongetje dat alles goed zou maken". Daar begrijp ik veel van. Ik faal er te faliekant voor, hoor. En het verleden echt goedmaken is ook godsonmogelijk. Al komen er tien Oudkerkjes die allemaal directeur worden van Endemol en Philips… dat kan niet. Maar door mijn afkomst ben ik feller, alerter, meer op mijn qui vive. Ik let scherper op onrecht en onmacht. Mijn vader had geen macht om zijn onrecht ongedaan te maken. Ik kan als politicus misschien een heel klein beetje helpen om onrecht om te buigen tot recht.'
© Coen Verbraak, 2000
|