PAUL ROSENMöLLER
'IK ZIE NIET OM IN WROK'

25 oktober 2003



Laatst gebeurde het nog, eigenlijk volslagen onverwacht. Hij liep op straat in Den Haag, vlakbij het Binnenhof, toen er binnen vijf minuten twee keer naar ‘m geroepen werd: “hé, móórdenaar!” ‘Daar schrok ik toch even van.’ Vooral omdat zijn leven juist weer in rustiger vaarwater is gekomen, na alle turbulentie van vorig jaar. En toch gaat hij tijdens ons gesprek, in een restaurant in zijn woonplaats Driebergen, bij voorkeur met zijn rug naar het publiek zitten. Paul Rosenmöller (47) is sinds driekwart jaar geen politicus meer. Hij is begonnen aan wat ooit zijn jongensdroom was: een loopbaan in de journalistiek. Sinds kort presenteert hij het IKON-radioprogramma De andere wereld van zondagmiddag, in januari volgt bij diezelfde omroep zijn televisieprogramma. En hij heeft een boek geschreven, Een mooie hondenbaan, over zijn politieke loopbaan. Herinneringen aan veertien jaren in Den Haag, gestold in ruim driehonderd bladzijden. Rosenmöller had al langer met de gedachte gespeeld om ‘dingen op te schrijven’. Bij zijn vertrek uit de politiek waren er – en hij zal écht niet overdrijven- zeker tien uitgevers die iets van hem wilden. ‘Uiteindelijk ben ik gewoon maar begonnen met schrijven. Vooral voor mezelf, om een periode af te ronden. Anders was het altijd blijven knagen.’

Een mooie hondenbaan bevat geen pikante geheimen of grote afrekeningen. Evenmin staan er saillante onthullingen in. Niet omdat hij ze discreet heeft achtergehouden, ze wáren er gewoon niet. Of het moeten de gesprekken zijn die Rosenmöller met Jacques de Milliano voerde na diens vertrek uit het CDA over een eventuele overstap naar Groenlinks. ‘Dat is niet eerder naar buiten gekomen. Net als de discussie binnen de PvdA tijdens de CDA-PvdA-formatie om mij in dat kabinet een ministerspost aan te bieden. Dat vond ik aardig genoeg om even te noemen.’

Rosenmöller heeft tijdens het schrijven tegen niemand gezegd dat hij met zijn memoires bezig was. Bewust niet. Hij wilde eerst het point of no return gepasseerd zijn. ‘Ik had Roger van Boxtel ook weleens in zijn enthousiasme horen roepen: “ik ga een boék schrijven”. Dat moet nog steeds verschijnen. Niet erg natuurlijk, maar dat wilde ik niet.’ Het schrijven zelf viel hem erg mee. Het bleek niet moeilijk om alles weer naar boven te halen. Zodra hij erover schreef, dan wás het er weer helemaal. Bijvoorbeeld de bizarre periode rond de zomer van 2002: de moord op Pim Fortuyn, de dood van Groenlinks-kamerlid Ab Harrewijn en het overlijden van zijn schoonvader. ‘Er waren momenten dat ik echt beroerd uit mijn schrijfhokje kwam. Weer net zo ontdaan als toen.’

Wat zag u precies toen u omkeek?
‘Ik ben vooral het bijzondere van de functie gaan zien. Ik ben veertien jaar lang dag in dag uit gewoon dóórgegaan. Nu zie je je eigen rol, de positie van je eigen partij in het politieke landschap.’ Nee, heimwee voelde hij niet, benadrukt hij. ‘Mijn besluit om weg te gaan is goed geweest. Ik kan totaal zonder weemoed omkijken.’

Kunt u uw carrière los zien van dat dramatische laatste jaar?
‘Nee, dat is onmogelijk. Dat laatste jaar hoort erbij. Al die mooie en minder mooie periodes bestaan naast elkaar. Het begin was evengoed heel moeilijk. Het eerste jaar schrok ik ’s nachts regelmatig wakker: shit, ik ben voor vier jaar gekozen… hoe hóu ik het vól?'

