‘Het heeft mij opgebroken dat ik veel te aardig ben. Ik had mij meer als een diva moeten gedragen, als een vervelende ster die mensen tegen hun schenen trapt. Ik dacht het levende bewijs te zijn dat je in Hilversum een eind kunt komen zonder vriendjes, kruiwagens en netwerkjes. Dat is absoluut gelogenstraft. Als ik die vriendjes had gehad, dan had ik van dit plan geweten.’ Het leek zo’n heel gewone dag, die maandag de zeventiende juni. Eigenlijk was het een ‘typische NOVA-dag’, nu Rob Trip (42) er zo op terugkijkt. De eerste normale uitzending na de spraakmakende programma’s over opruiende preken van imams. Trip weet het nog precies; er zat een ‘goede, degelijke reportage’ over het VMBO in, gevolgd door een aardig studiogesprek met Mischa de Winter, ‘de broer van Harry’. Na afloop van de uitzending was NOVA-hoofdredacteur Rik Rensen er ook nog. Dat gebeurde wel meer. Iedereen op de redactie wist dat Rensen lange dagen maakte, druk bezig met een nog onbekend plan voor de toekomst van NOVA. Het moet rond half twaalf geweest zijn toen Rensen Trip vroeg of hij nog even op z’n kamer langs wilde komen. Ja hoor, hij kwam zo. Eerst nog even een mailtje versturen. Nog geen vijf minuten later hoorde hij dat zijn loopbaan een volkomen andere wending zou nemen.
‘Rensen vertelde vrij kort en zakelijk dat er een totaal nieuw format zou komen, inclusief andere presentatoren die hij inmiddels had aangezocht. Kees (Driehuis) en Margriet (Vroomans) had hij al gebeld, en ik hoorde het nu. Volgens Rensen omdat het voor negentig procent zeker was dat het de volgende dag in de Volkskrant zou staan. Ik was flabbergasted, dacht: dit is volkomen gestoord. Vragenderwijs heb ik nog wel wat dingen teruggezegd: vind je het slim om een programma te doen dat sprekend op Barend & Van Dorp lijkt? En wat gebeurt er met de huidige presentatoren? Nou, die zouden een “satellietfunctie” krijgen, door op lokatie bijvoorbeeld de Franse verkiezingen te verslaan. Ik zei nog: volgens mij zijn die maar eens in de vier jaar. Het hele gesprek heeft hooguit tien minuten geduurd. Daarna ben ik weggegaan, en totaal verbijsterd naar huis gereden.’
Het was, geeft Trip toe, wel een heel lang eind door de nacht, dat uur van Hilversum naar zijn woonplaats, vlakbij Nijmegen. Maar hij heeft niet naar zijn vrouw gebeld. ‘Ik wist dat Petri al lag te slapen. Ook toen ik binnenkwam heb ik haar niet gewekt. Midden in de nacht werd ze wakker en vroeg: “hoe was de uitzending?”. Nou, wel goed, zei ik. Maar ik moet je nog iets anders vertellen: ze gaan het programma opheffen. “Wat? Ze zijn gek”, zei ze. Dat dacht ik ook. Létterlijk: ze zijn stapelgek geworden.’ De echte woede kwam de volgende dag, vertelt Trip: ‘Ik werd beheerst door één gedachte: hoe dúrven ze! Dat denk ik nog steeds. Waar halen ze de godvergeten brutaliteit vandaan? Het is een soort presentatorenwissel zoals je die bij Koffietijd of De Vijfuur-show misschien doet, maar niet bij NOVA. Ik kan me best de situatie voorstellen dat er een nieuwe hoofdredacteur aantreedt die het helemaal anders wil. Maar zo’n programma is geen koekjesfabriek, waarbij je de lopende band de andere kant op zet; “en nu gaan we geen spritsen maar kano’s maken”. Zelfs als je dat doet, dan is het in iedere beschaafde organisatie nog zo dat je de direct betrokkenen een uitweg biedt, zonder dat heel Nederland kan meegenieten. Ik had een half jaar de tijd moeten krijgen om te regelen wat ik nu in zes weken moest regelen.’
