BRAM PEPER
'DEZE FLINKE JONGEN HEEFT VEEL GEHUILD'

12 juli 2003



Hij heeft zijn gevecht tegen de accountants van KPMG dan wel gewonnen, maar van een overwinningsroes is bij Bram Peper (63) niets te bespeuren. Hij praat op gedempt volume, met een gedragenheid alsof ergens vlakbij ons tafeltje in het Haagse restaurant Corona een overledene staat opgebaard. Maar ja, er is in z’n privé-leven dan ook nogal wat gebeurd: na twaalf jaar kwam er een onverwacht einde aan zijn relatie met Neelie Kroes. De scheiding zal binnenkort worden uitgesproken. ‘Als ze vragen: “hoe gaat het?”, zeg ik: nou, aan de buitenkant prima. Want –en dan citeer ik altijd Reve- ik leef voor mijn volk.’ Hij lacht, mismoedig. Want aan de bínnenkant heerst vooralsnog de woestenij. Zijn bestaan is momenteel ‘geamputeerd’. ‘Maar ik ga op 11 augustus naar de Stones in de Kuip. Die hebben een mooi nummer: Time is on my side. Ik hoop dat ik dat uiteindelijk ook kan zeggen.’

In maart 2000 trad Bram Peper af als Minister van Binnenlandse Zaken, in verband met een onderzoek naar de vermeende “bonnetjesaffaire”. Twee jaar later oordeelde het College van Beroep voor het Bedrijfsleven dat het onderzoek van KPMG naar Pepers declaratiegedrag “onvoldoende en onjuist” was geweest. In maart 2003 kwamen Peper en KPMG een schikking overeen. Daarmee is er voor hem een streep onder de zaak gezet. ‘Ik ben gerehabiliteerd.’ Tuurlijk, hij weet dat er altijd mensen zullen blijven die zeggen: “waar rook is, is vuur”. Kan hij niet mee zitten. ‘Ik hanteer sinds enige tijd graag het spreekwoord: “waar rook is, is soms een pyromaan langs geweest”.’

Het zijn drie loodzware jaren geweest, zegt Peper. Hij heeft ook heel bewust sober geleefd. ‘Ik heb enorm gelet op m’n conditie, omdat ik in 2000 het gevoel had alsof ik mij moest voorbereiden op de Olympische Spelen. Wat mij zo moedeloos maakte was de achterstandspositie van waaruit je in je eentje moest terugvechten. In die tijd hadden accountants nog een vrij respectabele naam.’ Na de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven kreeg-ie felicitaties van Wim Kok en bloemen van de PvdA-fractie. Maar tijdens het onderzoek hoorde-ie bitter weinig van z’n politieke geestverwanten. ‘De bijval is niet indrukwekkend geweest’, blikt hij terug. ‘Je bent gecriminaliseerd. Er is dus bijna niemand die een poot voor je uitsteekt. Behalve een paar vrienden: Adri Duivesteijn is een echte kameraad gebleken, net als Gerrit Zalm. Ook Melkert en Rottenberg hebben me gesteund. Verder niemand. Je leert je vrienden kennen.’ Cynisch: ‘De PvdA blijkt dan een bijzonder warme partij te zijn. In m’n milde buien begrijp ik het ook wel: als er een accountantsrapport verschijnt met zulke ernstige aantijgingen, dan leg je dat niet klakkeloos naast je neer. Want waarom zou je aan de betrouwbaarheid van accountants twijfelen? Achteraf heeft het me hogelijk verbaasd dat de minister-president niet heeft ingegrepen. Hij had onmiddellijk de Rekenkamer moeten inschakelen. Maar er was weinig behoefte aan interventie. Ik ben afgetreden om het openbaar bestuur niet te belasten, en mezelf te kunnen verdedigen. Toen het conceptrapport was verschenen (17 maart 2000) heb ik dertig kantjes (11 mei 2000) geschreven aan Klaas de Vries (zijn opvolger). Ik vroeg hem of-ie die brief ook aan Kok en de Kamer wilde geven. Dat is nooit gebeurd. Het leek erop alsof ze mij zelfs m’n verdediging niet gunden. Ik was duidelijk geen prioriteitsaandeel meer. Je bent politiek dood, en dan moet je in je graf blijven liggen. Dat is voor iedereen het beste.’

