In een kast in de garage staat zijn fiets. Dezelfde waar hij zijn laatste Tour op reed. De behoedzame manier waarop Peter Winnen (42) het lichtblauwe frame tussen de deurpost door naar buiten manoeuvreert heeft alles met tederheid te maken. Even wijkt alle nuchterheid voor weemoed. Hij streelt het zadel, aait de stuurstang. Dit is ook méér dan zomaar een verzameling buizen en stangen, zegt hij. Deze fiets droeg hem door de bergen, dwars door de Franse zomer. En al is het dan negen jaar geleden dat hij afstapte, 'die navelstreng is nog altijd niet doorgeknipt. Ik heb ook nog heel lang gedroomd dat ik weer moest koersen. En ik was altijd de laat aan de start, of ik kon mijn fiets niet vinden. Dat is toch je rennershart. De impact van al die jaren is echt onbehoorlijk groot geweest.'
Sindsdien heeft hij vooral stil geleefd. Hij volgde een deeltijdstudie op de Kunstacademie, en werkte korte tijd als docent op een huiswerkinstituut. Het grootste deel van de tijd was hij thuis, om voor zijn zoontje te zorgen. Totdat Adriaan Jaeggi van uitgeverij Thomas Rap hem drie jaar geleden vroeg om zijn wielerherinneringen te boek te stellen. Het duurde vier maanden voordat Winnen toestemde. De beslissing was namelijk verre van eenvoudig. De wielrennerij was bepaald geen sport waar hij zich nog graag mee wilde afficheren. 'Ik was er kotsmisselijk van hoe de wielersport er op dat moment uitzag: volledig losgeslagen. Het had helemaal niets meer met competitie of sport te maken.' Dat bracht direct een ander groot bezwaar met zich mee. 'Als je over de wielersport schrijft zul je ook over doping moeten schrijven. Dat is verdomd lastig. Je weet als voormalig coureur precies hoe het in elkaar zit: je zou echt moeiteloos de hele sport de grond in kunnen boren. In drie A-viertjes zou je klaar kunnen zijn. Dat was nou ook weer niet de bedoeling.'
Uiteindelijk hakte hij de knoop toch door. 'Het zou toch te zot voor woorden zijn als ik niet over mijn eigen leven zou kunnen schrijven?' In Van Santander naar Santander beschrijft Peter Winnen in briefvorm zijn wielerloopbaan, van zijn eerste jaren als amateur tot zijn laatste grote koers als profrenner, in 1991. Echt pikante doping-onthullingen staan er niet in, al beschrijft Winnen wel een aantal eigen ervaringen met verboden middelen. De angst bij oud-renners zat er desondanks diep in. Winnen: 'Toen uitlekte dat ik met een boek bezig was, werd ik prompt bij een koers en plein public in de kladden gegrepen. Het was een renner die wilde weten of hij er ook in voorkwam. Zoja, dan stónd hij erop dat hij het van tevoren mocht lezen. Ik zei: ja dág, voel 'ns aan je bochel. Toen kwamen er direct dreigementen. Volstrekt bezopen natuurlijk.'
Het grootste probleem bij het schrijven was dat Winnen na zijn afscheid resoluut vrijwel zijn hele archief had weggegooid, op z'n notitieboekjes na. 'Ook de kranten over Alpe d'Huez.' Via knipsels van wielerfanaten en plakboeken van z'n moeder lukte het hem uiteindelijk toch om zijn loopbaan nauwkeurig te reconstrueren. Diezelfde plakboeken komen ook tijdens ons gesprek op tafel. Gedreven voorziet Winnen elke foto van commentaar. Daar staat hij als broekie van begin twintig; in driedelig pak, na het tekenen van zijn eerste profcontract. En kijk, hier brachten zijn ouders hem in hun rode Daf naar Schiphol, op weg naar de Olympische Spelen in Moskou in 1980. Verderop in het album foto's van de Ysboerke-bus (zijn allereerste sponsor) en van de Ronde van Duitsland, door z'n ouders gemaakt vanaf het televisiescherm. Hij wijst spottend op het klassementsbord. 'Hier werd ik nog achtste in een proloog. Dat heb ik daarna nooit meer gered.' Want hij heeft maar kort gevlamd. 'Ik heb mij die eerste drie jaar volkomen kapot gereden. De Tour van '83 heeft mij genekt. Toen heb ik mezelf opgeblazen.'
