Ze vragen hem soms: “wat heeft u nou eigenlijk bereikt?”. ‘En weet u wat ik dan zeg?’, roept Fred van der Spek, op een toon alsof-ie een mop vertelt. ‘Niks! Ik heb niks bereikt.’ Hij schatert, zonder een spoor van vrolijkheid. ‘Maar ik heb er met de PSP wél voor gezorgd dat er een periode een echt en herkenbaar alternatief werd gepresenteerd. Dat alternatief bleef voortdurend een rode draad.’ Aan die rode draad kon niet getwijfeld worden; Fred van der Spek, mede-oprichter en tot 1986 voorman van de PSP, was zowel pacifist als socialist. Nederland diende zich volgens hem ogenblikkelijk te ontwapenen. En aan het Wetboek van Strafrecht zou een artikel moeten worden toegevoegd: “hij die onderneemt, alleen of in vereniging, wordt gestraft met maximaal .. jaar gevangenisstraf”. Goed, hij zag zelf ook wel dat dat ideaal niet direct onder handbereik lag. Maar in de drieëntwintig jaar in Den Haag –vier jaar in de Eerste Kamer, negentien in de Tweede- bracht hij z’n streven in elk geval nadrukkelijk onder de aandacht. Vooral begin jaren tachtig -ten tijde van de massale demonstraties tegen de kernwapens- beleefde zijn partij hoogtijdagen. Maar de Koude Oorlog verdween. De PSP ging onder leiding van Andrée van Es op in Groenlinks, tot grote ontsteltenis van Van der Spek. Op 1 januari 1986 stapte hij uit de PSP, en richtte de Partij voor Socialisme en Ontwapening op. Die PSO viel al na een half jaar uiteen. Sinds 1992 bestuurt hij de Nieuwe PSP, een partij die ‘hooguit honderd leden’ telt.
De wereld mag dan veranderd zijn, Fred van der Spek (79) staat nog fier achter zijn standpunten. ‘Waarschijnlijk is het een soort achterlijkheid dat ik nog altijd socialist en pacifist ben. Dat is althans de reactie die ik vaak bespeur: die vent is hartstikke gek. Nou, laat mij dan maar gek zijn.’ Als hij boodschappen doet in de buurt van z’n huis in Amsterdam-Zuid, spreken mensen ‘m nog weleens aan. Wildvreemde types vaak, van totaal andere politieke voorkeur dan hij. Het is allerminst borstklopperig bedoeld, benadrukt Van der Spek, ‘maar dan zeggen ze dat ze me waardeerden en dat ze zo iemand míssen in Den Haag.’ Ferm: ‘Dat zegt meer over Den Haag dan over mij.’
Hij heeft “links” en “rechts” altijd vage begrippen gevonden. ‘Ik denk liever in “socialisme” en “kapitalisme”. Ik ben socialist. Dat houdt een aantal dingen in die gemeenlijk als “links”worden gezien. Zorgen voor mensen die het moeilijk hebben. Dat uitgangspunt is in de huidige maatschappij enorm verzwakt.’ Wanneer-ie voor het laatst een links mens is tegengekomen? Ach, zegt hij, het hangt er maar vanaf hoe ruim je de definitie maakt. ‘Je kunt ‘m zo oprekken dat zelfs Wouter Bos nog een beetje links is. Een héél klein beetje. Maar socialisten zie ik niet meer, zeker niet in Den Haag. Wat het socialisme betreft moet je eigenlijk in de verleden tijd praten.’
