JOOST PRINSEN
'WEES JEZELF'

3 januari 2004



Het keukenraam van zijn ruime appartement in Halfweg kijkt uit op een begraafplaats. Nee, waarom zou hij dat nou naargeestig vinden, zegt Joost Prinsen monter. ‘Het kan nooit kwaad als een mens regelmatig aan zijn bestemming herinnerd wordt.’ Joost Prinsen (61) kan met recht een duizendpoot genoemd worden; hij speelde toneel (onder meer bij Globe), maakte kinderprogramma’s (onder anderen De stratemakeropzeeshow en –nog steeds- Klokhuis) en presenteerde afgelopen seizoen naast de kwis Met het mes op tafel het nieuwe programma Maandag Prinsjesdag. ‘My finest hour bij de televisie.’ Onlangs verscheen Een kop die je zelf niet bevalt, een doosje met drie cd’s waarop alle liedjes zijn samengebracht die hij de afgelopen dertig jaar opnam. Prinsen heeft ze zelf nog niet beluisterd. Daarvoor moet hij eerst wat meer distantie hebben. Het is, zegt hij, net als met scènes voor Klokhuis. Bij een fragment dat pas een paar maanden geleden is opgenomen, herinnert hij zich nog haarscherp elk manco. ‘Dan denk ik: zie je wel, die overgang is niet soepel. We hadden toch een keer vaker moeten repeteren.’ Als het acht jaar geleden is opgenomen weet hij dat niet meer. ‘Dan zit ik onbevangen naar mezelf te kijken en denk: “verdomd, wat een alleráárdigst acteur is dat. Hij is misschien geen hoogvlieger, maar toch… die jongen kán het wel”. Van die liedjes heb ik nog onvoldoende afstand.’ Sterker nog, hij ziet er zelfs een beetje tegenop om ze terug te horen. ‘Het is toch een confrontatie met jezelf. Met je stem, met onzuivere noten.’ Neem nou zo’n liedje als Oorlogswinter, uit 1977. Prinsen zingt het voor, ernstig en met overtuiging:


Vader, je bracht mij toen naar Friesland
Winter van ‘44
Er lag sneeuw, ’t was koud
Banden van hout
Gladde weg vol met kuilen
Na een kwartier ging ik huilen
En ik zeurde om brood
Het was hongersnood

‘Die zin “en ik zeurde om brood” kreeg ik maar niet goed gezongen. Iedere keer zei Harry Bannink: “nee Joost, dat brood moet iets lager”. Het lukt me maar niet, verdomme. Iedere keer als ik Oorlogswinter op de radio hoor, denk ik: och jezus, straks komt dat bróód”. En dan zié ik Harry z’n hoofd weer schudden: “niet goed, Joost”.’ Dat is een andere reden waarom hij nog niets heeft teruggeluisterd. Het is ook een ontmoeting met het verleden, met mensen die er niet meer zijn. Met alle emoties vandien. ‘Als ik Aan de Schelde hoor, zie ik weer hoe Harry het de eerste keer voorzong. Ik weet nog dat ik toen dacht: ik heb nog nooit zo’n wonderschone melodie gehoord.’ Hij moet ergens nog een bandje hebben, waarop je hem nadat Bannink is uitgespeeld hoort roepen: we hebben goúd in handen. ‘Zo mooi was het.’ Dromerig. ‘Ik zie me nog staan naast z’n vleugel, in de serre van zijn huis in Bosch en Duin. God ja, Harry…’ Hij zwijgt, roerloos voor zich uit starend. Ik zie hoe z’n onderlip heel zachtjes begint te trillen. ‘Gek, ik kan wel janken als ik eraan denk, man.’ Want Harry Bannink, Frans Boelen, Willem Wilmink, ze zijn inmiddels allemaal een herinnering geworden. ‘Laatst zag ik een foto achterop een platenhoes. Alleen Hans Dorrestijn en ik leven nog. Dat is toch een immens droevig besef.’