Zijn profcarrière begon overweldigend: Nog geen jaar nadat hij zijn eerste profcontract had getekend won Peter Winnen in 1981 als debutant de belangrijkste bergetappe in de Tour, de koninginnerit Alpe d'Huez. In 1983 gebeurde dat opnieuw. In datzelfde jaar eindigde hij als derde in de Tour. 'Maar ik heb die eerste keer op Alpe d'Huez wel wat laten liggen, hoor', zegt Winnen nu. 'Ik ben veel te diep gegaan, veel te ver in het rood. Ik vond een foto terug, genomen vlak nadat ik over de finish kwam. Daarop zie je een líjk, een lijk met een petje op. Ik hoorde later hoe enthousiast de mensen hier waren, maar die euforie ging volslagen langs mij heen. Ik was te kapot om blij te zijn.' Hij besefte na Alpe d'Huez vooral dat hij eigenlijk geen grote wielrenner was. In elk geval geen Hinault. 'Ik merkte hoe kapot ik was. Terwijl zo'n Hinault vrolijk doorreed, en nooit ergens last van leek te hebben. Dat drukt je met je neus op de feiten: zover kom ik nooit. Dat was echt een behoorlijke schok.'
"Als men me op een baar had weggedragen, ik had er niet veel van gemerkt", schrijft Winnen , over een tijdrit in St. Priëst. "Toen werd Hinaults eindtijd bekend. Weer bijna vier minuten sneller; dat maakte dan samen meer dan twintig. Dit is toch geen doen meer, die man, dat is een regelrechte moordenaar [..] Ach, mocht ik maar één dag in dat lichaam huizen, om te ervaren wat fysieke almacht is."
Joop Zoetemelk speelt nauwelijks een rol in het boek. 'Joop' is ook nooit een held van hem geweest, zegt Winnen. 'Ik zag er heel weinig in. Hij miste de uitstraling. Terwijl hij toch heel bijzondere dingen heeft gedaan. Ik heb meegemaakt hoe hij in de Tour van 1985 volkomen werd weggereden. Zodat je dacht: Joop, doe jezelf dit toch niet aan. Terwijl hij daarna wel weer wereldkampioen werd. Er zit echt wel iets in die Joop, hoor. Maar ik heb mij nooit aan hem gespiegeld.' Winnen had als jongen vooral posters aan de muur van Jan Janssen en Rini Wagtmans. En foto's van Poulidor en Anquetil, geknipt uit Mirroir du Cyclisme.
Hij groeide op in Ijsselsteyn, als tweede in een katholiek gezin van vijf kinderen. Zijn vader was boekhouder bij een landbouwcoöperatie. Op zijn dertiende vroeg Winnen een licensie aan om officieel te mogen koersen. Hij fietste direct opvallend goed, en won veel. Dat fietsen was meer dan een hobby, besefte hij later. 'Wielrennen is zo zwaar; dat kun je niet opbrengen zonder innerlijke noodzaak. Het kwam voort uit de behoefte om iets voor te stellen, om iemand te zíjn. Vanaf m'n veertiende was ik ongelofelijk verlegen. Dat wielrennen had ik nodig om me te laten zién. En later had het ook met Weltschmerz te maken. Zonder fietsen voelde ik mij ongelukkig. Ik wilde weg, ver van huis, voorbij de horizon.'
