|
|
HANS MAARTEN VAN DEN BRINK
|
|
Wat had Hans Maarten van den Brink, succesvol NRC-journalist met literaire aspiraties, vijf jaar geleden nou eigenlijk te zoeken bij de VPRO? Laat hij eerlijk zijn, reageert Van den Brink, Het was gewoon ambitie. Pure ambitie. 'Ik ben een draufgänger. Is het moeilijk? Dan zal ik eens even wat laten zién. Kwestie van "mijn grenzen zoeken". Bij de NRC had ik zo'n beetje alles wel gedaan: kunstredactie, op mijn negenentwintigste een correspondentschap in Amerika. Toen de VPRO belde had ik al een tijdje het gevoel dat ik vast zat, dat er niets meer zou gebeuren in mijn leven.'
Wat hij aantrof toen hij in 1995 aantrad? Hij aarzelt. Zijn vrouw Jinke, aan het werk in de keuken, schiet eerder in de lach dan hij. 'Het was een heel lastige situatie', antwoordt Van den Brink vervolgens diplomatiek. 'Ja', vult zijn vrouw hem aan, 'want je zei: onder deze omstandigheden ben ik binnen drie maanden weer weg.'
Er waren forse stapels werk blijven liggen, constateerde de net aangetreden hoofdredacteur tot zijn schrik. En hij werd vanaf de eerste dag met wonderlijke mores geconfronteerd. 'Er kwam iemand mijn kamer binnen: "Ik ben eindredacteur van Lopende zaken en ik leg mijn functie neer". En ik: hoe moet dat dan met het programma? "Ja, dat weet ik niet. Jij bent de hoofdredacteur." 'Oh.' Er wachtten de nieuwe hoofdredacteur curieuze verrassingen. Allereerst bleek er in de interim-periode teveel geld te zijn uitgegeven: er was een tekort van viereneenhalf miljoen. Of Van den Brink maar even wilde beginnen met bezuinigen. Bovendien was hem te weinig verteld over afspraken die met de andere Nederland 3-omroepen waren gemaakt over samenwerking. Hij kan zich het eerste "netbespelers-overleg" met onder meer Vera Keur (VARA) en Willem van Beusekom (NPS) nog glashelder herinneren. 'Ik dacht nog: gezellig, even ontspannen kennismaken. Ze vroegen naar mijn plannen. Ik kwam met een slap lulpraatje: ach ja, de VPRO voortzetten en een beetje uitbouwen. Waarop zij in koor riepen: "oh? Maar dát is de bedoeling niet. Jij moet dat allemaal ingrijpend veranderen. Dat heeft de VPRO toegezegd." Het kwam erop neer dat de VPRO op programma-gebied geleidelijk moest fuseren met VARA en NPS. En ik dacht: fúck. Waarom wéét ik dit allemaal niet?' Hij heeft zich destijds aan deze keukentafel meermalen hardop afgevraagd of hij er nou wél of niet ingetuind was. 'Het antwoord was uiteindelijk toch "nee". Er zat totaal geen kwaadaardigheid, geen boze opzet achter. Het lag aan mij. Ik had duidelijker vragen moeten stellen: wat zijn er voor afspraken, is de kas op orde? Dat heb ik niet handig gedaan. Maar omdat ik zo van buiten Hilversum kwam, had ik dat allemaal niet door.' Hij was gewaarschuwd dat vergaderingen met eindredacteuren bij de VPRO per definitie op ruzie uitliepen. 'Bij de eerste vergadering stond er al iemand op: "Ja, ik weet niet wat u hier komt doen, maar wellicht is het wel voorbij met de VPRO. Adios amigos!". Dat soort dingen tekenden de sfeer. Maar ik heb niet lang geaarzeld, ik vond dat ik niet weg mocht lopen. Geleidelijkaan is de sfeer beter geworden. Al is-ie nog steeds niet optimaal.'