“Een zanger van het onvermogen” is hij weleens genoemd. Geniaal gezegd, vindt Prinsen. Grijnzend: ‘Al heb ik geen idéé wat het betekent, er zit iets in van “dort wo du nicht bist, is das Glück”. Sehnsucht, melancholie, het niet helemaal redden in de wereld en daar dan over zingen. En het klinkt ook goed, he?’, zegt hij, terwijl hij in de lucht ondertussen een denkbeeldig theateraffiche ontvouwt: “Joost Prinsen, de zanger van het onvermogen… “ Geweldig!’ Maar die melancholie van zijn liedjes ligt ook heel erg besloten in het werk van Bannink en Wilmink, relativeert Prinsen..’Je hoeft alleen maar te zingen wat er staat. Dat kan elke domoor.’

Flauwekul natuurlijk. Bij negen van de tien zangers ontroert het niet.
Verbaasd: ‘Zou het?’

Waarom raakt René Froger me dan nooit?
Hij gaat plechtig voorover zitten, op het puntje van de witte bank. ‘Laat me je dát nou ‘ns uitleggen. Hier heb ik verstand van. Wat is het grote probleem van liedjes van Froger en veel Van den Ende-musicals? Die zijn gemaakt volgens het “men neme”-principe. Mene neme die en die hoge noten, en dan gaan we dat op het eind allemaal driestemmig zingen, want dat vinden de mensen mooi. Zoiets ontroert natuurlijk nooit. Dat is alleen maar een optelsom van wat Kleine Moos denkt dat “musical” en “zingen” is. Doen wat het publiek graag hoort.’ Zingen is een precaire aangelegenheid, die van een zanger uiterste kwetsbaarheid vraagt. Hij ziet als docent op de Kleinkunstacademie regelmatig hoe moeilijk dat is. ‘Ik had een student die formidabel kon zingen. Hij deed het ene ingewikkelde Brel-lied na het andere. Maar zicht op die jongen zelf kreeg ik niet. Ik dacht: ik moet hem juist makkelijker nummers laten zingen. Dus ik zei: ik weet dat je mooier zingt dan de hele klas en ikzelf bij elkaar, maar ik wil dat je de volgende keer Het broekje van Jantje van Speenhoff zingt. Een deuntje van niks. Maar hij kon dat dus absoluut niet. Want toen moest-ie met de billen bloot. Voordien had hij zich steeds kunnen verschuilen achter zijn virtuoze techniek. Dat is het probleem met veel zangers: ze gebruiken hun zangkwaliteit niet om zich ermee uit te drukken, maar om zich erachter te verschuilen.’

Bij hemzelf is het altijd eerder het omgekeerde geweest; hij kón zich domweg niet verschuilen achter virtuositeit, dus moest hij het zoeken in intensiteit. Ik vraag of hij wezenlijk verschil kan horen tussen Een vreemde tijger (het eerste nummer dat hij ooit opnam) en de liedjes die hij afgelopen september nog voor de cd-box vastlegde. Het verschil is, zegt Prinsen, dat er dertig jaar sigaretten roken tussen zit. Pas vier jaar geleden is hij gestopt. ‘Nu zing ik ongeveer weer even goed als vroeger. Maar de intensiteit van zingen is niet veranderd. Ik durf alleen meer dan vroeger. Ik had destijds nooit Schlafe, Mein Prinzchen (het vaste slotlied van Maandag Prinsjesdag) durven zingen. Te sentimenteel. Dat zijn nummers die je voluit moet durven zingen. Zing maar ‘ns goed een smartlap. Da’s moeílijk, hoor. Omdat je er echt in moet gelóven. Veel mensen zingen een smartlap met een knipoog. Dat is kinderachtig, dat is de Bijenkorf die zich vrolijk maakt over de Hema. Je mag nooit boven een lied gaan staan.’