Rosenmöller moest zich in 1989 ‘letterlijk invechten’, zowel in de pikorde van de Kamer als in zijn eigen Groenlinks-fractie. ‘Die was met zes mensen dan wel niet groot, maar Ina (Brouwer), Andrée (van Es) en Ria (Beckers) waren alledrie zelf baas geweest. Als dat bij elkaar komt, ontstaat er voelbaar spanning. Ik kon slecht omgaan met het verwachtingspatroon. Die succesvolle jongen die het in de haven allemaal zo leuk kon vertellen zou de Kamer ook wel even flink opschudden. Binnen drie weken was ik al de gedoodverfde opvolger van (partijleider) Ria Beckers, zonder dat ik nog maar een woord had gezegd. Dat zet je geweldig onder druk.’ Hij vond de sfeer in Den Haag kil en onpersoonlijk. Pas door zijn eerste buitenlandse reis, naar de VS en Canada, begon hij zich meer op zijn gemak te voelen. ‘Tijdens zo’n reis ging je op een heel andere manier met je collega’s om. Veel losser, en meer ontspannen. In Den Haag wordt meestal naar je gekeken in termen van macht. Met zes zetels tel je niet echt mee. Op zo’n buitenlandse reis valt dat totaal weg. Dan ben je gewoon één van de zeven, en word je voor vol aangezien.’

Zeker, hij had grote idealen in die beginjaren. Hij wilde strijden voor meer sociale rechtvaardigheid en voor een multiculturele samenleving. ‘Dat zijn nog steeds idealen.’

Wat is er volgens u bereikt?
‘Nou ja, daar kun je niet echt tevreden over zijn. Wel over wat wij zelf in al die jaren hebben neergezet, maar in algemene termen is er niet veel reden tot tevredenheid.’

De multiculturele samenleving lijkt volslagen failliet.
‘Daar neem ik heel erg stelling tegen. Er zijn fouten gemaakt, maar het is ook weer niet allemaal voor niks geweest. Ik ben wat die idealen betreft alleen steeds kleiner gaan denken. Als iemand tegen mij zegt: “ik ben zó blij dat u dat heeft gezegd, want daarmee verwoordt u exact wat ik vind”, dan kan ik daar ook blij van worden. Het verwoorden van gevoelens is ook resultaat.’

Dat zou u vroeger een veel te lage lat hebben gevonden.
‘Zeker. En eigenlijk nog steeds. Maar ik heb het beter leren waarderen. Het duurt even voordat de essentie van “volksvertegenwoordiger-zijn” tot je doordringt. Goed politiek bedrijven is: tegen de tijdgeest in durven gaan. Wie dat durft, is voor mij een echte politicus. Denk aan Rob van Gijzel, die de wind in zijn eigen (PvdA)-fractie heeft durven trotseren. Dankzij hem is de Bijlmer-enquete er gekomen. Hij heeft zijn eigen geweten gevolgd. Daar kun je alleen maar diep je pet voor afnemen.’

In Een mooie hondebaan noemt Rosenmöller ook voormalig VVD-lijsttrekker Hans Dijkstal als lichtend voorbeeld. Die sprak na de moord op Fortuyn als één van de zeer weinigen de bewering van LPF-er Peter Langendam tegen dat “de kogel van links” kwam. ‘Hans heeft echt karakter getoond’, zegt Rosenmöller. ‘Hij is niet meegegaan in de roep van zijn partij om rechtsaf te gaan, in de hoop de LPF de wind uit de zeilen te nemen. Hij heeft vóór de verkiezingen werkelijk stelling genomen, terwijl hij electoraal gezien veel beter zijn mond had kunnen houden. Dat vond ik hartverwarmend.’

U schrijft in uw boek dat u Balkenende heeft gevraagd om openlijk stelling te nemen tegen de haatcampagne tegen links. Was u teleurgesteld dat hij dat naliet?
‘Niet echt. Ik ken de politiek een beetje. Het was eerder andersom: met Hans had ik het er niét over gehad. Ik was ongelofelijk blij verrast en opgelucht dat hij het wel deed. Zoiets doet je ontzettend goed.’