Hij heeft de afgelopen anderhalf jaar hoofdschuddend toegekeken hoe het Binnenhof en de rest van Nederland dramatisch op drift raakten. ‘Het was werkelijk een aburde tijd.’ Al beschouwde hij de opkomst van Pim Fortuyn niet als een echte breuk met de jaren ervoor. ‘De mate waarin hij schande sprak van migranten was misschien niet gangbaar, maar Bolkestein had jaren daarvoor ook al dergelijke dingen geroepen. De manier waarop Fortuyn het deed vond ik zeer dubieus. Je mag best zeggen dat sommige migranten voor problemen zorgen. Maar die anti-migrantenhouding –misschien kun je zelfs racistische houding zeggen- vond ik buitengewoon gevaarlijk.’ Kritiek op allochtonen is zinloos, als je niet op de kern van het probleem ingaat, vindt Van der Spek: ‘Nederland houdt, samen met de andere Westerse landen, de Derde Wereld bewust arm. Onder meer via invoerrechten in de Europese Unie. Dan is het dus volslagen vanzelfsprekend dat mensen uit die gebieden hier heen komen om economische redenen. Daarom kun je nooit zeggen: alleen mensen die gemarteld zijn mogen naar binnen. Je moet geen grote mond over migranten hebben als je niet óók een grote mond hebt over onze houding ten aanzien van de ontwikkelingslanden.’
Van der Spek kreeg het socialisme van huis uit mee. Zijn ouders waren overtuigde SDAP-ers. ‘Met als uitgangspunt dat we collectief zouden moeten bepalen wat er in de economie gebeurt.’ Het pacifisme was veel minder vanzelfsprekend. Hij was in de oorlog absoluut niet tegen de geallieerde bombardementen op Duitse steden. ‘Integendeel, ik vond het zelfs schitterend als Néderland gebombardeerd werd; laat die Engelsen die Duitsers maar goed op hun flikker geven. Pas na de bevrijding kwam je veel meer te weten, kwamen er nieuwe feiten en achtergronden. Psychiater Van Dantzig heeft een paar jaar geleden gezegd dat die bombardementen op Duitse steden evengoed oorlogsmisdaden waren. Dat vind ik nu ook. Maar toen zag ik het heel anders.’ Datzelfde gold voor de bom op Hiroshima. Hij vond de atoombom aanvankelijk zelfs buitengewoon fascinerend. ‘Ik heb als leraar schei- en natuurkunde het principe van de Hiroshima-bom niet zonder merkbaar enthousiasme uitgelegd. Echt een heel knap staaltje denkwerk.’ Met datzelfde vuur zet hij vervolgens het principe van de atoomsplijting uiteen. De kleine handen dirigeren boven de restauranttafel moeiteloos atomen en neutronen in en uit hun baan. 4 Pi R kwadraat kaatst tussen de koffiekopjes. ‘Die bom was technisch gewoon een geniale vondst’, zegt hij, ‘echt fascinerend.’
Het moet rond 1946 dat hij in Delft een lezing bijwoonde van professor L. Rosenfeld, hoogleraar Theorethische Natuurkunde. Rosenfeld sprak over de atoombom. Van der Spek: ‘En ik zal nooit zijn laatste zin vergeten: “Deze wereld zal socialistisch zijn, of ze zal niet zijn”. Het interessante was dat hij de relatie legde tussen bewapening en maatschappijstructuur. Dat ging ook in mijn denken een grote rol spelen. Voor mij gingen “socialisme” en “pacifisme” bij elkaar horen. In één opzicht vertonen het particuliere ondernemerschap en het militaire apparaat namelijk een grote overeenkomst: het totale gebrek aan democratische controleerbaarheid. Een ondernemer gaat uit angst voor z’n concurrent natuurlijk niet alles op straat gooien. En in het militaire apparaat is het van groot belang dat je geheim houdt waar je proppenschieters staan. Daardoor is elke mogelijkheid tot democratische controle weg.’ Hij vertelt over een ontmoeting die hij ooit had met Paul Nitze, hoofdonderhandelaar namens Reagan bij de wapenbeheersingsgesprekken in Genève. ‘Ik vroeg hem: En? Had u de indruk dat uw counterparts van de Sovjets goed op de hoogte waren van de Amerikaanse bewapening? Zijn antwoord was werkelijk verwoestend. Hij zei: “Goed op de hoogte? Ze waren perféct op de hoogte! Ik heb veel dingen van ze geleerd over onze bewapening, die mijn eigen mensen altijd voor mij geheim hadden gehouden”.’