De VPRO is de laatste vijf jaar duidelijk veranderd: de omroep is een bedrijf geworden. Dat kon ook niet anders, vindt Hans Maarten van den Brink. 'Je kunt heel nostalgisch doen over de familie die we ooit waren. Maar als we dat gebleven waren, dan was de VPRO nu verdwenen.' Toch is de VPRO onder jouw leiding een omroep in de marge geworden. 'De VPRO is altijd een omroep in de marge geweest. Alleen stond de marge vroeger veel centraler. Mensen moésten met twee netten wel naar Barend Servet kijken.' De kijkcijfers zijn schrikbarend laag. En televisie is wel een massamedium. 'Almaar minder. En we zijn als omroep absoluut geen marginaal verschijnsel. We hebben wel degelijk invloed.' Het is alleen moeilijker gebleken dan gedacht om de VPRO weer spraakmakend te maken, geeft hij toe. 'Maar wat is nou nog wel spraakmakend?', riposteert hij. 'Ook Paul de Leeuw is totaal ongevaarlijk geworden. De VPRO doet het in de ogen van de critici nog het best. We hebben de afgelopen jaren drie keer een Nipkov-schijf gekregen en twee keer een eervolle vermelding. Alle andere omroepen samen komen daar niet aan. Dan denk ik: wie is hier nou spraakmakend?' Grijnzend: 'Wij maken de beste programma's van Nederland, mijnheer.' Maar toen jij begon wilde je de VPRO toch weer op de kaart zetten . 'Dat doe je niet door op een groot publiek te mikken. Dat doe je door dingen over de maatschappij te zeggen. Dat is misschien nog het moeilijkste gebleken; voor veel VPRO-medewerkers is "journalistiek" nu eenmaal een vies woord. Een enkeling zegt nog steeds: "Ik wil één programma per jaar maken, en dan ben ik al moe genoeg". We hebben heel duidelijk keuzes gemaakt. Toen ik kwam deden we een beetje van alles: soms een actueel programma niet te vaak, want daar had niemand zin in - dan weer een registratie van een balletvoorstelling. Het was allemaal enigszins onsamenhangend. Eén van de grote manco's was en is dat de VPRO zo gesloten is. De VPRO heeft de neiging zich enorm met zichzelf bezig te houden. Maar een mediabedrijf definieert zichzelf juist door wat het over de buitenwereld zegt. Niet almaar dat gedoe van: wie zijn wij, pást dit wel bij ons? Dat moet je helemaal niet doen. Je moet het over de buitenwereld hebben.' Vanuit die gedachte werd ook De wereld volgens Dummer geboren. Maar wat een spraakmakend, vernieuwend actualiteitenprogramma had moeten worden strandde binnen een jaar, door interne strubbelingen. 'Dummer is niet mislukt', zei Van den Brink drie jaar geleden in Vrij Nederland. 'Ik vond het een goed programma, maar nog niet goed genoeg.' Hij wil er nu meer over kwijt. 'Het is een ontzettende nederlaag geworden, mijn grootste teleurstelling in de afgelopen vijf jaar. We wilden allemaal een actuuel programma, maar het werd toch teveel een programma volgens de tradities van de VPRO-radio uit de jaren zeventig: wij reizen de wereld rond, en omdat u ons van die dekselse kwajongens vindt, wilt u natuurlijk wel horen wat wij beleven. Maar de tijd is veranderd: de kwajongens lopen tegen de vijftig, en de kijker heeft daar geen geduld meer voor.' Het einde van het programma leverde een onoplosbaar conflict met eindredacteuren Roel van Broekhoven en Lex Runderkamp op. Later volgde nog een ferme aanvaring met Harmke Pijpers, die daarop de VPRO verruilde voor de AVRO. Van den Brink spreekt tegen dat hij een 'conflictenman' zou zijn, die slecht met anderen kan communiceren. 