SANNE WALLIS DE VRIES
‘OP HET TONEEL MAG IK ER ZIJN, DAT VOEL IK’

Februari 2000



Toen ze in 1996 op het Leids Cabaret Festival zowel de jury- als de publieksprijs won, was menigeen met stomheid geslagen. Hoe kon dat, zo’n groot cabarettalent, zomaar opdoemend vanuit het niets? Waarom had niemand eerder van haar gehoord? Nadat Sanne Wallis de Vries haar optreden een jaar later had uitgebouwd tot het avondvullende programma Sop waren de kritieken opnieuw juichend. Zelf was Wallis de Vries allerminst verbaasd. Ze kwam helemaal niet “uit het niets”; ze had op dat moment al een theateropleiding afgerond, en was allang actief bij de Comedytrain. ‘Ik heb een rare ontwikkeling doorgemaakt, op allerlei verschillende vlakken. En opeens kwam alles samen en kotste ik dat er op het podium uit.’ Nu de recensies van haar tweede programma Zin weer even enthousiast zijn, kan ze alleen haar schouders maar ophalen. ‘Ik ben niet verbaasd dat mensen mij goed vinden, dat ze vinden dat ik er mag staan. Dat vind ik zelf ook. Je kunt het niet leuk vinden, maar dat is een kwestie van smaak. Maar het is wél goed.’

Ze praat aan één stuk door, zichzelf voortdurend in de rede vallend. Met hoge, ijle stem, waarin regelmatig emotie doorklinkt. Zijpad in, zijpad uit, om dan toch weer verrassend nauwkeurig op de hoofdweg uit te komen. Het begon eigenlijk pas vorig jaar tot haar door te dringen in wat voor draaikolk ze de afgelopen jaren is meegesleurd, zegt Sanne Wallis de Vries. ‘Het was echt niet normaal wat er met mij gebeurde. Ik was al populair voor ik met Sop in première was gegaan. Ik kon echt overal spelen.’ Op slag werd haar leven anders. ‘Opeens ging ik vier keer in de week spelen. Voor je het weet is het je werk geworden.’

Na de laatste voorstellingen van Sop was ze te moe om nog aan wat dan ook te denken. Onder het kastje in de kleine huiskamer van haar bovenwoning in Amsterdam staat nog steeds een doos vol brieven en kaarten, gekregen na de première van Sop. Ze moet er nog steeds op reageren. Maar voor ze het goed en wel doorhad, was ze binnen een maand na de laatste reprise van Sop toch bezig aan Zin. Voor haar nieuwe programma had ze heel graag Peter Faber als regisseur willen vragen. Toen ze een jaar of tien was zag ze een soloprogramma van de acteur, dat diepe indruk op haar maakte. ‘Hij vertelde in z’n eentje verhalen, waarin hij hele werelden opriep. Dat sprak mij erg aan. Ook omdat ik een veel theatralere aanpak heb dan veel andere cabaretiers.’ Uiteindelijk besloot ze om het plan om Faber te vragen toch niet door te zetten en te kiezen voor Selma Susanna (die ook Sop regisseerde) en Genio de Groot. In haar eentje kan ze geen programma maken. Het bedenken van ideeën gaat haar op zichzelf nog wel makkelijk af. ‘Maar ik weet niet wat op een podium interessant is, van al die dingen die ik op een dag denk. Selma en Genio hebben theatrale kennis. Zij houden het proces en de structuur in de gaten.’

