ERIC VAN SAUERS
'IK BEN ONTZETTEND NEDERLANDS'

18 oktober 2003



Zes jaar geleden won hij Cameretten. Nu, drie programma’s later, behoort Eric van Sauers tot de kleine groep cabaretiers die er in Nederland echt toe doen. Een Amsterdamse lefgozer, die geen grote beschouwingen wijdt aan wereldproblemen, maar zijn onderwerpen juist dichtbij huis zoekt. ‘Ik bepaal zelf wat ik doe. Als ik in mijn blote reet wil rondlopen, ga ik in mijn blote reet rondlopen. Als ik in mijn blote kont op de bank wil zitten, dan gá ik in mijn blote kont op de bank zitten! Nou, bij Ikea denken ze daar heel anders over!’’ Eric van Sauers begon bij de Comedytrain als stand up-comedian, temidden van Hans Teeuwen, Theo Maassen en Thomas Acda. Als cabaretier heeft hij inmiddels een eigen publiek veroverd. Gisteren speelde hij in Venlo. Vier jaar geleden zaten er vijftig man, nu stond hij in de grote zaal voor driehonderd mensen. ‘Dan ben ik echt trots dat die driehonderd voor mij zijn gekomen.’

Ook thuis, in zijn appartement met uitzicht over het IJ, blijkt Eric van Sauers (39) een rappe verteller. Als hij praat –met een tongval waarin hoorbaar de Westertoren doorbeiert- dansen zijn handen en twinkelen z’n ogen. Maar hij heeft dan ook ‘een moordleven’. Hij heeft succes met zijn theaterprogramma’s, speelde toneel in Othello en is eindredacteur van Dit was het Nieuws en De Vrienden van Van Swieten. ‘Ik doe precies wat ik leuk vind. Da’s een hartstikke mooi bestaan.’

Een boodschap heeft hij niet, hij wil als cabaretier vooral vermaken. Ook in zijn huidige programma De ware liefde gaat het over alledaagse zaken. Een heel bewuste keuze, zegt Van Sauers. ‘Allerlei cabaretiers voelen zich in deze onrustige tijd gedwongen om geëngageerd te zijn . Ik dacht: fuck you allemaal, ik ga het over de liefde hebben.’ En dus gaat het over opvlammende passie en –vooral- over uitdovende relaties. ‘Ik hoor vaak dat mensen vinden dat het schuurt.’ Vorige week was z’n huismeester komen kijken in Almere. ‘Ik vroeg: vond je het leuk? Nou ja, leuk… “Ik ben vijfentwintig jaar getrouwd; het deed gewoon píjn!”.Je kunt het wel over grote onderwerpen hebben, maar het grootste deel van de tijd zijn mensen bezig met kleine dingen: hoe laat moet ik de kinderen ophalen, m’n auto moet naar de wasserij, wat is de buurman weer luidruchtig… Mensen leven niet groots en meeslepend. Waarom zou je ze in het theater dan opeens levensvragen door hun strot duwen? Vroeger, toen Freek begon, had dat misschien nog een functie. Maar nu heeft iedereen televisie, met dertig kanalen. Je kunt niks nieuws meer melden. Bovendien preek je voor eigen parochie. Hoe mooi Freek het ook vertelt, hij praat wel voor gelijkgestemden. Ga dan een conference in de moskee houden.’