'Hoe kom je erbij?', zegt hij, met grote, opblauwende ogen. Bovendien: drie conflicten in vijf jaar tijd, dat is echt niet zoveel. Misschien wel te wéinig. 'Ik ben veel te voorzichtig begonnen. Daar heb ik grote fouten in gemaakt. Zeker bij Dummer. Ik heb mensen verkeerd ingeschat, heb machtsspelletjes onderschat. Natuurlijk moet je diplomatiek zijn in zo'n lastig bedrijf. Maar ik ben in de loop der tijd almaar minder gecharmeerd geraakt van het consensus-model. Omdat er zo ontzettend weinig uit voortkomt. Voor een creatief proces is consensus niet erg waardevol.' Hij is wel degelijk een man van nuances, zegt hij. 'Als je mijn boeken leest kun je onmogelijk volhouden dat ik dat niet ben. Ik kan mij heel goed verplaatsen in de standpunten van anderen. Maar ik streef ook naar helderheid.' Anderen zeggen: Hans Maarten zegt bij conflicten gewoon: er ís geen conflict. 'Ik herken deze opmerking, maar ik ben het er niet mee eens. Als je het met iemand oneens bent, is dat nog niet hetzelfde als een conflict. Ik was geërgerd door wat Harmke Pijpers in de pers over mij beweerde. Maar je hebt mij in de media nooit boos over haar gehoord. Dat programma dat ze bij de AVRO maakte had ze eerst bij ons aangeboden. Het leek mij niets voor ons. Nadat ik het gezien heb, ben ik nog 'ns in die mening gesterkt. Maar is dat dan een conflict?' Als alles als water langs je afglijdt heb je dus nooit conflicten.
'Oh, ik heb wel conflicten. Maar als ik boos ben duurt het nooit zo lang. Niet uit nobelheid, eerder uit arrogantie. Ik ken mezelf, zie anderen en denk: ach ja, jij zit ook maar opgesloten in je eigen hoofd en je eigen achtergrond. Dat is één van de redenen dat ik nu wegga: het is goed als er nu iemand komt met andere beperkingen.' Ik vraag wat zijn beperkingen dan precies zijn. Hij denkt lang na. 'Ik ben ongeduldig', zegt hij dan glimlachend. 'En ik kan erg drammerig zijn.'
'Het is gekte', beaamt hij. 'Maar als ik het rustig aan doe, kan ik het niet meer. Ik begin dan uitvluchten te zoeken: hier kan ik niet schrijven, want het is niet opgeruimd genoeg. Dat soort dingen.'' Je hebt laatst tegen Vera Keur gezegd dat jullie wel samen een adviesbureautje zouden kunnen beginnen. Verbaasd: 'Hè? Ja, die grap heb ik inderdaad gemaakt.' "Van den Brink & Keur; voor al uw omroepconflicten"? Grijnzend: 'Ach, we zijn allebei nogal uitgesproken types.' Tussen hem en Keur is alles weer volkomen normaal, zegt Van den Brink, ondanks de oriëntatie van de VARA op een commerciële constructie, eerder dit jaar. 'Ik was niet verontwaardigd, want ik zie de VARA als een organisatie die het eigenbelang altijd erg goed in de gaten houdt. Het wás trouwens geen oriëntatie, het was een regelrechte poging. Maar ik vond het absoluut moedig dat Vera vanuit haar standpunt heeft gezegd: we proberen het. Ik heb een zwak voor mensen die zich er in storten.' Hij is nooit kwaad geweest op Keur of de VARA, benadrukt hij. ' Integendeel: ik vond het spannend en dacht: en nou wij.' En nou wij?Was dat serieus? 