Zin is minder hilarisch dan Sop, beaamt ze. Tijdens de try outs van haar nieuwe programma kwam er na afloop regelmatig een theaterdirecteur op haar af: “Is het soms de bedoéling dat ik het niet kan volgen? Want ik begrijp echt niet waar het over gaat". Blijkbaar riep ik een soort vaagheid op. Dat merkte je ook in de recensies. Op de één of andere manier hangt er iets van pretentie omheen. Terwijl dat absoluut niet mijn bedoeling is. Maar omdat het onder het kopje “cabaret” wordt aangekondigd verwachten mensen dat het vanaf het begin lachen geblazen is. Dat dat vervolgens niet het geval is vinden sommigen erg verwarrend.’ Maar Zin is ook niet makkelijk te duiden. Wallis de Vries danst, acteert, zingt (hoewel niet altijd even zuiver) confereert en typeert onafgebroken. Ze transformeert schijnbaar moeiteloos van het één naar het ander; van een gehandicapte vrouw in een rolstoel tot een schonkige Amsterdammer, van een wijze oude dame tot een dommige televisiepresentatrice die veel trekjes vertoont van Hanneke Groenteman. ‘Uiteindelijk gaat het om: wat is normaal? Wat is de norm en wat niet?’

Sanne Wallis de Vries had altijd al ‘dingetjes’ geschreven. Gewoon, voor zichzelf. Vanaf het moment dat ze zich inschreef voor de kleinkunstlessen van Selma Susanna, in 1991, ging ze gericht ‘dingen voor het podium’ schrijven, Twintig jaar was ze, en ongelukkig. ‘Ik lag enorm mezelf overhoop.’ Net op kamers, vanuit Alphen aan de Rijn naar Amsterdam gekomen om Theaterwetenschappen te gaan studeren. Wallis de Vries schrok zich rot van de stad. Ze had maar vier uur college per week. De rest van de tijd sloot ze zich op in haar kamer. Zonder televisie, zonder telefoon, zonder contacten. ‘Ik denk weleens dat ik in die tijd permanent in shock verkeerde.’ Maar als ze speelde ‘was het net of de zon doorbrak’. Ze kan van nature heel somber zijn. Dat weet ze van zichzelf. ‘Op m’n achtste schreef ik al gedichten over : “wind mee en wind tegen”. Dat zit nog steeds in mij. Als ik moe ben word ik heel passief, en raak ik elk contact kwijt. Dan schiet ik in een isolement, verval ik in apathie. Terwijl ik tijdens het spelen juist heel erg de andere kant in mij voel; de vrolijke kant. “Hé ja, zo ben ik óók”. Want ik ben ook heel grappig en vrolijk. Ik kan hele groepen mensen uit het slop trekken. In een café kan ik mensen de avond van hun leven bezorgen, op een weekend naar Terschelling ben ik echt ‘t leukst. Alleen vergeet ik dat dan weer heel snel.’

Op dat podium, tijdens de theaterlessen, voelde ze zich uitzonderlijk op haar gemak. ‘Het was de sensatie van op je plek zijn. Dat je doet waarvoor je bedoeld bent. Daar kon ik zeggen wat ik in het dagelijks leven niet kon zeggen. Niet tegen mijn ouders, niet tegen mijn vriendinnen.’ Ze leed in die tijd aan boulimia, een eetziekte, die ze min of meer bewust had opgeroepen. ‘Ik had er iets over gelezen. Het leek mij een ideale manier om extra aandacht te krijgen. Ik was een gezond, blozend kind. Niks bijzonders. Maar als je heel dun bent, gaan mensen zich opeens afvragen wat er aan de hand is. Dat vond ik wel aantrekkelijk. Achteraf besefte ik dat ik niet zomaar om aandacht vroeg. In diezelfde tijd overleed de eerste jongen op wie ik ooit verliefd was.’ Ze kan zich nog herinneren hoe het begon. Ze moest eindexamen doen, en zat in de voorbereiding van haar schoolonderzoeken. ‘Ik dacht: na het ontbijt begin ik met leren. Maar ik bleef maar ontbijten, tot ver in de middag.’ En daarna d’r vinger in d’r keel. ‘Als je meer van jezelf houdt, en wat minder onzeker bent, dan doe je zoiets natuurlijk niet. Door dat eten en dat kotsen ga je jezelf nog meer verachten, waardoor het voortdurend erger wordt. Terwijl je die extra aandacht waar je op uit was helemaal niet krijgt. Je probeert het juist te verbergen. Toen ik nog thuis woonde, werd ik daar steeds behendiger in. Ik at overdag als iedereen weg was tientallen boterhammen met suiker. Maar ik zorgde er gewoon voor dat het brood steeds werd aangevuld, zodat niemand het merkte.’

