Fons Rademakers heeft de sleutel tot het paradijs. Gewoon, in zijn broekzak. Want hij woont op één van de mooiste plekjes van Rome, met uitzicht op het Pantheon. Fellini stond er ooit sprakeloos voor het raam, en Harry Mulisch vroeg of-ie alsjeblieft niet gestoord hoefde te worden, zodat-ie langzaam kon opgaan in de Oudheid. ‘Ik zeg vaak: ik weet niet of ik in de hemel kom, maar het hiernamaals kan alleen maar tegenvallen.’ En toch staat Rademakers (83) nu ademloos van verwondering naar de Hollandse luchten boven de boulevard van Vlissingen te turen. ‘Zie je die zon door die wolken?’, wijst hij. ‘Wat een magistraal licht heb je hier toch.’ Hij blijft een Hollander, al is hij al jaren weg uit Nederland. Laatst nog, in de Hermitage; hij stond naar een Rembrandt te kijken toen er opeens een warme gloed in hem opwelde. ‘Ik was er tróts op een Hollander te zijn.’ Datzelfde voelt hij wanneer ze in Italië beginnen over Van Basten of “Cruyff-je”. ‘Zulke mensen zijn toch een soort iconen.’ Dat voor hem op zijn eigen vakgebied een beetje hetzelfde geldt, vervult Rademakers zichtbaar met genoegen. Hij vindt het ‘werkelijk enig’ dat zijn hele cinematografische oeuvre deze maand op dvd verschijnt. ‘Ik vind het vooral zo leuk dat ik het méémaak. Meestal gebeuren die dingen pas als je er niet meer bent.’
Het was Jan de Bont die hem een paar jaar geleden liet kennismaken met de perfectie van dvd. ‘Hij zei: “Fons, je moet zorgen dat je een aantal van je films op dvd krijgt”.’ Aanvankelijk dacht hij aan vier films: Dorp aan de rivier, Als twee druppels water, Myra en Max Havelaar. De aanslag, waarmee hij in 1987 een Oscar won, zat er niet eens bij. Rademakers: ‘De aanslag vind ik vooral een vakmatig goed gemaakte film. Maar Myra of Als twee druppels water vind ik veel interessanter.’ Producent A-film brengt nu toch alle elf films van Rademakers uit op dvd, van Dorp aan de rivier uit 1958 tot The Rosegarden, zijn laatste film, uit 1989. Het was ‘een ongelofelijk genoegen’ om ze terug te zien, zegt de regisseur. ‘Ik praat erover als een vader die over z’n kinderen vertelt. Vooral omdat die films echt iets zijn. Er zit er niet één bij waarvan ik dacht: nou nou… Het leuke is: veel filmers maken toch vaak min of meer dezelfde soort films. Maar Dorp aan de rivier is iets totáál anders dan Makkers staakt uw wild geraas. Max Havelaar is een volstrekt andere wereld dan Because of the cats.’
En nu krijgen ook z’n minder succesvolle films tenminste weer aandacht. Zoals De dans van de reiger uit 1966, die zo jammerlijk flopte dat Rademakers uit nood weer twee jaar toneel moest gaan spelen. De twee hoofdrolspelers -de Zweedse actrice Gunnel Lindblom en de Franse acteur Jean Desailly- spraken tijdens de opnames Frans met elkaar. Maar om de film als Nederlandse inzending naar Cannes te kunnen sturen, liet Rademakers de acteurs nasynchroniseren in het Nederlands. Uiteindelijk werd de film in Cannes niet gedraaid. Volgens de festivaldirecteur om Rademakers tegen zichzelf te beschermen. ‘Hij zei: “u hebt een mooie film gemaakt. Maar Jean Desailly is een beroemd Frans acteur. Als hij in Cannes op het doek komt terwijl hij van die rare keelgeluiden maakt, dan gaan de mensen gillen van het lachen”. Ik dacht: godverdomme, dat is natuurlijk wáár!’ Waarom hij dat dan niet eerder had bedacht? Hij heft z’n armen als vraagtekens, hoog boven de restauranttafel. ‘Nou ja, stommigheid gewoon. Niet goed genoeg over nagedacht.’