'Nee, wij horen in het publieke bestel. Dat scheidt mij van Vera Keur. Ik heb totaal niet de ambitie om met RTL4 te concurreren. Vera vindt het een zwakte dat wij die strijd niet aangaan. En ik vind het een zwakte wanneer de publieke omroep zo tegen de commercie aanleunt. Ze hebben het verkeerd uitgerekend, de uitbraakpoging is mislukt. Maar Vera heeft een spel gespeeld dat ze qua omroeppolitiek ruimschoots heeft gewonnen. De VARA heeft zijn zin gekregen. Nederland 3 is niet die zender geworden waar cultuur en serieuze informatie een veilige plek hebben. De VARA heeft ook betere wapens: de kijkcijfers. Al kalven die ook daar op sommige plekken hard af. Hun publiek is vrij oud. Als je naar de demografie van hun kijkerspubliek kijkt: veel bejaarden.' Keur had het wel goed gezien. Binnen de huidige constructie met een almachtige netmanager heb je als omroep nauwelijks nog iets te vertellen. 'Dat is niet onwaar, alleen hoeft dat niet erg te zijn. De publieke omroep, met al die verenigingen, is een zinkend schip. Voor de VPRO, VARA of KRO zie ik nog wel een functie, als productiehuis. Maar zo'n TROS, schatten van mensen, hoor, maar een identiteit? Het is gewoon een bureau waar mensen de hele dag andere mensen zitten te bellen met de vraag of ze misschien een programma voor hun willen maken. Ze kopen gewoon de Postcodeloterij. Overigens een totale mislukking, een echt kijkcijferdebacle.' Van den Brink is een groot voorstander van netprofilering. 'Vera Keur roept: 'Dan zijn wij niet meer herkenbaar als omroep'. Terwijl de oplossing simpel is: zorg dat je je specialiseert, zodat je op één net komt. Wil je als bedrijf overleven, dan zul je moeten zorgen dat je programma's zich onderscheiden. "VPRO" moet een merknaam zijn. Waarom dacht je dat de VPRO als een van de weinigen niet links in de bovenhoek zijn logo projecteert? Als jij niet vanzelf ziet dat het "VPRO" is, hebben wij een probleem. Van den Brink noemt de macht van de oude omroepverenigingen "bespottelijk en achterhaald". Centrale sturing is onvermijdelijk. 'De omroepen zijn er zelf nooit uitgekomen. Zodra gegarandeerd wordt dat op Nederland 3 programma's over cultuur en serieuze informatie veilig zijn, schik ik mij in centrale sturing. Maar we zijn niet zo gek om zomaar onze oude schoenen in te leveren zolang we nog geen nieuwe hebben.'
Een paar dagen later spreek ik hem weer, nu in een restaurant aan de Amstel. Middenin het decor van zijn veelgeprezen novelle Over het water. Dankzij de verkoop van de buitenlandse rechten -Over het water verschijnt in vijf talen- kan Van den Brink zich veroorloven om minstens een jaar niet te werken. Toch is alle lof voor Over het water vrijwel langs hem heengegaan. 'Vorige week kreeg ik de Franse vertaling, Sur l'eau. Prachtige stofomslag, met op dat bandje "Gallimard". Eigenlijk waar je altijd van droomde: Gallimard, het summum van literatuur, met grote namen als Camus. En toch glijdt het langs me af. Ik vind het hooguit een uurtje leuk. Daarna denk ik er niet meer aan. Reacties van lezers en critici interesseren me niet wezenlijk.' De kritiek op Hart van glas, de opvolger van Over het water had hij ook voorzien, zegt Van den Brink. 'Ik geloof niet dat er ooit een boek zo'n extatische ontvangst heeft gehad als Over het water. Het was niet meer dan logisch dat dat bij een volgend boek anders zou gaan.' We praten verder over Over het water. De novelle heeft, zeg ik, een sterk homo-erotische ondertoon. 'Ja. En?' Dat kan geen toeval zijn. 'Nee, niks is toeval. Soms is het alleen niet zo gecontroleerd.' Bedoel je dat het je ontglipt is? 