De boulimia kwam, merkte ze, uiteindelijk tussen haar en de rest van de wereld te staan. Terwijl ze die boulimia nota bene zelf had opgeroepen. ‘Maar je moet niet onderschatten dat het een echte aandoening is’, reageert Wallis de Vries. ‘Het begint met aandachttrekken, maar daarna wordt het een zeer destructief proces.’ Uiteindelijk vertelde ze het toch aan haar moeder. Door haar belandde ze bij een therapeut, die haar drie jaar begeleidde. ‘Daar ontdekte ik voor het eerst dat ik het mezelf onnodig moeilijk maakte. Dat het oké was dat ik bestond. Terwijl ik daarvoor altijd had gedacht dat ik er heel veel voor moest doen om te mogen bestaan. Pas toen die boulimia weg was, vond ik mezelf weer terug. Daardoor kon ik echt vanuit mezelf gaan schrijven.’

Met cabaret had ze voordien nooit veel affiniteit gehad. Goed, in Alphen was ze weleens naar Herman Finkers en Jenny Arean geweest. Maar ze hield veel meer van Doemaar en Prince. Tot ze Hard en Zielig, het eerste soloprogramma van Hans Teeuwen, zag. Toen voelde ze zich voor het eerst bij een cabaretprogramma echt geraakt. ‘Dat was ontzettend deze tijd. Hij deed dingen die heel erg bij onze generatie horen. Toen ik dat zag voelde ik dat ik ook zoiets moest doen.’ Sinds vier jaar wordt Wallis de Vries samen met diezelfde Teeuwen en Theo Maassen tot de top van de nieuwe generatie cabaretiers gerekend. Maar ze merkt wel nadrukkelijk dat ze een heel andere achtergrond heeft. ‘Door mijn opleiding vind ik ook het máken van een programma, het proces op zichzelf, interessant. In het cabaret speelt dat nauwelijks een rol. Daar is het allemaal gericht op scoren. Zeker bij al die solomannen: scoren, scoren, scoren. Puur op resultaat. Bij Comedytrain was dat precies hetzelfde. Er is totaal geen interesse voor artistieke processen, terwijl dat in elke andere kunstvorm wél zo is. Er bestaat een groot dédain voor opleidingen, voor “dingen leren”. Ik heb het Freek zelf horen zeggen. Dat vind ik onvoorstelbaar. Hoe kun je nou denken dat je niks kunt leren, en dat het je artisticiteit zelfs ondergraaft? Hoe goed Freek ook is, ik zie wat-ie mist. Een paar jaar geleden zag ik hem voor het eerst. Na een half uur kon ik het niet meer aan. Ik wilde bijna roepen: “En nou even rustig…”,’ Op haar hals wijzend: ‘Constant die aderen hier. Wat Youp van ‘t Hek ook zo heeft. Helemaal als ze gaan zingen; dat is echt verschrikkelijk. Dan denk ik: neem één zangles en je leert dat je vanuit je buik moet zingen. Zo’n programma van Freek zit verdomd knap in elkaar. Je voelt aan alles dat-ie daar hoort, dat het zijn plek is. Maar er zijn genoeg technische dingen waar ik toch van ga fronsen.’