Ook over Wim Kok is hij opvallend lovend. Logisch, vindt Rosenmöller, want als er iémand opviel door z’n integriteit, dan was het Wim Kok. ‘Zoiets is voor het imago van de politiek heel belangrijk. Inhoudelijk had ik vaak kritiek op Kok. We hebben flink de degens gekruist. Maar je hebt alleen maar een goed debat als je elkaar begrijpt en respectéért.’

Hij moest vorig jaar hoofdschuddend toezien hoe zijn eigen vak door amateurs te grabbel werd gegooid. ‘Je voelde plaatsvervangende schaamte voor het feit dat jij óók volksvertegenwoordiger was.’ Daar kwam bij dat hij zijn vak een paar keer zelfs helemaal niet kon uitoefenen, omdat hem dat door bedreigingen onmogelijk werd gemaakt. ‘In de periode van de massale publieke rouw om Fortuyn dacht ik: wat is er in godsnaam met dit land aan de hand? Het was gekte, echt totale gekte. Toch heb ik van die gekte toen geen punt gemaakt. Dat leek mij in het toenmalige klimaat niet verstandig.’

‘Ik vond Fortuyn zeker geen afstotelijke man. Voordat we tijdens dat debat op de Erasmus-universiteit met elkaar botsten konden we het redelijk vinden. We respecteerden elkaar. Ik had echt graag meegemaakt dat Fortuyn had kunnen laten zien wat hij beloofde. Vanuit democratisch oogpunt, en omdat ik het hem als persoon heel erg gunde. Of hij het had gekund weet ik niet. Hij was geen teambuilder, wat je als minister-president wel moet zijn.’

Vanaf de avond van die fatale zesde mei kwamen de doodsbedreigingen binnen, per mail en via de brievenbus. Rosenmöller en zijn gezin werden onder permanente bewaking van de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) geplaatst. ‘Bij het eerste debat met het CDA/VVD/LPF-kabinet –eind juni- heb ik mezelf echt moeten dwingen om te reageren. Ik dacht: ik moet hier doorheen.’ Het was een moeilijke stap, zegt hij. ‘In gedachten hoor je de brievenbus klepperen. Vooral Lia (zijn vrouw-CV) had heel erg de overtuiging: we gaan ons er niks van aantrekken. Terwijl zij en de kinderen ook ernstig bedreigd werden.’ Hij had wel vaker dreigementen gehad. Ten tijde van sommige havenstakingen hield de politie bewust een oogje in het zeil. In 1995 kreeg hij na bedreigingen uit neo-fascistische hoek zelfs persoonsbeveiliging. Maar het was nog niets vergeleken met vorig jaar. Kogelbrieven heeft hij nooit gehad, maar wel de gruwelijkste dreigementen. Voor 1 juli moest hij zich uit de politiek terugtrekken, anders zou hij weduwnaar worden. Hij is de DKDB, die vier maanden over hem en zijn gezin waakte, nog altijd dankbaar. ‘Door hun hielden we vertrouwen in de toekomst. We hadden zorgen, heel grote zorgen, maar de echte angst werd weggenomen omdat zij er waren.’ Desondanks deden zich gruwelijke incidenten voor. Zijn dochtertje van tien werd op school door een oudere jongen een plastic pistool voorgehouden: “de volgende die vermoord wordt, is Paul Rosenmöller”. En toch zijn ze er met z’n vieren goed doorheen gekomen, taxeert hij. ‘Als bij ons thuis het woord “dood” valt, kunnen de kinderen opeens heel erg schrikken. Ook als er politie door de straat rijdt is er een bovengemiddelde alertheid. Maar er is niet voor altijd iets kapotgegaan. Het zijn ervaringen geweest die je nooit meer kwijtraakt. Ad Melkert had het op de avond van de vijftiende mei over een kras op de ziel. Dat is precies zoals ik het voel. De kras is inmiddels een litteken geworden; je kunt er goed mee leven, hoewel het soms nog schrijnt.’ De beveiliging werd na vier maanden langzaam afgebouwd. Aanvankelijk zag hij er enorm tegenop om weer alleen over straat te moeten. ‘Ik kan mij nog heel scherp de eerste avond herinneren dat ik in Den Haag was en Lia thuis, met de kinderen. Da’s toch erg spannend. Dan bel je over en weer: “hoe voel je je? Gaat het een beetje?”