‘Ze vroegen Marco van Basten ooit wat hij nou precies van Cruijff geleerd had. “Nou”, zei Van Basten, “bijvoorbeeld dit: als ik vroeger een voorzet van Van ’t Schip kreeg die niet goed aankwam, dacht ik: klootzak! Cruijff zei: zo moet je helemaal niet denken. Al jouw energie moet zitten in: die bal komt niet lekker, maar kan ik er toch niet iets mee doén?” Als iemand vraagt: “wat leer je van Joost Prinsen?”, is het antwoord waarschijnlijk: “jezelf zijn”. Ik leer mijn leerlingen dat hun kracht moet uit hun talent moet komen, niet uit dingen eromheen. Jullie gaan, zeg ik ze, straks het land in. In het zaaltje waar jij optreedt, is er geheid kabaal, want ernaast is het feestje van de kegelclub. De piano is zeker niet gestemd. En als de stemmer toch komt, dan gebeurt dat pas een uur voor de voorstelling, waardoor je geen soundcheck kunt doen. Verder is de kleedkamer tochtig en niet verwarmd. En toch is de voorstelling zelf het enige waar jij je druk om moet maken. Want er zullen altijd feestjes van kegelclubs, ontstemde piano’s en koude kleedkamers zijn. Dat is geen reden om je voorstelling te verklooien.‘

Hij heeft zichzelf altijd gezien als subtopper, als iemand die aardig kan zingen en niet onverdienstelijk toneel kan spelen. ‘Maar ik ben geen Jacques Brel of een Guus Hermus.’ Eigenlijk is hij altijd een mazzelpik geweest, die op het goede moment opdook in de buurt van de juiste mensen. Aart Staartjes betrok hem in de jaren zeventig bij De Stratemakeropzeeshow en J. J. de Bom, Harry Bannink en Willem Wilmink voorzagen hem van onovertroffen liedjes, en Gerard Jan Rijnders en –later- Koos Terpstra wisten onvermoede registers in zijn acteertalent aan te boren. ‘Daar moet je op letten in je leven: zoek altijd goede mensen op. Je kunt beter de mindere zijn in een topgezelschap dan de beste in een club van mindere goden.’

Het begin van zijn loopbaan, in 1969 bij De Kleine Parade van Wim Sonneveld, was bepaald niet hoopvol. Prinsen kwam net van de toneelschool, en bleek nog lang niet goed genoeg voor het niveau dat Sonneveld van hem vroeg. ‘Die slechte start heeft me jaren achterop geholpen.’ Het kwam toch goed toen Ank van der Moer hem daarna vroeg om hij het Amsterdams Toneel te komen spelen.’ Hij heeft, zeg ik, temidden van Ank van der Moer, Ton Lutz en Guus Hermus nog echt de dagen van het grote toneel meegemaakt. ‘Ho ho’, reageert Prinsen, bijna verontwaardigd. ‘Die dagen van het grote toneel zijn er ook nu nog, hoor. Als je Cloaca ziet… dat is heel groot acteerwerk. Pierre Bokma en Peter Blok doen echt niet onder voor Guus Hermus en Ko van Dijk. Ik heb in een gezelschap gezeten met Ellen Vogel, Kees Brusse, Fons Rademakers, Guus Hermus, Ank van der Moer, Sigrid Koetse en Jan Retél. Voorwaar geen prutsers. Maar het was veruit het slechtste gezelschap waar ik ooit in heb gezeten. Iedereen dééd maar wat. Het Globe van Gerardjan Rijnders was een veel beter gezelschap dan het Amsterdams Toneel.’ Hij buigt zich naar mij toe, z’n vinger priemend naar mijn notitieblok. ‘Schrijf op: de dagen van het grote toneel moeten misschien nog wel kómen.’