‘Ik geloof niet dat ze anders naar mij kijken omdat ik een vrouw ben. Ik word gelukkig vooral als mezelf beoordeeld. Omdat ik ook niet in die traditie van vrouwelijke cabaretiers sta. Ik hoor toch veel meer bij Hans Teeuwen en Freek de Jonge.’ Er wordt, zeg ik, door de vrouwen in de zaal wel opvallend veel harder gelachen. Ach, daar staat ze niet bij stil. Het kan haar niet schelen wie er lacht, ‘zolang de avond maar lukt.’ Op het toneel maakt ze zichzelf vaak uitdrukkelijk lelijk. Maar waarom zou dat een bezwaar zijn? ‘Ik vind het juist heel erg leuk. Het werkt gewoon: die mimiek, die motoriek. Dat vind ik veel leuker dan normaal doen. Ik moet mij over het algemeen in het leven heel erg inhouden. Ik ben soms bang dat het erdoorheen barst. Ik heb van die vlagen dat ik het heel leuk vind om alles wat anderen zeggen direct na te zeggen. Zoals kinderen dat doen. Het liefst zou ik bij elke kassa, zodra die cassière zegt: “da’s dan vierentwintig vijfennegentig”, dat direct met een gek stemmetje nabouwen: “da’s dan vierentwintig vijfennegentig”. Dat lijkt mij heerlijk. Hans Teeuwen durft dat ook echt. Ik ben daar te opgevoed voor. Maar op het toneel kan ik dat ongeremd doen. Ik ben bereid om daar heel ver in te gaan. Het zal mij worst zijn dat dat er niet uitziet. Dat is juist leúk.’

Je voelt bij jou op dat toneel ook nadrukkelijk een soort gekte. Alsof je danst op een vilkaan.

‘Dat schrijven en spelen is zeker een manier om dingen te bedwingen. Ik hoor vaker zeggen dat ik gek ben. Ik herken het. Er zit een enorme grenzeloosheid in mij.’ Ja, hoe moet ze dat nou uitleggen. Er schiet opeens van alles door haar hoofd. Niet dat spelen voor haar een therapie is. ‘Maar ik voel dat het mijn enige plek is.. Anders komt het er bij mij niet uit. Ik zeg in mijn nieuwe programma: “Als ik niet tot de laatste zin heb kunnen uitpraten, heb ik echt niet gezegd wat ik bedoel”. Dat klinkt grappig, maar het is echt waar. In gezelschappen voel ik mij heel vaak een raar wezentje. Soms zeg ik iets, heel serieus bedoeld, en dan beginnen mensen gewoon te láchen.’ Verontwaardigd: ‘Dat snap ik echt niet. Een soort diepe verbazing: waarom is het niet normaal hoe ik ben? Wat is dan de norm? Ik vind dingen van anderen helemaal niet snel gek. Ik vind het eerder raar dat mensen zoveel dingen raar vinden. “Je cabaret is zo ongewoon”, zeggen ze dan. Maar wat is dan gewoon?’

‘Op het toneel mag ik er zijn, dat voel ik. Daarbuiten vind ik het moeilijk. Ik ben heel snel bozig, gefrustreerd, verdrietig. Ik vind het moeilijk om in het gewone leven te laveren, en met mensen om te gaan. En ik laat mij makkelijk raken. Als iemand iets tegen mij zegt, dan dringt dat vaak enorm diep door. Loop ik er nog dagen over te piekeren. Maar op het podium weet ik: ik heb tot half elf en ik ben hier degene die de sfeer maakt en de ruimte vult. Daar doe ik waar ik goed in ben. Selma zegt weleens: “het lijkt wel alsof je ervoor geboren bent”. Ik denk dat dat echt zo is. Daarbuiten kan ik mij moeilijk uiten.’ Het is al sterk verbeterd, zegt ze. Ze is veel rustiger geworden, verstandiger. In het begin kon ze nog erg onhandig en onaardig reageren. ‘Lenette van Dongen is vanaf het begin heel aardig voor me geweest. Ze zei na Sop: “he lekker, weer een vrouw erbij”. Maar ik vond dat juist een ontzettend stomme opmerking. Hoezo: lekker-weer-een-vrouw-erbij? Lenette zei heel vriendelijk: “zullen we ‘ns samen een kop koffie drinken?”. En ik direct: “pfft, nou zeg… dring je niet zo op, mens”. Later dacht ik: sukkel, had nou maar “ja” gezegd. Verschrikkelijk hoe pedant ik toen was.’