Hij weet allang niet meer wat de eerste film was die hij ooit zag. Maar het moet in zijn geboorteplaats Roosendaal geweest zijn, waar hij in de jaren dertig verliefd werd op Wieske, de dochter van de plaatselijke bioscoopexploitant. Zij loodste hem bijna elke avond door de zijdeur de bioscoop binnen. En daar, op dat witte doek, ontrolde zich voor zijn ogen Het Grote Leven. ‘Dát was wat ik wilde.’ Het leek hem het best om eerst acteur te worden. Rademakers ging naar de toneelschool in Amsterdam. Als zoon van welgestelde ouders –zijn vader was arts- was hij eind jaren dertig de eerste acteur in Amsterdam die in een auto reed. Niet dat hij nou rijk was, maar met een studiotoelage van honderdvijfentwintig gulden in de maand kwam hij een heel eind. Zeker vergeleken met zijn collega’s. Zijn vriend en medestudent Guus Hermus kreeg van z’n ouders slechts een kwartje per week. ‘Ik nam Guus vaak mee uit eten. De plat du jour in Americain kostte in die dagen een gulden. Dat was dúúr.’
Rademakers werd in 1945 geëngageerd bij Comedia, later bij de Nederlandse Comedie. Aanvankelijk als acteur, later ook als regisseur. In 1958 verruilde hij het toneel voor de cinema. Behalve dat film technisch een heel ander medium is, merkte hij ook hoe lastig het is om niet direct respons te krijgen. ‘Als acteur merk je of iets aankomt. Als regisseur moet je dat maar afwachten.’ Hij had het geluk dat hij Dorp aan de rivier monteerde in Zweden, met de cutter van Ingmar Bergman. ‘Ingmar en Max van Sydow kwamen tijdens de montage kijken.’ Glunderend: ‘Ze vonden het fantastisch. Dat was een hele opluchting.’ Al fluisterde Bergman hem wel een advies in waarvan hij tot op de dag van vandaag spijt heeft. Hoofdschuddend vertelt hij over de gewraakte scene, op een toon alsof het over een dierbare gestorvene gaat. ‘In het dorpscafé heeft een boer iets beledigends gezegd over de vrouw van de dokter. Die dokter hoort dat, wordt razend en rijdt naar de boerderij van die boer. De boer hoort de koets stoppen, komt door de deeldeur kijken en ziet tot zijn grote schrik dat de dokter een geweer op hem richt. Dat herhaalt zich drie keer. Uiteindelijk wordt de boer doodsbang afgevoerd door ziekenbroeders. Bergman zei: “Fons, je film is prachtig, maar die scene moet je eruit halen. Want het publiek verliest daardoor zijn sympathie voor de hoofdpersoon. Ik dacht: nou ja, Ingmar zegt het, laat ik ‘m er maar uit halen. Toen ik het later aan mijn vriend Hugo Claus vertelde ontstak die in woede: “wie zegt dat die man sympathiék moet zijn, verdomme!”.’ Toen Rademakers de scènes een half jaar na de première alsnog wilde toevoegen bleken de filmrollen reeds vernietigd. ‘Eeuwig zonde. Want wat zoú het leuk geweest zijn voor de dvd.’
Dorp aan de rivier werd genomineerd voor een Oscar. Rademakers keerde ook daadwerkelijk met een Oscar terug naar Nederland. Alleen was die niet voor hem, maar voor Glas van Bert Haanstra. Dat vervulde hem allerminst met jaloezie, bezweert Rademakers. ‘Ik vond het leuk voor Bert, leuk voor Holland.’
Haanstra vertelde mij ooit dat film z’n charme voor hem vooral ontleende aan “de magie van die lichte plek in het donker” Herkent u dat?