'Als ik fietste voelde ik mij gelukkig. Ik hóórde op dat zadel. Ik hield ook van de dromerigheid van Frankrijk in de zomer. Zeker bij die heel lange ritten. In die tijd had je in de Tour nog etappes van soms driehonderdveertig kilometer. Dan zat je uren in jezelf te sudderen. Het omgekeerde kwam ook voor; dan ging je zitten piekeren en malen. Dat ging heel ver, soms tot aan de rand van krankzinnigheid. Vooral als je echt kapot gaat zitten. Ken je die maskers van James Ensor? Ik heb een paar keer meegemaakt dat ik op een berg zo verschrikkelijk kapot zat dat de mensen langs de kant opeens allemaal van die koppen hadden. Alsof je door een Jeroen Bosch-schilderij fietst.' Hij heeft tijdens zo'n etappe vaak genoeg gedacht dat hij de meet niet zou halen, dat hij dood van z'n fiets zou vallen. 'Een mens is niet gebouwd op een Tour de France. Tijdens een zware bergrit verbrand je dertien- tot veertienduizend kilocalorieën. Dat kun je in een dag niet eens opnemen. En dat dan vier, vijf dagen achter elkaar. Daarom moet je na die zware ritten ook altijd direct aan het infuus.'
Winnen beschrijft in Van Santander naar Santander hoe hij de eerste jaren rondom de koers zonodig werd behandeld met vitaminepreparataten, voedingssupplementen en tonica 'uit de grote valies' van zijn soigneur Jomme. Maar gaandeweg kwam hij erachter dat er ook nog 'een klein valiesken' bestond. 'Winnen,' zei Jomme. 'Winnen, lustert es efkens hier as ge wilt, wanneer ge werkelijk ie-iet van doen hebt hé, dan moet ge het zeggen hé.'Ik wist onmiddellijk waar Jomme het over had. Een andere medicatie, een medicatie voor gevorderden, het echte werk. Hormonen en dergelijke. En die zijn niet te vinden in de grote valies van de ploeg. Die zijn te vinden in het kleine valiesken van de maëstro, het valiesken dat honderden jaren aan ervaring bevat, het valiesken bevattende de zogenaamde 'diamantjes.' Een toverdoos is het, dat valiesken. {..} En in het peloton werd er omzichtig over gesproken. Iedere soigneur had zo zijn eigen geheime formules. Vakmanschap is meesterschap.'
De grens tussen het grote en het kleine 'valiesken' is diffuus, weet Winnen uit ervaring. Aanvankelijk was hij panisch voor hormonen. 'Later heb ik dat uit handen gegeven. Vanaf 1983 bij Raleigh begon dat. Het is mij nooit verteld, maar er werd vast met hormoonpreparaten gewerkt. En toch laat je dat gaan. Als je als renner zo diep moet gaan, is het enige dat telt: zorg dat ik hier doorheen kom. Doping is moeilijk precies te definiëren. Je kunt zeggen: alles wat op de officiële dopinglijst staat, is verboden. Maar die lijst zelf is zo absurd en willekeurig. Het overgrote deel betreft medicijnen die iedere burger in dit land zou kunnen gebruiken. Waarom zou een wielrenner niets kunnen mankeren?' De grens lag voor hem bij het gebruik van Epo. 'Dat spul is zo goed dat je er de bodem onder het spelletje mee vandaan slaat. Daarmee verdwijnt de competitie.' Hij kan zich nog haarscherp het moment herinneren waarop Epo zijn intrede deed. In 1988 werd hij in de koers opeens voorbijgezoefd door tientallen mindere goden. 'Er kwam ineens een hausse aan Italiaanse overwinningen. Met name in de klassiekers. Dat liep de spuigaten uit. Toen werd duidelijk dat de winnaar bijna tot op de seconde nauwkeurig geprepareerd kon worden. Die jongens reden met ongelofelijke hematocrietspiegels in hun bloed rond. Ontstellend linke soep.' Zelf heeft het nooit Epo gebruikt, bezweert hij. 'Ik heb dat in die tijd nooit gedurfd. Ik was als de dood voor eventuele lichamelijke gevolgen.'
Kun je vandaag de dag meerijden in de Tour zonder die middelen?