Ik herinner Wallis de Vries aan haar optreden in het VPRO-programma De Plantage. Ze nam daar in september 1996 deel aan een paneldiscussie over cabaret, waarbij ze vooral opviel door haar nurksheid en lichtgeraaktheid. Ze begint te lachen, duidelijk verlegen. Ja, het is waar, ze was toen wel een tante. ‘Maar ik herinner mij dat ik veel van de vragen echt dóm vond. En dan zat daar ook nog ‘ns Gerard Cox…’ Nee, de parodie op Groenteman in haar huidige programma heeft daar niets mee te maken. ‘Het was ook een grote vergissing van Patrick van den Hanenberg om dat “rancune” te noemen. Dat is het niet. En dan schreef hij ook nog dat dat “wel een aardig nummer” opleverde. Wel een aardig nummer?.’ Met een gek stemmetje: ‘Het is hilárisch!’ Ze springt overeind. Heb ik het AD gelezen? Stralend citeert ze de kop: “Weer een meesterwerk van Sanne”. ‘Vijf sterren!’ Ze kon ook niet anders dan die krant even onder de neus van haar partner Thomas van Luyn (eveneens cabaretier) duwen. ‘Kijk, dié man heeft het begrepen.’ Van Luyn en Wallis de Vries kennen elkaar uit de tijd dat ze samen het VPRO-programma Waskracht presenteerden. Van onderlinge competitie is in principe geen sprake, benadrukt ze. Hoewel dat aanvankelijk anders lag. ‘Onze eerste programma’s gingen bijna gelijktijdig in première. Thomas ging er helemaal voor. Het liep ook heel goed. Hij zei steeds: “dat lijkt mij het ergste, dat ze schrijven: Van Luyn overtuigt niet”. Ik was daar eerst helemaal niet zo mee bezig, maar door hem begon ik mij ook nerveus te maken. Ik ging iets eerder in première dan hij. Ik weet nog dat hij na afloop heel bleek rondliep, en ook vrij snel naar huis ging. En het rare was dat ik precies de recensies kreeg die hij zo graag wilde hebben. Terwijl ze over zijn programma niet onverdeeld positief waren. Iets van: “nou leuk, kijken wat-ie verder gaat doen”.’

In recensies leest ze tot haar eigen verbazing dat ze hard op weg is naar de top. Wat nou: op weg naar de top? Alsof ze daar op uit is, zeg. ‘Ik ben helemaal niet bezig met een rit naar de top. Patrick van den Hanenberg schreef: “ze ligt perfect op koers”.’ Geërgerd: ‘Maar waar ga ik dan naar toé? Ik heb geen idee. Misschien ga ik na dit programma wel een boek schrijven. Of in een musical spelen.’ Ooit zag ze Hair, in Carré. ‘Ik heb de hele tijd zitten huilen van ontroering.’ Zo’n grote stap zou het voor haar ook niet zijn, van solocabaret naar musicalrepertoire. Ze is inmiddels zelfs gevraagd voor de musical Little shop of horrors, die vanaf oktober te zien zal zijn. Ze kon jammergenoeg niet, omdat ze in de periode zelf moet spelen. Thomas van Luyn deed ook auditie, en werd prompt aangenomen voor de mannelijke hoofdrol. Wallis de Vries zal het vanaf de zijlijn nauwgezet volgen. In de hoop dat er toch ooit een musicalrol voor haarzelf opdaagt. ‘Ik zie mezelf als een medium, als een instrument van mijn eigen teksten en ideeën. In een musical ben je instrument van andermans ideeën. Dat is echt niet zo’n groot verschil. Zolang je de essentie maar niet uit het oog verliest. Je moet maken wat je moet maken. Al het andere is bijzaak.’

© Coen Verbraak, 2000