De dag van de publicatie in de Volkskrant belegde de NOVA-hoofdredactie in allerijl een bijeenkomst waarop de redactie verder ingelicht zou worden. Met een Powerpoint-presentatie werd daar uiteengezet waarom het oude NOVA niet deugde, en hoe het nou juist wél zou moeten. Trip zat met Driehuis en Vroomans op de achterste rij. Hij denkt nog steeds met grote bitterheid aan die bijeenkomst terug. ‘Het moest allemaal anders: twee nieuwe jongens, publiek erbij, met de nadruk op “emotie”. Want dáár ging het om: emótie. We moesten Wim Kok volgens de hoofdredactie niet interviewen zoals Ferry Mingelen dat twee dagen voor de verkiezingen deed. Dat was het helemaal niet. Nee, het moest zoals Barend en Van Dorp Kok ondervroegen. Dát was pas geweldig. De huidige presentatoren konden dat natuurlijk niet. Het was bovendien helemaal niet érg voor ze dat ze weg moesten. Zoiets hoorde nou eenmaal bij hun afbreukrisico. Jammer dan, risico van het vak.’ Zeer verbeten: ‘Alleen was het tot dan toe in het beschaafde deel van het Mediapark zo dat een eventueel “afbreukrisico” altijd van buitenaf kwam. Een hoofdredactie is ervoor om z’n mensen te beschermen. Sterker nog: er zijn hoofdredacteuren weggestuurd omdat ze maar even dit zeiden over één van hun medewerkers. Maar nee, dit kon allemaal. Het oude NOVA werd even bij het oud vuil gezet, inclusief de presentatoren. De botheid waarmee dat gebeurde –“dit hoort bij het vak”- deed voor mij de deur dicht. Ik dacht: bij dit deel van de omroep wil ik dus niet werken.’
Nam de rest van de redactie het voor jullie op?
‘Er waren er een paar die het heel erg voor ons opnamen, waaronder een eindredacteur en een paar mensen die niet bang waren. Maar de meesten zeiden niks.’
Stelde dat je teleur?
‘Nou, ik heb vrij bewust bijna alle contacten die week stilgelegd om te zien hoe de redactie zou reageren. Je moet achteraf helaas concluderen dat de redactie de hoofdredactie niet echt bij de strot heeft gegrepen. Veel mensen hebben zichzelf buiten schot weten te houden. Die definieerden het als een conflict tussen ons en de hoofdredactie, en wensten ons daar veel sterkte bij. Dat heeft absoluut meegespeeld bij mijn besluit om weg te gaan bij NOVA. Ik weet echt zeker dat mij dit bij Buitenhof of het Met het oog op Morgen, waar ik ook zes jaar gewerkt heb, niet zou zijn overkomen. Daar zou de redactie om mij heen zijn gaan staan.’
Ook twee maanden nadien is Trip nog steeds kwaad. Zijn zaken heeft-ie inmiddels geregeld: de NOS-radio neemt z’n televisiecontract over –hij gaat vier ochtenden per week het Radio 1-journaal presenteren- en bovendien blijft hij aan verbonden aan Buitenhof . Maar dat heeft z’n verontwaardiging allerminst getemperd. Hij praat over de affaire met een verbetenheid die niet lijkt te passen bij zijn imago van on-Hilversumse vriendelijkheid en bescheidenheid. Ze hebben hem dan ook op z’n hart getrapt, na zes jaar trouwe dienst bij NOVA. ‘Ik ben niet verbitterd, ik ben belédigd, ontzettend beledigd. Als ik er in het begin over sprak werd ik steeds opnieuw razend. Dat wordt langzaam minder. Maar dat beledigde gevoel blijft. Ik heb maar drie keer met Rik Rensen gesproken; vlak voordat-ie aantrad, die fatale avond en nog een keer daarna. De laatste keer was bizar, uitgerekend op de dag dat Rensen in het AD verklaarde dat nevenactiviteiten absoluut niet waren toegestaan. Want daar was door een aantal “slimme” collega’s naar gevraagd: mag Rob nog wel Buitenhof blijven doen? Nee, dat mocht niet. Maar in dat gesprek beweerde Rensen opeens dat dat toch allemaal anders lag. Toen wist ik voldoende. Iemand die zó snel eerst het ene en dan het andere roept kan ik niet serieus nemen. Dan blijft er voor mij maar één conclusie over: onbetrouwbaar. Voor mij was de vraag: ga ik terug of niet? Voel ik mij nog in veilige handen bij deze hoofdredactie? Nou, nee dus. Ik denk dat deze hoofdredactie elk recht op vertrouwen verspeeld heeft.’