Durft u inmiddels zonder schroom naar De Kuip?
Na lang nadenken: ‘Misschien wel zonder schroom voor dit soort dingen. Ik vind de herkenning zelf alleen niet zo prettig meer.’ Hij vertelt over de Marathon van Rotterdam, die hij afgelopen april zou lopen. De dag voor de wedstrijd zou hij met Radio Rijnmond alvast het parcours verkennen. Plotseling werd hij gebeld door de Rotterdamse politie. ‘Die vertelde dat op Radio Rijnmond was gemeld dat ik de marathon zou lopen. In die uitzending had een verslaggever van Radio Rijnmond geroepen: “Paul Rosenmöller loopt mee. Dat zullen de Jonge Fortuynisten leuk vinden”. De politie had het raadzaam gevonden mij daarvan op de hoogte te stellen. Daarop heb ik Radio Rijnmond gebeld: “jongens, dit kán gewoon niet”.’ Hij heeft de marathon uiteindelijk wel gelopen. Al spookte het tijdens de route wel door z’n hoofd. ‘Twee, drie toeschouwers maakten er ook een toespeling op.”Hé… Fortuyn!” Veel anderen juichten mij juist toe. Dat was ook wel mooi.’

Hij volgt de huidige politiek nog op de voet. Het mislukken van de CDA-PvdA-formatie zag hij met verbijstering aan. Balkenende en Bos hadden veel meer in elkaar moeten investeren, oordeelt Rosenmöller. ‘Dat is de schuld van beiden. Alleen had Bos zich beter moeten realiseren dat dit de enige manier was om in het kabinet te komen. Balkenende zou toch wel premier worden.’ Hij ziet de huidige premier langzaam in zijn rol groeien. ‘Bij de Algemene Beschouwingen wist hij zich goed te meten met andere hoofdrolspelers. Dat is ook voor de oppositie belangrijk; je moet tegendruk voelen. Een minister-president moet gezag uitstralen. Toen hij bij Bush was kon je nog niet bepaald trots op hem zijn. Maar dat bezoek stond vooral in het teken van de vraag: slaagt Jaap de Hoop Scheffer voor zijn NAVO-examen?’ Opverend van z’n stoel: ‘Want dát is pas écht een bijzonder verhaal. Twee jaar geleden zat Jaap nog achterin de bankjes van het CDA. Ik sprak hem weleens; hij was echt helemaal kapot. Maar hij heeft nooit met modder gegooid. Dat heeft hem zijn ministerschap opgeleverd. Ik vond Jaap één van de weinige goede ministers in Balkenende 1; krachtig, en altijd goed gedocumenteerd. Die NAVO-baan komt hem toe. Ik gun het hem gewoon, voor de volle honderd procent.’

Rosenmöller heeft, zegt hij, geboeid gekeken naar het NPS televisiedrieluik De Tweede Kamer. Dat ligt voor de hand, omdat hij bijna iedereen persoonlijk kent. Sommige elementen uit de serie vond hij erg opgeblazen.. ‘Dat hele gedoe over Agnes Kant, die zich een paar keer zit op te maken, vond ik ronduit flauw. Het is tamelijk normaal dat je jezelf fatsoeneert voordat je voor de camera’s verschijnt.’ De scherpe uithalen van Jan Marijnissen naar Agnes Kant waren voor Rosenmöller wél nieuw. ‘Dat ging er erg pittig aan toe. Wij hebben in de fractie ook felle discussies gehad, maar hier werd toch duidelijk iemand in de hoek gezet. Zo’n goede en professionele politicus als Jan vergeet heus niet dat er een camera bij is. Waarschijnlijk heeft Jan een hoog verwachtingspatroon van Agnes en neemt hij haar daarom extra streng de maat. Ik begrijp het mechanisme, maar dit was van een hardheid die mij niet erg aansprak.’