‘Soms vragen mensen: hoe verklaar je dat er in 1981 vierhonderdduizend en in 1983 vijfhonderdvijftigduizend mensen demonstreerden tegen de kernwapens, terwijl er voor Irak of Kosovo nog maar een handjevol opdraaft? Ik denk dat toen de angst voor het eigen hachje meespeelde. Het ging om plaatsing van kruisvluchtwapens in Nederland. Die angst voor het eigen hachje vind ik een uitstekend argument, maar het is natuurlijk mooier om het algemener te zien. Ik heb destijds de mate waarin het een principieel standpunt was nogal overschat.’
Heeft u ooit geloofd dat uw idealen haalbaar waren?
‘Zeker. En ik sluit niet uit dat het socialisme –dat ik eigenlijk nog belangrijker vind dan het pacifisme- er ooit nog zal komen. Het is niet ondenkbaar dat die massa’s in de Derde Wereld gaan zeggen: “we gaan wraak nemen” en een kernwapen proberen te bemachtigen. Een atoombom is nog altijd veel goedkoper dan duizend tanks. Misschien gaan mensen in het Westen dan uit lijfsbehoud inzien dat het verstandig zou zijn om de maatschappelijke orde een beetje te wijzigen.’ Eigenlijk dus bijna letterlijk het scenario van elf september, erkent Van der Spek ‘Er heeft toen ongetwijfeld religieus fanatisme meegespeeld. Maar ik ben ervan overtuigd dat de grootste factor is geweest: “we zúllen ze, die uitbuiters”. Hoe afschuwlijk en schandelijk die daad ook was, Amerika heeft die elfde september min of meer over zichzelf afgeroepen. Er werd toen gezegd: dit is een aanval op de westerse beschaving. Nou, Amerika heeft ongetwijfeld beschaafde kanten, maar dié zijn niet aangevallen. Het ging om de symbolen van de Amerikaanse economische en militaire macht. Die machten zijn nou net niet zo beschaafd. En niet alleen bij de Amerikanen, hoor. Het geldt voor het hele Westen. Denk aan de farmaceutische industrie, die met het verderflijke octrooirecht medicijnen onthoudt aan de Derde Wereld. Toen de Nederlandse firma Vos vergiftigde glycerine leverde aan Haïti en zo’n tachtig kinderen overleden, heeft het Openbaar Ministerie met die firma een schikking getroffen.’ Hij spreekt het alsof het een intens smerig woord is. ‘Dat was echt niet gebeurd als het Belgische of Duitse kinderen waren geweest. Het is minachting, pure minachting van de Derde Wereld.’ Op de laatste bijeenkomst van de Vereniging van oud-Eerste Kamerleden hield Van der Spek ditzelfde verhaal. Onmiddellijk na afloop stak oud-VVD-senator Korthals Altes z’n vinger op. ‘Ik dacht: die zal mij wel de oren willen wassen. Hij zei: “als minister van justitie was ik destijds verantwoordelijk voor het introduceren van de schikking. Maar ik moet zeggen dat ik de beschrijving door de heer Van der Spek van de zaak-Vos volledig onderschrijf”.’ Hij lacht, lang en hard. ‘Da’s wel heel sterk, he.’
De invloed van zijn wereldbeeld beperkte zich niet tot z’n werk. Ook in huiselijke kring –Van der Spek heeft twee kinderen- waren sommige dingen vanzelfsprekend. Natúúrlijk werd het spelen met soldaatjes sterk ontmoedigd. Al ging z’n zoon David dat gemis op zeker moment ondervangen door van Lego dan zelf maar soldaatjes te maken. ‘Maar hij liep als zesjarig jochie wel bij ons in de huiskamer z’n eigen Vietnam-demonstratie.’ En Van der Spek was zeer tegen het kopen van een huis. ‘Dat vond ik helemaal niks. Waarom zou zoiets je eigendom moeten zijn? We hebben eindeloos gezocht naar een huurwoning Maar uiteindelijk moesten we toch kopen.’ Ik vraag of hij voor z’n gevoel ook een prijs heeft betaald voor z’n principes en z’n rechtlijningheid. ‘Ach, dat weet ik niet’, antwoordt hij. ‘Ik zou anders waarschijnlijk in een grotere, minder linkse partij hebben gezeten. Dan had ik misschien ergens een mooie functie gekregen.’ Spottend: ‘En misschien zelfs wel een lintje! Ik ben een paar keer bedreigd door een minister en een staatssecretaris: “aanstaande Koninginnedag gaan we jou een lintje geven”. Als grap, om me te pesten. Want ze wisten natuurlijk dat ik dat altijd zou weigeren.’