‘De enorme beschadiging door zo’n affaire kun je je gewoon niet voorstellen. We waren thuis na mijn ziekte van vorig jaar net weer een beetje op orde. Ik werd op straat niet meer goedbedoeld lastiggevallen met: “ach meneer Trip, hoe is het nou met u?”. Het was allemaal weer enigszins normaal. En opeens kwamen de eerste bloemstukken alweer binnen. Nou, dan ga je door de grond. Die beschadiging is….onbeschrijflijk. Als dit in de kleine lettertjes had gestaan, dan had ik van tevoren nog ‘ns ernstig nagedacht over die televisiecarrière. Ik ben niet eens kwaad op Rensen. Die hele Rik Rensen interesseert me in feite geen fluit. Ik ben veel kwader op de mensen die dit hebben laten gebeuren, die mij niet beschermd hebben. Carel Kuyl (NPS-programmaleider – CV) hult zich nu in duizend excuses. Het eerste excuus was: “wat vervelend dat het in de krant is gekomen”. Maar als het daar niet in had gestaan, hadden we het een paar dagen later gehoord. Daar gáát het dus helemaal niet om. Het tweede excuus was dat alles opeens zó in een stroomversnelling was geraakt dat ze de regie waren kwijtgeraakt. Ook dat is flauwekul. Op die manier kan ik zelfs een excuus bedenken om de bank te beroven.’ Voor een deel is het allemaal wel te verklaren, analyseert Trip. Er zit in Hilversum veel muurvast. ‘Over dat tienuur-blok wordt al jaren vergaderd. Als daar op een gegeven moment door een soort bulldog beweging in lijkt te komen, dan is dat natuurlijk hartstikke leuk. Tegelijkertijd moeten daar mensen omheen staan die dat een beetje in bedwang houden, en in goede banen proberen te leiden. Dat is dramatisch ontspoord. Ik heb beloofd dat ik de NPS geen schade zal berokkenen, maar ik denk dat ze daar ernstig in verwarring zijn. De NPS heeft zichzelf en NOVA ontzettend veel schade toegebracht. Dat hele beeld van “solide en betrouwbaar” is in één klap weg. Dat is ook een reden geweest dat ik niet terug wilde. Ik zag mezelf daar al bij NOVA zitten, zeg. Hoe had ik in vredesnaam iemand scherp kunnen bevragen over een sociale misstand in zijn bedrijf? Die man had toch direct geroepen: “moet je horen wie het zégt!”. Met terugwerkende kracht is dat hele programma kapotgemaakt.’
‘Weet je wat ik zo frappant vind? Er zijn ongelofelijk veel mensen die ik niet persoonlijk ken geweest die het in het openbaar voor mij hebben opgenomen, terwijl dat helemaal niet hoefde. Tot Mies Bouwman en Adriaan van Dis toe. Maar er waren ook mensen die in de positie waren om iets te schrijven, terwijl ze zichzelf toch buiten schot hielden. Paul Witteman heeft in de VARA-gids een aantal columns geschreven over NOVA; quasi-lollige stukjes over hoe dat gaat met kijkcijfers en dergelijke, zonder zich werkelijk uit te spreken. Zoiets vind ik echt irritant. Ik wens niemand een soortgelijke situatie toe, maar voor sommigen zou het weleens leerzaam kunnen zijn. Het kan best dat hij het een geweldig plan vindt, maar laat-ie dat dan zéggen. Dat soort dingen zijn me enorm tegengevallen.’