'Alleen als je je tevreden stelt met een honderdtachtigste plaats, of lager. Er zijn uitzonderingen: oermensen als Hinault, Indurrain of Armstrong hebben het misschien niet nodig. Maar de rest zal wel moeten. Het probleem bij Epo is pas opgelost wanneer er een deugdelijke methode is om het op te sporen..'
Hoeveel renners in de Tour gebruiken het?
'Als er tweehonderd starten zullen er honderdnegentig zijn die het gebruiken.' Ik vraag wat hij vindt van Michael Boogerd, die in een zuurstoftank slaapt, om de aanmaak van rode bloedlichaampjes te stinuleren. Winnen haalt z'n schouders op. 'Strikt volgens de reglementen is zo'n tent verboden. Maar ik vind zelf dat zoiets moet kunnen. Je slikt feitelijk geen medicamenten, en je moet er bovendien een hoop moeite voor doen.'
Is het effect hetzelfde als bij een hoogtestage?
'Het effect is hetzelfde, maar op hoogte krijg je nog zoveel andere dingen mee. Bij mij is het twee keer grandioos mislukt. Mijn bloed werd wel beter, maar daarnaast heb je het probleem van het isolement en de dodelijke saaiheid. Het wedstrijdritme ontbreekt. En je merkt heel duidelijk dat je spieren op hoogte gaan afbouwen. Je gaat jezelf opeten. Dan is zo'n tent dus beter.'
Winnen beschrijft in zijn boek terloops een aantal eigen ervaringen met verboden middelen, maar noemt geen namen van collega's. Dat zou 'maten naaien' zijn. Maar zelfs het vertellen over eigen ervaringen kan al riskant zijn. Eind vorig jaar werkte Peter Winnen samen met Steven Rooks en Maarten Ducrot mee aan een special van KRO's Reporter over doping in de wielersport. Nou, hij heeft het geweten. Hij werd bestookt met woedende reacties en anonieme bedreigingen. De wielerwereld zelf reageerde furieus. 'We hadden de omerta verbroken. Direct de dag na de uitzending werden we tot persona non grata verklaard. Ik ben sindsdien niet meer bij een koers geweest. Rooks wel. Die kreeg ook direct van iemand de volle laag, met scheldpartijen en al. Bijna tot klappen aan toe. De wielerwereld is schijtsbenauwd. Post, Raas, Van Vliet en Van der Poel begonnen na de uitzending zó flauw te doen. Dat er stappen zouden volgen. Raas uitte in Sportweek zelfs publiekelijk dreigementen. Daar hoor je verder natuurlijk niks meer van. Niemand durft stappen te ondernemen. Want als ik onder ede zou gaan praten, zou het allemaal nog veel erger worden. Ik had van tevoren echt wel het één en ander verwacht. Maar deze lompheid en grofheid had ik niet voorzien.'
Ik vraag wat hem het meeste schokte. Hij antwoordt met nauwelijks verholen kwaadheid in zijn stem: 'Dat je voor debiel wordt versleten. Iemand als Adri van der Poel die ons opeens "gesjeesde flippers" noemde. Kijk, van Knetemann heb ik ook leuke mailtjes en faxen gehad, met de strekking dat wij met z'n drieën mediageile varkentjes waren. Maar van hem deed dat geen zeer. Omdat ik zijn praatjes wel ken. Ik weet hoe hij zelf in elkaar zit. Als er iémand een mediageil biggetje is, dan is het Gerrie Knetemann. Maar toen ik dat las van Adri van der Poel… dat deed wél pijn. Als iemand zou moeten weten hoe het in elkaar zit is hij het wel. Als er iemand met de spuit overweg kon, dan was het Adri van der Poel.' Zwaar ademend van de aanzwellende woede: 'Ik ben er niet van gediend om door zo'n type als imbeciel te worden aangeduid.' Hij is door de affaire ook vrienden kwijtgeraakt. Hij was goed bevriend met Theo de Rooy en Erik Breukink. Daar is weinig van overgebleven. Winnen: 'De Rooy zit er nog middenin, als ploegleider. En Erik is benauwd. Ik weet dat hij het in wezen met mij eens is, maar niet met de manier waarop ik het naar buiten gebracht heb. Hij is onvoorstelbaar voorzichtig; uit angst om een smet te werpen op zijn eigen carrière.'