Of hij nog iets van z’n ideeën terugziet bij mensen als Paul Rosenmöller en Femke Halsema? Even lijken z’n pupillen zich te verwijden. Dan vraagt hij smalend: ‘Wat denkt u zélf?’ Weer die schaterlach. ‘Niets, helemaal niets natuurlijk. Goed, ze willen dat de AOW en dat soort dingen een beetje beter worden. Maar ik hoor niets van een alternatief geluid. Dan roepen sommigen: “ja, ze zeggen wel zus en zo, maar dat doen ze omdat ze graag in de regering willen”. Volgens mij is het veel erger: ze denken echt zo rechts.’ Jan Marijnissen is ook al geen alternatief, taxeert Van der Spek. ‘Ze hebben een paar jaar geleden de beginselen van de SP veranderd, waardoor datgene wat op socialisme léék, er ook nog uit is gegaan. Iets over dat grote ondernemingen keurig hun vennootschapsbelasting moeten betalen.’ Met een honend lachje: “Nou, zéér revolutionair, hoor. Ik heb Marijnissen over migranten al evenmin die kanttekening over minachting van de Derde Wereld horen maken. Dat wordt ook daar niet gezegd.’
Hoe hij aankijkt tegen iemand als Prosper Ego, zijn rechtse pendant in dit links/rechts-nummer? Nou, hij heeft weleens met ‘m gedebatteerd. ‘Ik ben altijd zeer voorzichtig om in een discussie het woord fascisme te gebruiken. Maar hij riep zulke beledigende, idiote dingen over Zuid-Afrika, dat ik geen enkele moeite had om me op dat vlak in te houden. Ik geloof zeker dat het een principieel mens is, die ergens voor staat. Maar ik vind ‘m daarin wel abject.’
Natuurlijk stemt het hem somber dat er in Den Haag niets meer resteert van zijn idealen en denkbeelden. Maar Van der Spek is een realist. ‘Ook destijds was het een piepklein geluidje. De PSP had vooral succes in gemeenteraden, omdat het daar om kleine, praktische dingen ging: meer melk op school, een nieuwe vuilniswagen. De SDAP heeft in feite datzelfde proces doorgemaakt. Ze stonden ooit ook voor volledige socialisatie. De Labour Party heeft dat zelfs nog heel lang volgehouden. Clause Four –de volledige socialisatie van de gehele economie- is pas twee, drie jaar geleden door Tony Blair afgeschaft. Mensen beginnen met vergaande denkbeelden. In de praktijk zien ze dat die absoluut niet dichterbij komen, en gaan ze zich toeleggen op haalbare zaken. Persoonlijk neem ik dat niemand kwalijk, al zou ik het zelf nooit doen. En als je dan eenmaal zover bent, dan moet je ook de partij verlaten. Niet zeggen: ik blijf in de partij, en zorg wel dat die partij rechts wordt.’