Als Eric van Sauers érgens de pest aan heeft is het wanneer hij gerekend wordt tot “de allochtone cabaretiers”. Hij spreekt het uit alsof het smerige woorden zijn. Toen hij nog maar net bezig was, begon het al. Ze vonden hem wel een geinige Surinamer. Dus als het in Barend & Witteman over allochtonen ging, belden ze hem. Van Sauers, geërgerd: ‘Maar wat heb ik nou met Suriname te maken? Vrij weinig. Goed, mijn familie komt daar vandaan, maar ik ben hier opgegroeid. Dat stoort me. Sta je in een theater, kom je er later achter dat ze je in een blokje hebben geprogrammeerd met Najib Amhali en Nilgun Yerli. Een soort allochtonenpakket: drie negers voor dertig euro. Als ik dat van tevoren had geweten, dan was de bom flink gebarsten. Dan hadden ze de pleuris kunnen krijgen. Ik hoorde laatst een verhaal van Howard Komproe, een Surinaamse jongen van de Comedytrain. Die moest ergens spelen. De voorverkoop liep slecht, dus vroeg de schouwburg aan Howard of ze een ludieke actie mochten bedenken. Okay, waarom ook niet? Hij kwam daar en ontdekte dat die ludieke actie inhield –en dit is écht waar- dat je vijftig procent korting kreeg als je een kokosnoot meenam naar het theater. Serieus! Hij heeft nog gespeeld ook. Na afloop zeiden mensen tegen ‘m: “het was nog knap moeilijk om hier ’n kokosnoot te verkrijgen”.’

Bovendien: wat is er nu in vredesnaam zo interessant aan allochtonen? Van Sauers zou het echt niet weten. “Je had een tijdje terug zo’n hausse aan jonge Arabische schrijvers. Goed, leuke ontwikkeling; die jongens wonen hier en kunnen hun gedachten mooi verwoorden. Daarna moet het weer kláár zijn. Maar nee, ik moet na vijf jaar nog steeds lezen over die veelbelovende Marokkaanse schrijvers. Rot toch op, man. Moet ik iemand gaan lezen omdat-ie uit Marokko komt? Doe effe normaal. Ik moet ‘m lezen omdat het een goede schrijver is. Ze komen nooit meer van dat stempel af. Want dat is lekker makkelijk, overzichtelijk en veilig.’ Tuurlijk, een cabaretier als Najib Amhali gebruikt zijn Marokkaanse achtergrond heel bewust. Maar dat is ook volkomen logisch, vindt Van Sauers. ‘Rond de Marokkaanse gemeenschap is veel meer aan de hand: “kut-Marokkanen”, de islam, moskeeën, ronselen voor de jihad… Maar wat moet ik nou zeggen over Suriname? We zijn geïntegreerd, hebben zelfs een eigen slavenmonument. Nu is het kláár! Wat moet een Indonesiër nou nog op het toneel gaan staan zeuren over kroepoek en pasar malam?’ Hij schaamt zich niet voor zijn Surinaamse wortels. Integendeel, hij is er trots op. ‘Maar mensen gaan automatisch dingen van je verwachten. Ze komen met vooroordelen naar het theater. “oh, hij gaat ons als witte Nederlanders natuurlijk een spiegel voorhouden”. Of: hij zal wel lekker zingen en dansen. Oervervelend. Ik kán niet eens zingen, man.’

Bestaat er zoiets als een Surinaamse ziel?
‘Ja, die bestaat. Maar dat voel ik vooral omdat ik ‘m vaak niet blijk te hebben.’ Hij vertelt over het overlijden van zijn oma, vorig jaar. Na zijn voorstelling werd hij gebeld dat zij was gestorven en reed hij linea recta naar haar flat. ‘Toen ik mijn auto parkeerde hoorde ik ze boven al zingen. Al m’n ooms en tantes gingen helemaal uit hun dak. Huilen, schreeuwen, zich op haar lichaam storten. En hoe verdrietig ik ook was, ik kón dat niet. Toen merkte ik hoe ontzettend Nederlands ik ben.’ Hij had het al eens eerder meegemaakt, toen hij in Suriname samen met een tante het graf van zijn opa bezocht. Het was middenin de regentijd: de begraafplaats was één groot spiegelend meer geworden, waar her en der stenen en zerken uit omhoogstaken. ‘Mijn opa ligt helemaal achteraan begraven, dus we moesten van graf naar graf springen. En bij elke dode die we passeerden begon mijn tante te praten: “ja mijnheer Boersma, ik heb hier de kleinzoon van Van Sauers”. Zodra we bij mijn opa waren, begon ze verschrikkelijk te huilen en te schreeuwen. Opeens hield ze op en zei: “nu jij…”. Dat kon ik dus absoluut niet. Ik heb gewoon op mijn manier wat staan mompelen.’