'Nee, je weet wat je neerzet. Alleen weet je soms niet goed waar het vandaan komt. De combinatie "sport" en "mannenlijven" heeft altijd iets van homo-erotiek in zich. Gerrit Komrij schreef ooit dat "homo-erotiek" en "kunstenaarschap" met elkaar te maken hebben. De hoofdpersoon uit het boek leert van zichzelf te houden. Daarmee houdt-ie dus van een man. Het boek gaat over fysieke ervaringen. Dit hoorde daar gewoon bij.' Zelf was Van den Brink als jongen heel onzeker over zijn lichaam. Hij was 'een lang, mager scharminkel, de klassieke kruk in de ringen'. Tot hij zijn fysieke mogelijkheden ontdekte. 'Ik kon prima hardlopen, kon heel goed in de touwen klimmen. Een vorm van zelfaanvaarding: wow, dit ben ik. Ik kan niet alleen op bed boekjes liggen lezen, ik ben ook een lichaam.' Hij groeide op in Oegstgeest. Zijn vader was als psycholoog verbonden aan het psychiatrisch ziekenhuis Endegeest. Als jongetje mocht hij vaak mee naar het park van de inrichting. 'Lekker wandelen tussen de gekken.' Hij moet thuis nog ergens de sleutel van het hek hebben, al is dat hek sinds jaren weg. Hij was de oudste van drie jongens. Zijn leven begon ronduit slecht: in zijn eerste jaar kreeg hij kanker. Van den Brink kan zich er zelf niets meer van herinneren. Later was hij vooral een dromerig van-de-wereldkind, dat graag in zichzelf praatte. Totdat hij rond zijn tiende opeens ruw werd wakkergeschud toen zijn vader het gezin verliet. 'Op een dag was-ie weg. De jaren zestig; mijn vader ging zichzelf ontdekken.' Van de ene dag op de andere werd hij de man in huis. Het heeft hem gevormd, denkt hij, op een positieve manier. 'Het was een heel verdrietige ervaring, maar mijn zelfredzaamheid is er zeer groot door geworden. Je kunt als het moet je eigen vader worden. Dat is ook schrijven: jezelf uitvinden. Niemand helpt je, je moet het allemaal zelf doen. Ik ben heel eendimensionaal in dat opzicht: een flinke jongen zijn, dat is het antwoord op alles.' Geld was er na de scheiding niet meer. Zijn moeder, opgegroeid in Duitsland, moest de deur uit om te werken. 'Mijn moeder was echt een immigrant, een gastarbeider. Ze sprak de taal slecht, moest vechten voor haar bestaan. Haar boodschap aan ons was letterlijk: "luister, je hoort hier niet echt. Alleen als je harder werkt dan de anderen, red je het." Zij had dat weer van haar vader, besef ik nu; een kleine Poolse gastarbeider, die als kind geen woord Duits sprak en toch hoofdonderwijzer wist te worden. De klassieke immigranten-ethiek. Je hebt nergens recht op, je moet alles verdienen.' Zijn moeder kwam in 1954 vanuit Duitsland naar Nederland. 'Geen tijd waarin je als Duitse erg populair was.' Zijn broertjes en hij waren buitenbeentjes, uit een 'raar gezin'. Dat hun moeder ze in Lederhosen naar school stuurde, hielp ook niet echt mee. 's Winters een lange, 's zomers een korte, inclusief bretels met een fraai hertengewei erop. 'Ze had niet door dat dat niet kon. In Duitsland is het heel normaal. We werden natuurlijk gepest. Ik leerde mij wel handhaven, maar je lult je niet snel over een Lederhosen heen. Een beetje alleen zijn betekent dat je je eigen plan moet trekken. Je moet het in je leven allemaal zelf doen. Hard werken is het enige medicijn. Ik had geen relaties die mij een opkontje konden geven.' Hij zwijgt geruime tijd. Er is, zegt hij dan ernstig, in dat opzicht een cruciaal moment in zijn leven geweest. Na zijn eindexamen zou hij met een goede vriend naar Griekenland fietsen. Die vriend kreeg z'n fiets cadeau van z'n ouders, Van den Brink moest er een paar maanden voor werken in een verffabriek. 