Het onderzoek door het Openbaar Ministerie was misschien nog wel het zwaarst, denkt Peper. Hij werd negen dagen –in totaal zestig uur- verhoord. ‘Ik ging er opgewekt naar toe, omdat ik niks te verbergen had. Die mensen doen ook gewoon hun werk, maar het ging soms echt over keutels; waar was u op die en die dag en wat deed u zo en zo laat? Er is zeker vijftigduizend gulden recherchewerk besteed aan onderzoek naar een bezoekje van Neelie en mij aan Londen. Dat ging om een bedrag van zeshonderd gulden, Neelie had haar eigen ticket betaald. Je schaamt je ondertussen rot tegenover al je bekenden. Iedereen wordt ondervraagd: vrienden, secretaresses. Daar heeft Neelie zeer onder geleden. Ze hebben haar persoonlijke administratie bij Nijenrode (waar Kroes president was-VN) weggehaald, wat helemaal niet mócht. Je wordt geheel uitgekleed. Allemaal vanuit de gedachte: hier zit een smerige boef en dat zullen we bewijzen ook.’

Wat voor belang had KPMG er dan bij om u aan de hoogste boom op te hangen?
‘Het is natuurlijk een vrij nieuwe tak van sport: forensic accountancy. Ze zagen een fantastische markt in de openbaar bestuur-sector. Het verhaal ging dat er nog een verborgen agenda was: Rotterdam heeft als één van de weinige steden nog een eigen accountantsdienst. De bedoeling was aan te tonen dat die dienst niet goed had opgelet. Dat zou je dus voortaan eigenlijk aan profs als KPMG moeten uitbesteden.’

Maar nu is hij dus in ere hersteld. Tenminste, zo voélt Peper dat. ‘Dat is ook de enige reden dat ik onlangs een koninklijke onderscheiding heb geaccepteerd. Want je krijgt geen onderscheiding met een strafblad.’ Ze hadden ‘m vooraf gepolst of-ie zo’n eerbetoon wel zag zitten. ‘Voordien zei ik altijd “nee”. Maar ik heb het nu gedaan voor m’n lieve moeder.’ Kijk, hier staat het nog in z’n agenda: 11 april, half twaalf, KO in het torentje van JPB, samen met Job C. Hij glimlacht. ‘En dan te bedenken dat ik er zelf, met overtuiging, honderden heb opgespeld.’

Hij spreekt niemand meer uit de Rotterdamse gemeenteraad. Daar heeft-ie geen enkele behoefte aan. “Ik heb de hoogste onderscheiding van de stad teruggestuurd. Daar sta ik nog steeds achter. En ik verbied het maken van een portret voor de portretgalerij voor burgemeesters in het stadhuis. Ze zullen zich eerst behoorlijk verontschuldigen.’ Aan een gesprek met zijn opvolger Opstelten heeft Peper al evenmin behoefte. ‘Zijn lafhartige gedrag ten aanzien van mij, zijn animo om volop mee te doen aan list en bedrog is voor mij voldoende reden om geen enkel contact te willen.’ Hij heeft Opstelten de afgelopen tijd met verbazing gevolgd. ‘Laat ik zeggen dat-ie op een buitengewoon handige manier gebruik maakt van het gezagsvacuüm in Rotterdam. Zoals-ie Leefbaar Rotterdam heeft omarmd, dat is van een slimheid die wel erg sterk lijkt op opportunisme. Het hele klimaat van “veiligheid en stoerheid” heeft hij als een moderne Dikkerdak bewonderenswaardig benut. Hij is een lichtgewicht, een leeghoofd, maar hij weet er met z’n bescheiden middelen veel uit te halen. Da’s óók een talent.’ Tegen mij: ‘Schrijf die laatste zin er wel bij, hoor. Anders komt het zo rancuneus over.’