'De Tour van '98 deed bij mij de deur dicht. Ik voelde mij als oud-coureur genaaid. Niet door de publicaties, maar door het milieu zelf. Ik voelde mij vies: daar heb ik verdomme ook bij gehoord. Die coureurs en ploegleiders hebben toen een geweldige kans laten liggen. Ze hadden moeten zeggen: "en nou zijn we het zat. Iedereen kan toch op zijn vingers natellen dat er in het hele peleton geen hond alleen maar op een vitaminepil rijdt. Die lijst slaat nergens op. Wij gaan nu eens openlijk discussiëren over wat wel en niet doping is" Maar nee, ze lieten zich als een kudde makke schapen weer de weg op drijven. Echt niemand durfde. De renners niet, uit angst voor de ploegleiders; de ploegleiders niet, uit angst voor de sponsors.'
Hadden ze moeten zeggen: wij gebruiken Epo. Nou én?
'Dat hoeft niet. Maar een beetje meer strijdbaarheid kan geen kwaad. De angst regeert. Wat daarbij meespeelt: men is nog altijd elkaars concurrent. Men is ongelofelijk bang dat de ander iets heeft wat jij zelf niet hebt. Die lijst is dus veilig. Je weet: alles wat daarop staat is voor mij verboden, maar voor hém ook.'
Vijf jaar geleden werd Winnen door de Rabo-ploeg gevraagd om tijdens de Tour gasten te chaufferen. Dat deed hij drie zomers lang, tot en met de Tour van '98. Aanvankelijk was het een vreugdevol weerzien, met de wereld die hij zo goed kende. Dromerig: 'Het was prachtig om er weer te zijn. Over de Pyreneeën, over de Aubisque. Ik dacht elke keer: jeetje, heb ik dat allemaal echt ooit gefietst? Zo'n Tourmalet, twintig kilometer omhoog; daar komt in de auto al geen eind aan.' Tussendoor was hij soms even een paar dagen thuis. Na het tumult rond soigneur Willy Voet begon daar de telefoon te rinkelen. 'Want journalisten weten: als er iemand wat durft te zeggen is het Winnen, Ducrot of Rooks. Heel af en toe roept Henk Lubberding iets, op zijn eigen botte manier. Eerst belde het ANP. Ik zei: het is belachelijk dat de Franse justitie zo optreedt, en dat de wielerwereld zich niet eens verdedigt. Dat stond in alle kranten en werd direct naar Frankrijk gefaxt. Vervolgens begonnen ze bij de Rabobank moeilijk te doen. Opeens kreeg ik geen opdrachten meer. De befaamde salami-methode: er blijven steeds minder en minder schijfjes over.'
Voel je je nog verwant met de wielerwereld?
Aarzelend: 'Als ik een wedstrijd op televisie zie, identificeer ik mij met die knullen op die fietsen. Maar die wereld zelf ligt achter mij. Dat milieu is zo bekrompen. Het is één grote autistische clan, die alle kenmerken vertoont van een sekte.'
Het moment waarop Winnen definitief van de fiets stapte -in 1991, tijdens de Ronde van Spanje- beschrijft hij in Van Santander naar Santander als een ogenblik van grote opluchting. Ík had voortdurend het gevoel of ik op mijn rug iets zwaars meezeulde, alsof er nog iemand met me mee reed. Ik raakte het ook na de koers niet meer kwijt. [..] Maar nu is het weg. [..] De stolsels in het gemoed lijken door een zachte dokter te zijn weggedotterd."