Thuis werd geen Surinaams gesproken, maar Nederlands. Hij kon een hengst van z’n vader krijgen als hij toch Sranantongo sprak. Bovendien was zijn moeder Nederlandse. Zijn ouders gingen uit elkaar toen Van Sauers vijf was. Vanaf dat moment groeide hij zeer zelfstandig op. ‘Mijn moeder zei: “let op, ik leg het je één keer uit: hier neem je de bus, en daarna stap je over op de tram. Dan uitstappen, straat uitlopen, hoek om en daar is je school”. Toen was ik vijf, zes jaar. Terwijl ik nu mijn zoontje van acht nooit alleen door de stad zou sturen. Maar het kon toen niet anders, mijn moeder moest werken.’ Na school haalde hij z’n jongere zusje op, en dronken ze thee tot hun moeder thuiskwam. ‘Dan ging ze snel koken, en daarna weer weg om te werken. Voor haar moet dat een keihard bestaan zijn geweest.’

Een jeugd op straat; hij hing de hele dag rond met vriendjes, ging amper naar school. ‘Ik deed precies waar ik zelf zin in had. Er was geen land met me te bezeilen.’ Hij was als kind heel druk. Licht ontvlambaar, agressief. ‘Ik kon me totaal niet uiten. Als ik me náár voelde, zei ik dat niet. Ik sloeg liever de boel kort en klein. Er zat heel veel woede in me. Ik wantrouwde mensen. Vooral volwassenen. Dat zal ongetwijfeld met de scheiding te maken hebben gehad. Je raakt je veiligheid kwijt. Na de scheiding zijn we bovendien heel vaak verhuisd. Dan heb je ook geen wortels. Elke keer een nieuwe omgeving, waar je je opnieuw moet bewijzen. Elke keer was er weer een nieuwe rotzak-van-de-buurt die jou eronder probeerde te krijgen. En ik láát me er niet onder krijgen.’ Uiteindelijk werd hij op zijn dertiende in een tehuis voor moeilijk opvoedbare kinderen geplaatst. Daar bleef hij tot zijn achttiende. Het waren zware jaren, zegt Van Sauers ernstig. ’Je leert vooral slechte dingen. Je weet exact hoe je mensen moet manipuleren. Ik keek al heel jong door alle psychiaters en maatschappelijk werkers heen. Als kind voel je feilloos de onechtheid van mensen aan. Daardoor ga je je nog extremer gedragen. Ik ging elke week naar de kinderpsycholoog. Op een keer brachten ze me in een ruimte boordevol speelgoed. Een soort kinderparadijs, een Bart Smit voor jou alleen. Geweldig natuurlijk. Totdat ik in de gaten kreeg dat ze naar me aan het kijken waren. Ze observeerden hoe ik speelde. Dus pakte ik de tinnen soldaatjes en brak expres –knák- die hoofden eraf. Gestoord gedrag natuurlijk, uit een soort narrigheid. Een minuut later ging de deur open. Kwam er zo’n Baardmans binnen: “waarom doé je dat nou?”. Terwijl ik juist spelletjes met hún speelde.’