Aan de andere kant wil-ie het niet overdrijven. Hij heeft voor verzengender vuren gestaan. ‘Voor iemand die bijna dood is geweest, is dit uiteindelijk toch peanuts.’ Het gebeurde in maart vorig jaar. Trip was net terug van een wintersportvakantie met z’n gezin (hij heeft twee zoons, van tien en dertien). Lekker uitgerust, helemaal klaar om ’s maandags weer aan het werk te gaan bij NOVA. De zondagavond daarvoor kreeg-ie plotseling barstende hoofdpijn. De volgende dag had-ie echt griep. Dácht-ie. Trip: ‘De hoofdpijn was nog veel erger geworden, en ik moest verschrikkelijk overgeven. Dat heeft twee dagen geduurd. In de loop van de tweede dag begon ik in de war te raken. Als ik uit het slaapkamerraam keek, dacht ik: hé, de sneeuw is weg. Terwijl er alleen op m’n vakantieadres sneeuw had gelegen. Ik belde even met NOVA om te zeggen dat ik nog steeds niet lekker was. Toen ze even later terugbelden was ik stomverbaasd: hoe kunnen ze me hier nou vinden op mijn vakantieadres? Later hoorde ik van de eindredacteur dat ik klonk alsof ik een slok ophad.’ Zijn vrouw schakelde de dokter in, die Trip onmiddellijk naar het ziekenhuis doorverwees. ‘Daar ging het heel snel bergafwaarts. Ik bleek een sinustrombose te hebben: een bloedpropje in de hersenen. Dat kun je op twee manieren hebben: het kan in de bloedtoevoer zitten. Dat is dramatisch, omdat je er dan niet zonder schade vanaf kunt komen. Maar het kan ook in de bloedafvoer zitten, zoals bij mij. Dan moet je het geluk hebben dat iemand het tijdig onderkent. Mijn vrouw had al een paar keer gezegd: “maak nou alsjeblieft een scan van z’n hoofd”. Maar dat was moeilijk, er was te weinig apparatuur en personeel beschikbaar. En ze vonden mij geen noodgeval.’
Trips toestand verslechterde zo snel, dat hij in coma raakte. Toen de MRI-scan daarop alsnog werd gemaakt, ontdekte men het propje in z’n hoofd. ‘Ik werd volgepompt met bloedverdunners, waardoor het langzaam oploste. Ondertussen ging ik zienderogen achteruit. Ik was aan het doodgaan, moest aan de beademing. Dat is heel dramatisch geweest voor mijn vrouw. Je mag mensen die in coma liggen namelijk niet zomaar beademen. Dat moet je exact afstemmen op wat iemand nog kan. Anders kun je iemand er totaal invalide mee maken. Maar dat kun je alleen beoordelen als iemand bijkomt. Er waren maar twee mogelijkheden: niet beademen -dan zou ik zeker doodgaan- of wel beademen zonder dat ik was bijgekomen, met het gevaar van invaliditeit. Een afgrijselijk dillemma. In die uren heeft Petri naast mijn bed aan één stuk door tegen me gepraat: “blijf ademen, Rob. Blijf ademen”. En toen… ben ik heel even bijgekomen.’ Hij pauzeert, probeert nadrukkelijk iets weg te slikken. Ja, natuurlijk grijpt dat ‘m aan, zegt-ie verlegen. ‘Ik realiseer me wat ze moet hebben doorstaan.’ Hij kan zich het moment van ontwaken ook nog herinneren. ‘Opeens zag ik boven mij een vrij strenge mevrouw met een kapje op haar hoofd, die vroeg: “vindt u het goed dat we u gaan beademen?”