'Toen we vijf dagen onderweg waren zei hij: "ik vind het eigenlijk niet leuk, ik ga terug". Ik dacht: godverdomme, hier heb ik een half jaar naar uitgezien. Het was echt verschrikkelijk.' De teleurstelling van toen klinkt nog steeds door in zijn stem. 'Ik ben er heel erg van in de war geraakt, heb door Parijs gedwaald zonder nog te weten wie ik was. Thuis heb ik drie maanden onafgebroken op bed gelegen. Een echte depressie, denk ik nu. Toen die vriend thuiskwam zeiden z'n ouders: ach, wat sneu voor je. Weet je wat? Je krijgt van ons een reis naar Engeland. En ik kreeg natuurlijk niks. Ik had het zelf verprutst, kon op niemand terugvallen. Het lijkt een incident van niks, maar het maakte mij pijnlijk duidelijk dat je het in het leven echt allemaal zelf moet doen. Daar wordt je een einzelgänger van. Misschien verklaart dat die afstandelijkheid die anderen vaak bij mij denken te bespeuren.' Nederland mag dan geen standenmaatschappij lijken, maar het is op dit punt een keihard land, heeft hij ondervonden. 'Als je niet de juiste nestgeur om je heen hebt, heb je het heel moeilijk. Het is geen toeval dat mijn broers Nederland de rug toe hebben gekeerd. (De één is kankeronderzoeker in de Verenigde Staten, de ander werkt als onderhandelaar voor de Wereldbank - CV). Vergeleken met hun ben ik zeer middelmatig. Iedereen in mijn familie is gepromoveerd, ik heb mijn studie (Nederlands) nooit afgemaakt. Zij zijn heel goed in hun vak, willen concurreren met de besten ter wereld. Daarom zijn ze weggegaan, vermoed ik. We praten er niet over. Nederland is uiteindelijk geen maatschappij waar je op je kwaliteiten wordt beoordeeld.' Ook hij heeft heel lang 'een soort blinde bewijsdrift' gevoeld. Ik vraag hoe lang dat geduurd heeft. Van den Brink piekert, begint dan verlegen te lachen. 'Als ik heel eerlijk ben: tot een paar jaar terug, tot ik kinderen heb gekregen. Het kan mij nu niet meer zoveel schelen wat andere mensen van mij vinden.' Zijn oudste zoontje is drie, de tweeling werd begin dit jaar geboren. Het is jammer dat hij zo laat vader is geworden. 'Als ik ooit met mijn kinderen op de fiets de Pyreneeën ga beklimmen, zal ik toch moeten roepen: ho ho, jongens, rustig aan, pappie is wél zestig.' 'Ik ben niet meer zo onzeker als tien, vijftien jaar geleden. Vroeger twijfelde ik aan alles: of ik wel deugde, waarom ik mijn eigen ideaalbeeld maar niet kon realiseren. Als iemand tien jaar terug zei: "je kunt er niks van", dacht ik: nee, natuurlijk niet. Dat klopt. Nu denk ik: het klopt misschien wel, maar wat moet ik ermee? Ik doe wat binnen mijn vermogen ligt, met de geringe talenten die ik heb. Meer kan ik niet doen. Zolang je maar wel zorgt dat je elke dag je uiterste best doet. Het is niet de schuld van anderen dat iets niet lukt, je bent zelf verantwoordelijk. Eigenlijk een rechtstreeks gevolg van wat mijn moeder ons heeft ingeprent. Ik moet mezelf echt pijn doen om 's morgens achter dat bureau te gaan zitten schrijven. Vechtend tegen uitvluchten: ik kan niet schrijven, want ik zít hier niet prettig. Zelfs mijn zoontje van drie heeft dat al: "nee, ik kan niet eten want het licht is niet goed". In wezen heeft het met angst te maken. Omdat je iedere keer weer merkt dat je het niet zo goed kunt als je zou willen. Dat doet zéér. Uiteindelijk blijf je altijd onder je eigen lat doorlopen. Ik blijf vooral schrijven om dat minder te voelen.' © Coen Verbraak, 2000 |
|