Verbaasd: ‘Nee, eigenlijk helemaal niet. Bert was natuurlijk ook een fotograaf. Bij mij is de essentie niet “de foto” maar het vertellen van een dramatisch verhaal. Bert was vooral een uitstekende documentairemaker. Zijn speelfilms stellen eerlijk gezegd niks voor. Zo’n Fanfare vond ik echt “lulligheid kent geen tijd”. Ik zat bij de première naast Charles Boost. De film begint met een shot van koetjes die op een onzichtbare boot door het koren glijden. En de mensen in die zaal al: “ooohhh!”. Boost zei: ‘ja Fons, daar kun jij nooit tegen op.’ Jan Blokker schreef dat hij de film ooit zag in een volle zaal in Cannes. De mensen vonden het zo lullig, dat hij zich geneerde om erbij te zitten. Pijnlijk, want Bert zat er zelf ook.’
Rademakers heeft het altijd als een groot voordeel gezien dat hij als cineast ook kon putten uit zijn ervaring als acteur en toneelregisseur. ‘Je weet beter wat je van een acteur kunt vragen.’ Het nadeel daarvan was dat hij altijd snel de neiging had om zijn acteurs voor te spelen. Logisch, vindt hij zelf. ‘Als ik aan een acteur vraag: doe het ‘ns zo, en hij doet dat, dan is dat fantastisch. Maar soms vraag je iets en … nee, dat kan hij niet. Doe dan dát… kan hij óók niet. Ja, dan ga ik het voorspelen. “Doe me nou maar na, dan ben je beter dan je zelf bent”. Een goed acteur vindt het niet erg om voorgespeeld te worden. Die past dat voorbeeld in binnen z’n eigen persoonlijkheid. Een kleiner acteur denkt: “jezus, nu moet ik gaan na-apen”. Jean Desailly hoefde ik nooit voor te spelen. John Kraaykamp hoef je evenmin iets uit te leggen. Maar soms is het gewoon nodig.’
Neem die slotscène uit Max Havelaar, zegt Rademakers. ‘Peter Faber kwam er zelf niet goed uit. Ik speelde het hem voor. Uiteindelijk zei (cameraman) Jan de Bont: ‘he Peter, doe nou maar wat Fons doet. Da’s veel beter”.’
Met het uitbrengen van de dvd-serie komt eindelijk ook zijn film Als twee druppels water weer onder de ogen van het publiek. Rademakers maakte de film, gebaseerd op De donkere kamer van Damocles van Willem Frederik Hermans, in 1962. Gefinancierd door biermagnaat Freddy Heineken, die zeer te spreken was over het feit dat zijn toenmailge vriendin Nan Los een hoofdrol toebedeeld had gekregen. Toen de relatie tussen Heineken en Los een paar jaar nadien op de klippen liep, deed Heineken –eigenaar van de filmrechten- de film in de ban. Roulatie in de bioscoop was uitgesloten. Toen de TROS de film in 1983 op televisie programmeerde, werd de uitzending op het allerlaatste moment afgeblazen, onder druk van Heineken. Ach ja, wat moet hij daar nou over zeggen, zucht Rademakers. ‘Het is een hoop vervelend gedoe geweest.’ Laat hij er maar niet omheen draaien. ‘Natúúrlijk had Heinekens aversie tegen de film met Nan Los te maken. Kinderachtig, maar waar.’ Misschien moet-ie maar gewoon de waarheid vertellen, besluit-ie dan. Al is het bepaald geen fraai verhaal. Rademakers had Heineken al eens een briefje geschreven, waarin hij hem vroeg de rechten aan hem terug te geven. ‘Als jou een centje toekomt, zal ik het heus aan je overmaken.’ Hij kreeg een vriendelijk briefje terug, waarin Heineken meldde dat hij de rechten wilde behouden, maar desgevraagd altijd toestemming zou geven voor vertoning. ‘Dat soort onzin.’