Hij mag dan het gevecht gewonnen hebben, de prijs is hoog geweest, vindt Peper. Te hoog. De breuk met Neelie Kroes heeft zeker met het gevecht van de afgelopen jaren te maken. ‘Dat kan niet missen. Ik heb weleens tegen Neelie gezegd: het heeft jou meer aangegrepen dan mij. Zij heeft een wat aardsere oriëntatie op de wereld. Ik heb nogal eens de neiging om wat te helicopteren, te relativeren en afstand te nemen. In zo’n strijd is dat buitengewoon handig: je kunt naar jezelf kijken als object in een proces.’ Het verlies van z’n ministerschap woog voor hem niet echt zwaar. Zo leuk was dat nou ook weer niet. De Haagse cultuur was niet op zijn temperament toegesneden. ‘De werkwijze van de Kamer en de regering is er eigenlijk op gericht dat je nooit mensen ziet. Den Haag is heel erg introvert. Als burgemeester ben je veel meer verbonden met de stad. Je weet dat je als burgemeester, mits je het niet al te dom aanpakt, ook lang kunt blijven. Je kunt daardoor meer beleid maken.’

‘De politiek lijdt ernstig aan het feit dat altijd iemand anders verantwoordelijk is. Mensen duiken weg achter instituties. En instituties hebben geen geweten, zijn nooit verantwoordelijk. Die gesloten politieke cultuur kweekt bange mensen.’ Hij voelde zich een buitenstaander in Den Haag. En anderen zagen hem op hun beurt dikwijls als dwarsligger. Hij weet het nog precies: voorjaar 1999, het tweede kabinet Kok was net gelijmd. De meerderheid van het kabinet wilde Jacob Kohnstamm als nieuwe burgemeester van Utrecht. Maar Peper droeg Annie Brouwer van de PvdA voor. ‘Toen zei een meerderheid van het kabinet: we volgen de voordracht van de minister niet, we kiezen Kohnstamm. Die was ook voorgedragen door de vertrouwenscommissie. Ik heb niets tegen Kohnstamm, maar ik vond Brouwer net iets beter. Toen heb ik uit volle overtuiging gezegd dat ik in dat geval zou opstappen. Waren we net gelijmd, zeg. Het werd een heel gek debat, dat verschrikkelijk hoog opliep. Wim Kok zei tijdens de schorsing: “als je maar weet dat ik niet opnieuw naar de Koningin ga”. Dat hoeft ook niet, riep ik, want ik ga alleen. In de laatste ronde zei ik: ik stel geen ander voor, ik persisteer bij mijn opvatting. Opeens nam Benk Korthals (minister van Justitie – VN) het woord. “Ik ben het geheel met de heer Peper oneens. Alleen ben ik er wel van overtuigd dat-ie doet wat-ie zegt.” Toen draaide Korthals om, en ging de VVD alsnog mee in mijn voordracht.’