Op z’n twintigste was hij opeens uitgeraasd. ‘Ik dacht: nu is het mooi geweest. Ik moet iets doen met mijn leven’. Zijn zus deed aan amateurtoneel en haalde hem over om auditie op de toneelschool te doen. ‘Terwijl ik nog nooit een toneelstuk had gezien. Ik had niet eens ooit een boek gelezen.’ Ze vonden dat hij talent had, maar hij moest eerst maar ‘ns meer toneelstukken gaan zien. Het jaar erop werd hij wel aangenomen. Aanvankelijk voelde hij zich absoluut niet thuis op de toneelschool. ‘Dat softe gedoe, ik trok het echt niet. Dan had dié weer een emotionele doorbraak, dan moest die weer huilen. Voortdurend armpjes om elkaar heen slaan. Ik werd er kotsmisselijk van.’ Toch kreeg hij het er naar z’n zin. Het gebrek aan culturele bagage liep hij pijlsnel in. In vier jaar zag hij zo’n driehonderd stukken; van Macbeth tot Virginia Woolf. En Van Sauers ontmoette regisseur Koos Terpstra van het Noord-Nederlands Toneel. Die maakte voor hem een lijstje van boeken-die-je-gelezen-moet-hebben. ‘Klassiekers als The catcher in the rye en boeken over wiskunde. Ik verslond het, heb alles als een spons in me opgezogen.’ Ondertussen leefde hij in twee werelden. ’s Nachts werkte hij als portier in de stad, ’s ochtends volgde hij op de toneelschool filosofieles. Soms gehavend, als hij die nacht had moeten matten. Die gespletenheid bleek vooral op z’n verjaardag. ‘Dan kwam er echt schorem langs, maar ook die keurige types van de toneelschool. Die schoven allemaal een beetje angstig op’ Na de toneelschool belandde hij bij de Comedytrain, en begon zijn cabaretloopbaan. Hij denkt nog weleens aan zijn vroegere leven, zegt Van Sauers. ‘Van de jongens uit de inrichting zijn er inmiddels vijf, zes dood. Dan is het best een bijzonder besef dat ík de Kleine Komedie heb gehaald. En waar ik nog het meeste trots op ben is dat ik het helemaal zelf heb geflikt.’

De lokatie doet het ergste vermoeden. Het gebouw van de Cinevideo-groep -op een industrieterrein in Hilversum- oogt op deze zondagavond desolaat; het hek voor de parkeerplaats is dicht en bijna alle ramen zijn donker. Maar binnen heerst opgewonden vrolijkheid. Hier wordt De Vrienden van Van Swieten gemaakt, een humoristisch voetbalprogramma van de TROS. Vanavond worden de studioscenes van Raoul Heertje, Viggo Waas en Peter Heerschop gedraaid, waaronder De minuut van Raoul. ‘Ik zal het hier maar even repeteren’, zegt Heertje tegen Van Sauers en Terpstra. ‘Anders horen ze het.’ Want het is de bedoeling dat Waas en Heerschop straks voor de camera hun lachen niet kunnen houden, wanneer hij droog zijn zelfbedachte voetbalnamen debiteert. Op lijzige toon draagt Heertje vervolgens staccato zijn vondsten voor. ‘Roemeense voetballer die je ook af kunt halen: Christian Chi-foo-yong-hai… Keeper die Duitsers altijd de verkeerde kant opstuurt: Henk Timmer-gerade-aus… Engelse voetballer die veel abortussen uitvoert: David Eendebeckham. …’ Zo’n vijftien namen passeren de revue. Van Sauers en Terpstra grijnzen breed. ‘Alleen die Eendebeckham vind ik niet goed’, zegt Van Sauers. ‘Die is te onduidelijk.’

In de geïmproviseerde studio, opgebouwd in de kantine, kijken Viggo Waas en Peter Heerschop ondertussen naar Studio Sport . De bami van de cateraar –‘echt niet te vreten’- ligt vrijwel onaangeroerd op de borden, de sateetjes opgebaard in koudgeworden pindasaus. ‘Jongens, zullen we?’, vraagt Terpstra. ‘Wacht, nog even deze goal zien’, roept Heerschop. Even later staan ze met z’n drieën voor de camera, allemaal keurig in pak, compleet met stropdas. Het is de bedoeling dat ze langzaam door de gang wandelen, ondertussen in beeld keuvelend over het plan van oud-Ajax-voorzitter Michael van Praag om uitsluitend nog positief over voetbal te berichten. ‘Ja, stop maar’, roept de opnameleider na anderhalve minuut. ‘Prachtig’, zegt de één. ‘Leek nergens op’, vindt de ander. Van Sauers overlegt met Terpstra. ‘Ik had het idee dat het te lang was.’ Terpstra heeft andere kritiek. ‘Vigo, je kijkt heel raar in de camera. Met twee ogen. Echt ontzettend debiel.’ De scène moet over, besluiten Van Sauers en Terpstra. ‘Het grappige is: de eerste keer dat je het bedenkt is het vaak helemaal goed’, zegt Van Sauers. ‘Daarna gaat iedereen er wat bij bedenken, en loopt het weg. Koos’ en mijn taak is het zuiver te houden. Terug naar de eerste keer.’ Pas na vier takes zijn Terpstra en Van Sauers tevreden. ‘Hij was goed, alleen het beeld was niet scherp’, roept een technicus. ‘Nou en’, zegt Waas. ‘Er zijn heel veel mensen thuis met slechte ogen.’