Toen Rademakers in 1983 door de TROS om toestemming werd gevraagd om de film uit te zenden, belde hij Heineken. ‘Freddy zei: “goh Fons, wat ontzettend leuk dat je belt. Laten we zodadelijk gezellig gaan lunchen bij Keyzer”. Tijdens die lunch vertelde ik hem over het verzoek van de TROS. “Daar moet ik ‘ns over denken”, zei hij. Ik vroeg: “Wat bedoel je daarmee? Je kunt toch gewoon “ja” of “nee”zeggen? Het gesprek ging over op een ander onderwerp. Bij het weggaan vroeg ik hem opnieuw: “Freddy, hoe zit het nou? Zeg je “ja” of “nee”? Nou, hij zou me de volgende dag bellen. Maar mooi dat hij niets van zich liet horen. Na twee weken pakte ik zelf de telefoon. Ik kreeg z’n secretaresse. “Oh, mijnheer Rademakers… De heer Heineken kan u niet te woord staan, maar ik heb de opdracht om u te zeggen dat het antwoord “nee” is.’ Rademakers ogen worden alsnog groot van verbijstering. ‘Terwijl we elkaar heel goed kenden! Hij had me zo kunnen bellen. Dus ik heb de TROS gezegd: zendt u die film maar uit. Ja zeg… is-ie nou helemáál besodemieterd!’ De dag van uitzending las Heineken in Parijs in de Telegraaf dat ’s avonds zijn voormalige minnares alsnog over het scherm zou paraderen. ‘Hij belde naar de TROS, en naar mij. Ik was niet thuis. Tegen mijn zoon heeft hij gezegd: “als dit doorgaat zal ik er persoonlijk voor zorgen dat je vader voorgoed op straat komt te staan”. Cees den Daas van de TROS had geen bezwaar tegen uitzending, maar TROS-voorzitter Minderop raakte in paniek. Hij zei tegen Den Daas: “ik verbied je die film uit te zenden. Heineken komt met honderd advocaten”. ‘ Rademakers maakte het geschil daarop aanhangig bij de Bioscoopbond, onder wie de kwestie contractueel viel. Hij vertelt het met onverholen woede. ‘Ja natuurlijk, deze zaak gingen ze onmiddellijk behandelen. Nou, niks dus. Weken later informeerde ik. “Eh ja, meneer Rademakers, ehm… we hebben het er over gehad, maar we beginnen er niet aan. We kunnen nooit op tegen de juristen van de heer Heineken”. Da’s toch ongelófelijk!’ Hij buigt zich samenzweerderig naar mij toe. ‘Géld, jongen. Geld maakt alles mogelijk. Denk maar aan die weerzinwekkende Berlusconi.’
Als twee druppels water leverde Rademakers tevens een ernstig conflict op met W.F. Hermans. Hij was tot dan toe goed met de schrijver bevriend. ‘Het was altijd boeiend met Wim. Hij was een man die wat kón, die iets wíst.’ Bijna ieder weekend voorafgaand aan de opnames werkten ze in Groningen samen aan het scenario. ‘Altijd heel gemoedelijk. We mochten elkaar zeer.’ Na weer zo’n weekend kreeg Rademakers opeens een aangetekende expresse-brief bezorgd. ‘Wim schreef: “Beste Fons, alles nog ‘ns overwegend wil ik van het hele plan afzien. Want jij hebt scènes weggelaten waardoor het verhaal ernstig verzwakt is”. Ik dacht: waar komt dit opeens vandaan? Wat is er gebéurd?’ Rademakers belde Hermans’ uitgever Geert van Oirschot. ‘Ik vroeg: Geert, is er soms iets voorgevallen met Hermans? “Ja, nu je het zégt: ik heb hem vrijdag een brief doorgestuurd uit New York. Iemand uit Amerika vraagt een optie op de filmrechten van De donkere kamer van Damocles. Toen begreep ik het; Hermans heeft gedacht: verdomme, nu zit ik voor een habbekrats vast aan Fons, terwijl ik misschien miljoenen kan verdienen. Hoe kom ik van die jongen af? Dan maar een expressebrief.’ Hij pauzeert veelbetekenend, vervolgt dan dreigend: ‘Maar –en dat is nog veel erger- hij schreef zo’n zelfde aangetekende brief aan het Productiefonds, dat mij financierde.’ Met een forse klap op tafel. ‘Dat is echt een kolerestreek. Gelukkig zei het fonds: “we hebben niets met de heer Hermans te maken, alleen met u”. Dat schreven ze ook terug aan Hermans. Wim is niet naar de première gekomen, maar heeft zijn vader gestuurd. Later zei-ie: “het was minder slecht dan ik gedacht had”.’ Fluisterend: ‘Genant, he? Heel pijnlijk allemaal.’