Ja, daar is hij nou eenmaal vrij makkelijk in. Dan maar geen minister. Van nature is hij ‘vrij onthecht’. Peper vermoedt dat dat ontstaan is door de vroege dood van z’n vader, in 1964. Altijd een oersterke vent geweest. Fietsenmaker, na de oorlog omgeschoold tot metaaldraaier. Communist geweest, in het verzet gezeten, veel vakbondswerk gedaan. Totdat-ie op z’n zesenveertigste geveld werd door kanker. Hij ziet ‘m nog zo liggen, op z’n sterfbed. Peper was toen vierentwintig. Bijna veertig jaar later draagt hij nog steeds de ring die z’n vader ‘m gaf, vlak voordat hij stierf. ‘Door zijn dood werd het fundament onder mijn bestaan weggeslagen. En ik werd vooral getroffen door het fenomeen van het toeval, van de blíndheid van het toeval. Mensen zoeken graag naar een verklaring, maar soms ís er helemaal geen reden. Als je die betrekkelijkheid inziet, ga je sterk relativeren. Dat zorgt ervoor dat je wat losser van de dingen komt te staan.’ Hoe vaak hij als burgemeester ook ‘gedoe’ heeft meegemaakt –‘stakingen, gedonder in de haven’- hij bleef vrijwel altijd kalm. ‘Dat heb ik geleerd: rustig blijven. Kalmte kan ons redden.’ Toen de Koningin in 1992 op Koninginnedag Rotterdam zou bezoeken, werd Peper vooraf met de dood bedreigd. ‘Ik kreeg een keurig gestelde brief, waarin de schrijver aankondigde dat hij mij die dag absoluut zou vermoorden. Hij wist best dat-ie opgepakt zou worden in de menigte, maar dat had-ie er graag voor over. Ik heb die brief aan de plaatsvervangend hoofdcommissaris gegeven: dit lijkt me werk voor jou, hier heb ik niet voor doorgeleerd. Vervolgens ben ik het finaal vergeten. De dag na Koninginnedag dacht ik: gut ja, ik zou gisteren doodgeschoten worden. Niet gebeurd.’ Hoofdschuddend: ‘Niemand komt in dit land nog z’n beloftes na…’

Maar die onthechting en “die helicopter-view” gelden dan toch voornamelijk z’n werk, beaamt Peper. De recente scheiding van zijn vrouw heeft hem volkomen ontregeld en door elkaar geschud. Hij woont tijdelijk in het appartement van Ayaan Hirsi Ali in Den Haag, maar probeert zo weinig mogelijk thuis te zijn. ‘In dat suďcidehok ga ik helemaal zitten piekeren. “Wij” moet weer “ik” worden. Maar wat is die “ik” dan? Ik denk me suf, ik denk me he-le-maal suf.’ Hij ontmoette Kroes in 1990. ‘Ik kende haar aanvankelijk niet goed, maar ik vond haar wel heel krachtig en moedig. Ik heb waardering voor vrouwen die zich in een mannenwereld overeind weten te houden. In 1991 hebben we een paar keer als vrienden afgesproken. Zij bleek aan het scheiden te zijn op hetzelfde moment dat ik in scheiding lag. Ze vroeg me wat adviezen ten aanzien van haar persoonlijk leven. Daar ben ik wel in getraind: een soort psychotherapeut in buitengewone dienst. Ik schreef ook brieven aan haar, over hoe ze ervoor stond. Een vorm van counseling, zij het niet goedgekeurd door de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen.’