Hij doelt overduidelijk op het conflict met Andrée van Es, die in 1985 een samensmelting van de PSP met de PPR en de CPN voorstond. Van der Spek was fel tegen. Toen op het partijcongres van 1985 een krappe meerderheid Van Es bleek te steunen, besloot hij uit de PSP te stappen. Nee, hij denkt er niet vaak meer aan, zegt de oud-politicus desgevraagd. ‘Al ben ik nog steeds verbaasd over hoe het toen gelopen is. “Samenwerken met anderen” is tot daaraan toe. Ik heb nota bene met de VVD samengewerkt in demonstraties tegen de behandeling van joden in de Sovjetunie. Geen enkel probleem. Maar “samengaan” vond ik onacceptabel, omdat je dan de hoofdlijnen moet loslaten. Dat is dus ook gebeurd. Het is nog veel erger geworden dan ik ooit gedacht had. Het meest frappante vind ik dat Andrée heeft meegewerkt aan de introductie van Máxima. We waren bij de PSP scherp anti-Republikeins. Andrée ook. We stemden ieder jaar tegen hoofdstuk 1 van de rijksbegroting, het salaris van de Koningin en haar familie. Ik was echt verbijsterd dat Andrée zelfs dát heeft losgelaten. Geert Mak (jarenlang fractie-assistent van de PSP) maakte het nog bonter. Hij verzorgde voor Máxima een historische introductie tot Amsterdam. Hij hield een speech waarin iets gezegd werd over dat er in Amsterdam tijdens de oorlog zoveel mensen zijn vermoord…’ Van der Spek pauzeert, betekenisvol. Zegt dan gedragen: ‘het woord “joden” is zorgvuldig vermeden. Waarom? Omdat het Videla-regime en Zorregieta persoonlijk felle anti-semieten waren. Dat moet het bijna zijn.’ Waarom hij Mak nadien niet om uitleg heeft gevraagd? ‘Had ik geen zin in. Ook omdat mijn interpretatie zo venijnig is.’
En misschien wel onterecht.
‘Dat lijkt me sterk. Ik denk echt dat hij de tekst veranderd heeft omwille van Máxima.’
Zijn bittere afscheid van de PSP heeft de herinnering aan al zijn jaren in de politiek niet bezoedeld. Want in dat kleine partijtje van hem gebeurden soms heel bijzondere dingen. Hij ziet het zó weer voor zich: 1967, de Zesdaagse Oorlog in Israël. De PSP belegde in het heetst van de strijd een vergadering in Amsterdam, met Simcha Flapan van de Israelische socialisten en Saudi van de Palestijnen. ‘Die hebben toen samen in Krasnapolsky met elkaar gesproken over het Midden-Oosten. Het klinkt gek, maar toen was ik echt enorm trots op de PSP. Ik dacht: verdomd, wat is het goéd dat er zo’n partij is.’ Hij zwijgt. En opeens staan z’n ogen vol tranen. ‘Het feit dat de PSP een alternatief geluid liet horen … dat ze het presteerde om mensen uit beide kampen samen te laten optreden. Terwijl bijna heel Nederland die Israelische aanval goedkeurde, werd hier het enige realistische alternatief voor het Midden-Oosten besproken.’ Ik vraag hoe het komt dat Van der Spek, die in het openbaar nooit op een traan betrapt kon worden, zo geëmotioneerd op dit onderwerp reageert. ‘Weet je’, zegt hij dan, nog steeds aangedaan, ‘ik heb in 1947 met mijn ouders geluisterd naar de radiouitzending vanuit de Veiligheidsraad, waarin tot de stichting van de staat Israël werd besloten. Toen heb ik gehuild. Door de holocaust. Ik vond het fantastisch dat er zo’n staat kwam. Hoewel het ook toen al de vraag was of die plek nou de meest verstandige was. En juist daarom schrijnde het dillemma later zo. Ik heb in 1970 in Israël met Golda Meïr gesproken. Ik vroeg haar: Palestijnen? Ze zei: “as few as possible”.’
Zijn PSP was er dus duidelijk niet voor niks. Al realiseert hij zich dat een groot deel van dat oude PSP-gedachtengoed straks gelijktijdig met hem zal sterven. ‘Het is toch een teken van armoede dat ze een oude vent als ik moeten vragen, als er weer iets is met Irak of Kosovo?’
Als u de balans moet opmaken, wat is dan uw eindconclusie?
Van der Spek denkt lang na. Dan begint hij breed te glimlachen, en zegt stralend: ‘Dat je gelijk kunt hebben, zonder het te krijgen.’
© Coen Verbraak, 2003
|