Het politieke bedrijf is in de afgelopen veertien jaar behoorlijk veranderd, heeft hij gemerkt. Vroeger ervoeren mensen het nog als een eer om volksvertegenwoordiger te worden. Dat is definitief voorbij. Rosenmöller: ‘Een staatssecretariaat telt al niet meer mee, en een ministerschap moet wel heel bijzonder zijn wil je daar “ja” tegen zeggen. Het Kamerwerk is ook veel meer korte termijnwerk geworden. Vandaag scoren, morgen weer vergeten. Die manier van werken doet geen groot appèl op intellectuele vermogens. De intellectuele kant van de zaak komt pas om de hoek bij lange-termijnvisies. Bij de meeste partijen komen die nooit aan de orde. Terwijl het prachtig kan zijn om bij de Algemene Beschouwingen een mooi betoog over het liberalisme te horen. De Tweede Kamer als ontmoetingsplaats van ideeën en visies bestaat bijna niet meer. Dat is echt een verlies.’

Paul Rosenmöller lag de laatste periode van zijn politiek leiderschap regelmatig onder vuur. Hij zou onder meer te slap hebben opgetreden in de affaire Singh Varma. De kritiek zwol verder aan nadat Groenlinks ten aanzien van de oorlog in Afghanistan een wonderlijke zwenkkoers volgde. “Ik zag het allemaal tussen mijn vingers wegglippen”, noteert Rosenmöller in Een mooie hondenbaan. “Tegelijkertijd kon ik er, met het gezelschap dat er zat, niets mooiers van maken.” Dat klinkt inderdaad als een noodkreet van een man die de regie volkomen kwijt is, beaamt hij. ‘Doordat ik over Afghanistan te lang één lijn wilde hebben in de fractie, kom je met een compromis dat ongemakkelijk is. Daarom hebben we op het congres in januari 2002 ruiterlijk toegegeven dat we fout zaten.’

U begon als leider uw glans te verliezen.
‘Dat is niet helemaal waar. Tot 6 mei ging het heel goed in de campagne. Als er één moment uit die campagne steeds werd teruggehaald, dan was het dat debat waarin ik Fortuyn stil kreeg. Daar werd vrij lovend op gereageerd. Na 6 mei werd alles anders. Ik hield me stil, er kwamen onzinnige geruchten in de media dat ik mij terug zou trekken. Ik ben er bij de Algemene Beschouwingen bewust stevig tegenaan gegaan. Maar ik vroeg me wel af: ben ik niet een beetje over mijn hoogtepunt heen? Ik hoorde mezelf steeds vaker praten. Het was na Balkenende 1 tijd voor een nieuwe fase, voor mij en de partij.’

Bent u niet te lang blijven zitten?
‘Nee, dat lijkt me niet. Er was gewoon geen eerder moment dat ik weg kon. Ik wilde persé die 15 mei-verkiezingen doen. Daarna heb ik vier maanden in een kooi geleefd. Twee maanden later was het kabinet al gevallen. Daar heeft het niet in gezeten.’

Er moet voor uw gevoel wel een echte cesuur in uw loopbaan zijn: de periode vóór en na 6 mei 2002.
‘Dat zie ik zo niet. Het is één periode met wisselende momenten en emoties. Uiteindelijk hebben die veertien jaar me veel gebracht. Het was een continue confrontatie met ideeën van anderen. Je leert vooral dat je alleen kunt práten, als je ook kunt luísteren.’

Ziet u zichzelf straks onbevangen iemand als Peter Langendam interviewen?
‘Ja, dat kan ik. Die professionaliteit heb ik wel. Ik zie niet om in wrok, ik kijk liever vooruit.’

Een mooie hondenbaan van Paul Rosenmöller verscheen bij Uitgeverij Balans.

© Coen Verbraak, 2003