. Zelf is-ie geen moment bang geweest. ‘Ik had geen benul dat ik aan het doodgaan was. Dat is pas later tot mij doorgedrongen. Afgelopen januari lag ik weer even in het ziekenhuis. Achteraf blijkt er namelijk meer schade te zijn aangericht dan werd vermoed. Er zitten drie bloedvatkluwens in m’n hoofd, waarvan één bij m’n linkeroor. Daar heb ik soms last van, omdat het soort een knarsend geluid veroorzaakt. In januari hebben ze geprobeerd daar wat aan te doen. Toen realiseerde ik me pas goed wat er allemaal met me gebeurd was. Pas toen zag ik hoe gevaarlijk het was geweest. Op het moment zelf was ik buiten westen. Toen ik bijkwam was ik vooral heel erg kapot, en zag ik overal verdrietige mensen om mij heen.’ Daarna volgden drie maanden van moeizaam herstel. ‘M’n evenwicht en m’n motoriek waren zoek. Ik dacht bijvoorbeeld op zeker moment dat ik mijn handschrift weer terughad. Achteraf zie ik dat dat absoluut niet zo was. Dat heeft misschien wel een jaar geduurd. Maar als je beter wilt worden moét je zulke dingen denken. Je bent in het begin al zielsgelukkig als je op de fiets naar het postkantoor kunt, met de wind om je oren. Langzaam verschuift dat, ga je je druk maken om je rijbewijs. De mooiste vakantiepost van dit jaar was een bericht van het CBR dat mijn rijbewijs weer voor vijf jaar verlengd is.‘
Was je niet bang dat er door die coma mentaal iets zou zijn aangetast?
‘Nee. Ik heb altijd geweten dat het puur lichamelijk was. Van fysieke dingen liep het zweet van m’n lijf. Als ik naar het prikbord in m’n kamer liep om een kaartje van dichtbij te bekijken, was ik al totaal kapot. Maar met het lezen van die kaartjes had ik helemaal geen moeite. Ik ben ook direct weer de krant gaan lezen, en de nieuwste van Mulisch. Om mezelf te oefenen denk ik. Natuurlijk speelde het wel door m’n hoofd toen ik weer ging werken. De eerste keer dat er een interview minder goed ging, dacht ik: gadverdamme, ze zullen nu toch niet gaan denken dat… Maar dat was na een paar keer wel weg.’
De kans dat hij opnieuw een herseninfarct krijgt, is voor Trip net zo groot als voor ieder ander. Hij waant zich met bloedverdunners en regelmatige controles juist veiliger dan ooit. Maar hij realiseert zich tegelijk dat hij in geleende tijd leeft. ‘Sindsdien is er geen dag geweest dat ik er niet over nadenk. Dat ik dóód had kunnen zijn … dat is zoiets onbevattelijks. Alle verhoudingen zijn nu ook anders. Ik kon in het begin echt jaloers zijn op mannen van zeventig, met van die mooie doorleefde koppen. Die hebben toch maar mooi al die tijd gelééfd. Toen ik thuiskwam stond het hele huis vol bloemen. En ik dacht: zo zou het dus ook geweest zijn als ik was gestorven. Een huis vol bloemen, in het begin veel bezoek, en daarna langzaam weer het gewone leven. De impact op m’n gezin is heel groot geweest. Ik lag op m’n verjaardag in coma. Mijn kinderen hebben naast m’n bed gestaan, met tekeningen die ze toch maar voor papa gemaakt hadden. Een paar maanden geleden viel de jongste aan tafel plotseling tegen me uit: “ja, jij sláápt ook altijd maar”. Toen bleek-ie aan dat moment te refereren. Daarom is het effect van die NOVA-toestand hier thuis ook niet zo groot geweest. Mijn kinderen maken er zelfs grapjes over. In vergelijking met vorig jaar stelt dit natuurlijk niets voor. Ik heb m’n werk altijd al kunnen relativeren. Dat is alleen maar sterker geworden. Hoe diep ik ook gekwetst ben door NOVA, je denkt uiteindelijk toch eerder: zakken jullie daar maar gewoon met z’n allen in de blubber.’
© Coen Verbraak, 2002
|