Hij werd geboren in het midden van de oorlog, groeide op in een gezin van zes kinderen. Zijn vader was burgemeester van Breda. Hij overleed toen Prinsen pas negen was. Het was raar, zegt hij, om vier jaar geleden opeens te beseffen dat hij nu ouder was dan zijn vader ooit geworden was. ‘Dat vond ik bijna ongepast.’ Ooit telde hij alle herinneringen die hij aan zijn vader heeft bij elkaar op. Hij kwam niet verder dan twaalf. ‘Da’s weinig, hoor, als je daar je verdere leven mee moet doen.’ Hij herinnert zich nog hoe hij als jongen voetbalde bij NAC. Zijn vader had als burgemeester natuurlijk nooit tijd om naar z’n zoon te komen kijken. Daarom was het zo bijzonder dat hij op die ene zaterdagochtend, ergens eind jaren veertig, wel zou komen. ‘Zijn chauffeur reed ons naar NAC. Onderweg kwamen we een harmonieorkest tegen. “Waar gaan die naar toe?”, vroeg m’n vader. “Naar het terrein van De Baronie”, zei de chauffeur. “Daar wordt vandaag de nieuwe tribune in gebruik genomen.” Toen zei mijn vader tot mijn verbijstering: “ik kan als burgemeester natuurlijk moeilijk naar NAC gaan als ergens anders een nieuwe tribune in gebruik wordt genomen. Zet m’n zoon maar af bij NAC, dan gaan wij naar De Baronie.” Dat vond ik een verráád… ‘ Zijn vader verrichtte bij die nieuwe tribune zelfs de aftrap. ‘Hij kon alleen totaal niet voetballen; hij trapte in de grond, de bal rolde nog geen twintig centimeter verder. De volgende dag stond er een spotprent in de krant: “als burgemeester Prinsen zo ook de gemeenteraad voorzit…”. Ik dacht: net goed! Had je maar naar NAC moeten gaan!’

Prinsen zat in de vierde klas toen zijn broer hem op een dag uit de les kwam halen. Hun vader was gestorven, aan een hartkwaal. Zesenvijftig jaar oud. Nauwelijks toeval dus dat Prinsen op bijna dezelfde leeftijd last kreeg van vergelijkbare vaatklachten. Vijf jaar geleden moest hij geopereerd worden aan een dichtgeslibde halsslagader. ‘Ik realiseer mij terdege dat ik in de dagen van mijn vader daaraan zou zijn overleden.’ Het was bepaald geen ongevaarlijke operatie, had de chirurg gezegd. ‘Hij zei: “we doen hem maar eens per week, omdat het geen routine mag worden”.’ Prinsen ziet zichzelf twee dagen voor de operatie nog in de studio staan, voor een opname voor Klokhuis. ‘Je denkt toch: zou dit misschien de laatste keer zijn? Willem Wilmink zei dat zijn huwelijk zich door zijn ziekte zeer verdiept had. Dat ervoer ik in die periode ook. Ik heb eindeloze gesprekken met mijn vrouw gehad, gezegd wat ze voor me betekende. In zo’n situatie ga je opeens ver voorbij het dagelijkse gekissebis, naar de kern van de dingen’.’ Hij moest er tijdens het ziekbed van Willem Wilmink weer veel aan terugdenken. ‘Ook omdat ik dacht: Willem, je doet het niet goed, jongen. In het laatste telefoongesprek zei hij tegen mijn vrouw: “me zo teweerstellen zoals Joost, dat kan ik niet”.’ Somber: ‘Je moet tegen ziektes durven vechten. Dat deed hij te weinig, vond ik. Misschien omdat de angst een te grote drijfveer in zijn leven was. Willem was bang voor reizen, voor treinen, voor weggaan… bang voor alles. En hij bleef roken en een aardig glas drinken. Misschien moet je dat toch niet doen.’

Zijn eigen ziekte heeft veel veranderd, analyseert Prinsen. Hij realiseerde zich opeens dat hij in geleende tijd leeft.. ‘Ik dacht: de dingen die ik nog wil, moet ik nu doen.’ Gek, zegt hij dan, maar hij zou nu met een veel rustiger gemoed de balans kunnen opmaken dan vier, vijf jaar geleden. ‘Doordat die cd-box er is. Al je werk is nu veiliggesteld.’ Maar het komt vooral door Maandag Prinsjesdag, denkt hij ‘Dat heeft veel voor mij gedaan. Omdat daarin alles samenkwam van wat ik kán.’