Nadien hebben ze elkaar toch weer regelmatig gesproken. ‘Maar nooit over deze affaire. Wim was toch een heel rare jongen. Hij lag gewoon graag dwars. Ik moest een keer naar Zuid-Frankrijk. Ik belde hem op: als je het leuk vindt, kun je mee. Dan pik ik je op in Parijs. Nou, dat leek hem wel wat. Dus ik arriveerde bij zijn huis. Emmy – de schat- had een heerlijke lunch gemaakt. Na afloop zei ik: zullen we dan maar? Waarop Wim zei: “zúllen we dan maar? Ho ho, jij hebt makkelijk praten, zeg. Jij kunt altijd maar weg wanneer je wilt. Maar ík ben een drukbezet man, ik heb mijn verplichtingen”. Een tirade van vijf minuten. Terwijl z’n koffertje allang klaar bleek te staan. Dan wilde hij gewoon even zeuren.’
Wat dat betreft was Harry Mulisch veel plezieriger om mee te werken. Hij bemoeide zich nauwelijks met de verfilming van De aanslag. ‘Hij zei: het is mijn boek en het is jouw film.’ Misschien ook, opper ik, omdat Mulisch denkt dat een roman eeuwigheidswaarde heeft en een film niet. Hij grinnikt, zegt vervolgens enigszins besmuikt: ‘Nou, ik ken mensen –onder wie een aantal wereldberoemde auteurs- die de film veel mooier vinden dan het boek.’
Nederlandse films ziet hij nauwelijks nog. Ja, Karakter vond Rademakers ‘erg de moeite waard’. Hij vindt Mike van Diem sowieso ‘een zeer talentvolle jongen’. Over Marleen Gorris is hij evenzeer te spreken. ‘Een meid met grote capaciteiten.’ De tweeling heeft Rademakers nog niet gezien. ‘Ik ben er wel nieuwsgierig naar.’ Ik vraag wat hij van De ontdekking van de hemel vond. Zijn ogen versmallen zich ogenblikkelijk tot nauwe spleetjes. ‘Die vond ik om met stront naar te gooien. He-le-maal niks. Volgens mij is er niet één mens op de wereld die snapt waar die film over gaat. Belachelijk gewoon. Echt núl! De hoofdrol schijnt op Donner te lijken. Maar die andere acteurs zijn helemaal niet aanwezig. Dat zijn vetvlekken op het doek. In Nederland heeft-ie nog enig succes gehad dankzij Harry Mulisch. Maar in het buitenland totaal niet. Ik denk dat geen land zo gek is om ‘m te kopen.’
Drieëntachtig is hij nu, maar nog altijd gezond. Hij denkt eigenlijk nooit na over de dood, zegt Rademakers. ‘Dat zie ik tegen die tijd wel.’ Hij heeft een fantastisch leven achter zich. Een zondagskind; altijd prachtig werk gehad en al sinds 1955 samen met dezelfde vrouw (zijn vroegere assistente Lily Veenmans). Ja goed, diep in zijn hart had hij misschien een Shakespeare willen zijn. Want hoe mooi filmmaken ook is, dat blijft de overtreffende trap. ‘Bunuel, Fellini of Kubrick hebben meesterwerken gemaakt. Daar is geen twijfel over mogelijk. Maar vergelijk dat ‘ns met Michaelangelo of Shakespeare. Vanuit een steen een David houwen, vanuit het niets King Lear schrijven… dat is het mooiste wat er is. Daar kun je als filmmaker alleen maar eerbiedig bij zwijgen.’
© Coen Verbraak, 2003
|