Ook bij Dit was het nieuws bemoeit Van Sauers zich als eindredacteur ‘eigenlijk met alles’. ‘Van welke foto’s op het bord hangen tot welke gasten we nemen. Ik moet zorgen voor een script, en de slechte grappen eruit filteren. Het moet voor Harm (Edens) ook een grap zijn die hij kan vertellen. Het moet vooral verbaal zijn. Hij kan niets met lichaamstaal doen.. Wat hij doet –grappen oplezen van een autocue- is echt waanzinnig moeilijk. Dat wordt finaal onderschat.’
Zelf hoeft hij niet zo nodig in beeld. Hij had inmiddels best in het panel kunnen zitten, maar dat is zijn ambitie niet. ‘Ik wil dat mensen nieuwsgierig naar me blijven. Ik houd uiteindelijk het meest van theater. Theater heb ik echt nodig, om m’n leven op orde te krijgen. Het brengt structuur aan, geeft energie.’

Zijn zoontje –Julius, van acht- noemt hem “komiek”. ‘Dat heeft-ie ergens opgevangen. Ooit zag hij Freek op tv. Zei hij: “ik zag een meneer die jou nadeed. Ook een beetje boos rondlopen en grapjes vertellen”. Hij is een keer meegeweest naar de Kleine Komedie. Even voor aanvang vroeg hij: “wanneer komen de andere mensen op toneel?” Die komen niet. “Oh. En de muziek?” Die komt ook niet. Alleen papa is hier. Keek hij heel beteuterd: “Jammer, ik heb mijn gameboy niet bij me.” Tegen zijn moeder heeft hij gezegd dat hij trots op me is. Behalve dat ik dat heel lief vond, stelde het me ook gerust. Hij kan zich blijkbaar wél uiten. Hij is niet zo emotioneel geblokkeerd als ik vroeger was.’

‘Mijn zoontje is mijn enige zwakke punt. Sinds hij er is, ben ik anders gaan leven. Alleen al vanwege het besef dat het allemaal niet langer vrijblijvend kon zijn. Ik moet hem kunnen onderhouden.’ Sinds hij gescheiden is, zorgt hij drie dagen per week voor zijn zoon. Dat zijn altijd geweldige dagen, zegt hij. Al moet hij hem minder willen beschermen. Laatst nog, Julius was op het pleintje aan het voetballen toen hij door een oudere jongen in z’n rug getrapt werd. Van Sauers heeft nog nooit zo snel buiten gestaan. ‘Ik ben tekéér gegaan… daar praten ze nu nog over. Later dacht ik: waar ben je mee bezig, Eric? Da’s ook maar een jochie van tien, elf. En Julius moet leren om zich te handhaven. Er zijn nou eenmaal altijd oudere jongens die je willen piepelen.’
Vroeger dacht hij dat z’n cabaretloopbaan nooit lang zou duren. Maar inmiddels ziet Van Sauers zichzelf in gedachten daar op z’n vijftigste nog wel staan. ‘Ik ben de versláving gaan begrijpen. Kijk naar Youp en Freek; die hoeven zich voor niemand meer te bewijzen. Ze hoeven nooit meer te werken. Waarom dan toch vijf keer per week weer die file in? Omdat ze passie voor dat vák hebben. Ik ben ooit met Youp meegeweest naar zijn show. Na afloop zei hij: “Eric, kom effe kijken naar mijn decor”. En opeens zag ik een jongetje van zes voor mij, met glimmende oogjes. Zóveel liefde voor theater. Ik dacht dat ik dat veel minder had, maar dit werk is besmettelijker dan je denkt. Voor je het weet past het theater je als een warme jas.’

© Coen Verbraak, 2003