Daar spreekt een gevoel van miskenning uit.
‘Daar zit iets in, alleen iets anders dan je denkt. Voor mijn columns voor het Haarlems Dagblad kreeg ik altijd genoeg waardering van de redactie van het Haarlems Dagblad. Met het mes op tafel werd gewaardeerd door kwisliefhebbers, en bezoekers van mijn koffieconcerten stelden mijn liedjes op prijs. Maar om het nou ‘ns allemaal bij elkaar te zetten, als een vlootschouw van mijn kunnen, dat was nieuw.’ Eindredacteur Ad van Liempt maakte hem ook vertrouwd met het urgentieprincipe. ‘Hij zei: “het is the world according to Joost Prinsen, maar wel met zijn beperkingen. Je kunt wel zeggen: “Joost Prinsen staat centraal, dus zijn debiele neefje mag ook best een liedje komen zingen”, maar zo werkt het niet. Het mag geen Prinsen-fröbel-uurtje worden. Er moet enige urgentie zijn, met goede gasten.’ Dat urgentieprincipe wordt te weinig toegepast, constateert Prinsen. ‘Kijk naar VARA Laat. Er zitten teveel dingen in waarvan je denkt: best een leuk item, maar een ander item had net zo goed gekund.’ Niet dat zijn eigen programma nou “helemaal Jezus” was, begrijp hem goed. ‘Maar het feit dat zo’n VARA laat door drie verschillende mensen gepresnteerd kan worden, geeft al aan dat het te weinig “eigen” is. Dan wordt zo’n programma toch een beetje een lege huls.’ Het is nog onzeker of Maandag Prinsjesdag komend seizoen terugkeert. Prinsen zou er graag een late night show van maken. Maar de NPS heeft waarschijnlijk pas weer tijd in augustus 2004. Het heeft te maken met ‘wel of geen subsidie uit één of ander potje’, met ambtelijk gedoe waar hij zich liever buiten houdt. Al vindt hij de gang van zaken wel teleurstellend. ‘Ze zouden moeten zeggen: “we gaan er hoe dan ook mee door. We moeten nog wel wat centen zoeken, maar breek jij daar je mooie hoofdje maar niet over. Heus, het komt allemaal goed”. Niet dat onduidelijke gedoe van “misschien” en “eventueel”. Ik heb gezegd: als jullie het half januari nog niet weten, haak ik af. Want dan kan ik het niet naar behoren voorbereiden.’


In elk geval zal hij definitief niet meedoen aan de rockmusical die zijn oud-leerlingen Thomas Acda en Paul de Munnik vanaf eind dit jaar gaan spelen. Hij was vereerd dat ze hem voor een grote rol vroegen, dat zeker. Maar hij zag teveel op tegen weer zo’n eindeloze toernee langs Hoogezand en Hoensbroek. Dan had hij alles wat hij nu overdag doet moeten laten schieten. Die prijs vond hij te hoog. ‘Mijn vrouw verklaart me voor gek. Die zit me veel liever op het toneel dan op televisie. Tja, misschien heeft ze gelijk.’ Want het was natuurlijk wel mooi geweest, mijmert hij hardop: op z’n eenenzestigste nog één keer in een grote productie staan. Eigenlijk is hij hartstikke gek dat-ie “nee” heeft gezegd. Hij lacht, enigszins mismoedig. ‘Als je al niet meer met Acda en De Munnik –leukere jongens zijn er bijna niet- op pad wil, begin je wel een érg oude zak te worden.’ Maar ja, hij ís inmiddels ook een oude zak. En mag hij alsjeblieft? Wat is er tegen oude zakken? Prinsen zit er niet mee dat hij ouder wordt. ‘Al is er één nadeel dat alle voordelen overschaduwt. Vroeger kwam ik een café binnen met in m’n achterhoofd: “is hier nog iets te neuken vanavond?” Nu denk ik : hé, daar zit Allard van der Scheer. Gezellig! ‘ Grinnikend: ‘Daar zit toch een subtiel verschil in, dunkt mij.’

© Coen Verbraak, 2004