‘In politieke zin hebben we elkaar beďvloed. Ik denk dat ik Neelie radicaler heb gemaakt. Onder mijn invloed is ze geweldig gefeminiseerd. In VN vertelde ze laatst dat vrouwen aan de top niet door de machocultuur heenkomen. Ik heb haar destijds uitgelegd hoe dat inelkaar steekt. Ja, hoe beďnvloed je elkaar? Het begint met de arrogantie van de econoom –in dit geval Neelie- die denkt: sociologie is geen vak. Daarbij vergetend dat ook economie een sociale wetenschap is. Ik heb haar via speelse indoctrinatie uitgelegd hoe mooi het is als je sociologisch inzicht hebt. Dan zie je dingen die anderen niet zien. Dat was een eyeopener voor haar. Het heeft wel enige tijd geduurd voordat ze zag dat mijn adviezen ook daadwerkelijk op inzichten gebaseerd zijn. Als je partner zegt: “rechts afslaan”, dan kun je denken: ach, die schat bedoelt het goed dus laat ik maar rechtsaf slaan. Maar het is nog veel mooier als je je partner duidelijk maakt dat er maar één echte mogelijkheid is: rechtsaf. Ik was min of meer onze huissocioloog. Dat is op zichzelf heel leuk.’ Tegelijk maakt dat ‘m nu juist zo treurig. ‘Die hele politiek-intellectuele biotoop die we samen hadden is verdampt, opgeblazen. Op latere leeftijd ben je minder ingesteld op een breuk. We hebben erg veel in elkaar geďnvesteerd. Ik moet mij nu ernstig wapenen tegen de gedachte dat het allemaal voor niets is geweest. Als je het vooruitzicht had dat je later elkaars karretje zou voortduwen, dan is dit toch een erg bittere pil.’ Hij realiseert zich meer dan ooit dat z’n toekomst beperkt is. ‘Mijn tijdsas is ernstig ingekrompen. Je leeft van dag tot dag, terwijl de klok maar doortikt. Neelie heeft dat niet, die heeft een heel ander tijdsgevoel. Ik ben een man met een verleden, zij is een vrouw met een toekomst. Ik voel mij deel van een geschiedenis. Neelie heeft een minder sterk ontwikkeld historisch besef. Die kijkt altijd vooruit. Dat kan ik nu heel moeilijk, vooruitkijken. Ik spring momenteel van de ene schots op de andere. De echte zingeving is weg. En het ergste is dat ik nog steeds het “waarom” niet weet. Mijn ontworteling wordt vooral veroorzaakt doordat ik de réden niet ken. Dat is eigenlijk een groter probleem dan het weer alleen zijn.’

Hij probeert zo goed en zo kwaad als het lukt voor zichzelf te zorgen. ‘Maar je merkt dat je onregelmatiger wordt in je gedrag. De discipline is niet helemaal optimaal. Je eet onregelmatig.’ En ja, hij drinkt weer, na jarenlang de alcohol te hebben gemeden. ‘Dat is vorig jaar begonnen in de periode dat het minder ging. Dan word je toch iets slordiger.’ Hij moet flink zijn van zichzelf. ‘Al schaam ik me nergens voor. Deze flinke jongen heeft veel gehuild. Maar ik moet van mezelf in actie komen. Daarom doe ik veel tv-optredens. Op die manier dwing ik mezelf om te presteren, al is het nog zo klein. Ik sta mezelf niet toe om in vadsigheid en ledigheid ten onder te gaan.’ Of hij nog een mooie functie in de politiek zou ambiëren? Ach, wat is “een mooie functie in de politiek” dan precies? ‘Ik heb geen nostalgie naar wat ik heb gedaan. Soms denk ik erover om ‘ns een paar jaar in het buitenland te gaan zitten. Voor een deel is dat vluchtgedrag, maar ik vind het ook interessant. Tegen een EU-ambassadeursschap zou ik geen “nee” zeggen. Maar ik heb geen last van “ik moet nog zo nodig”.’

Hij kijkt ‘absoluut niet ontevreden’ terug op zijn werkzame jaren. ‘Niet dat het allemaal even glanzend was, maar het ging wel altijd met veel passie en hartstocht. Mijn wetenschappelijke carriere liep niet slecht, in Rotterdam ben ik een relevante factor geweest en ook het ministerschap vond ik op zich best interessant. Over m’n persoonlijk leven ben ik daarentegen zeer ontevreden. Ik heb drie huwelijken zien stranden.’ Diep zuchtend: ‘De ellende van het leven is dat je niet kunt experimenteren, he. Ik kan best dertig restaurants testen en dan zeker weten waar je de beste koffie van Den Haag krijgt. In de liefde werkt dat anders. Dat maakt het allemaal ook niet vrolijk. Omdat je toch niet ontkomt aan de gedachte dat er blijkbaar ook bij jou iets fout zit.’ Grijnzend: ‘Misschien moet ik wel een aanhanger van het Gerhard Schröder-model worden. Die is voor de vierde keer getrouwd.’

© Coen Verbraak, 2003