Het was ook werkelijk een opluchting, vertelt hij. Hij sukkelde al maanden met een blessure, opgelopen bij een aanrijding met een NOS-wagen. 'Opeens wist ik: het is hoog tijd om te gaan. Ook door die Epo. Ik zag gebeuren dat de sport eraan onderdoor zou gaan. Ik was echt blij dat ik er af was. Datzelfde geldt voor Frans Maasen en Hedwig van Hooydonk. Die zijn er -omstreeks 1995- om precies dezelfde reden uitgestapt. Die durfden het ook niet, en konden daardoor niet langer opboksen tegen de concurrentie.' Toch mist hij de sfeer, het gevoel, de geur. 'Ik heb een sterk melancholieke aard. Die Weltschmerz is er nog steeds. Elke winter heb ik een flinke winterdepressie te pakken. Ik heb een enorme behoefte om in beweging te blijven, om onderweg te zijn. Wielrennen heeft voor mij alles met verlangen te maken. Uiteindelijk wil je de eeuwigheid zelf.'
Nee, dat is niet hetzelfde als "voor de dood uitfietsen", vindt hij. Dat is te poëtisch. 'Maar je zoekt extase, een oplossing in het bestaan. Als wielrenner is je bestaan overzichtelijk. Fysiek was het zwaar, maar mentaal was het geen opoffering. In feite was het een heel dierlijk leven. Je hoefde niet te denken; er werd voor je gedacht. Je kreeg je koersspullen, je wist hoe je moest rijden en dat was het dan. Als wielrenner vond ik het makkelijk om te bestaan, daarbuiten veel minder. Daarom ben ik er zo lang mee doorgegaan. In mijn boek appelleer ik aan Nescio. Zo'n uitvreter die wekenlang op het dak zit te niksnutten. Alleen maar zitten. Langzaam versterven, totaal opgaan in de omgeving. Dat voelde ik als coureur heel sterk. Ik ben er op de fiets echt een paar keer in geslaagd om volkomen op te gaan in de natuur, in de beweging. In feite zijn dat meditatieve momenten; van verlichting, van volkomen vrede met jezelf.'
'Toen ik eenmaal gestopt was deed zich iets heel vreemd voor: ik zat opeens tegen een gat van vijftien jaar aan te kijken. Aan de ene kant ben je als sportman gevormd, door succes en tegenslag. Maar toen dat ophield, merkte ik: verdomme, ik heb het gewone leven helemaal niet gevolgd. De actualiteit, de kranten, de wereld. Dat wielrennen was op zichzelf wel zinvol geweest, maar eenmaal eruit kwam ik tot de conclusie dat ik vijftien jaar lang opgesloten had gezeten. Daar schrok ik erg van. Alsof ik uit een gesticht ontsnapt was. Opeens besef je dat je vanaf de grond opnieuw moet beginnen. Wat heb je te bieden, wat kún je nog? Kortom: een identiteitscrisis van jewelste.'
De onrust van vroeger steekt sinds een paar jaar weer de kop op. 'Gelukkig compenseerde het schrijven van dit boek een hoop.' Als zijn boek goed valt, wil hij verder gaan met schrijven. Winnen houdt nu al een column bij voor de VNU-bladen, over de Tour. Hij zal geen etappe missen. Want er zijn nog altijd renners als Armstrong. 'Zulk een minnaar kunnen ze in de Tour wel gebruiken.'Al blijft zijn relatie met de Ronde van Frankrijk 'heel erg dubbel'. 'Omdat ik weet dat je koersen voornamelijk nog kunt winnen vanuit de reageerbuis. Je ziet het niet, maar je wéét het wel. Dat heeft een heel groot deel van de romantiek afgehaald. Tegelijkertijd voel ik mij op die momenten toch nog steeds een wielrenner. Dat is die navelstreng, die nog steeds niet is doorgeknipt. Ik weet wat die jongens op die fietsen bezielt. Dat zijn óók romantici die als jongetjes van tien met een kop vol dromen liepen. Ik ben er heilig van overtuigd dat er niemand bij zit die het alleen voor het geld doet. Dan ga je echt wel iets makkelijkers doen.'
© Coen Verbraak, 2001
|