YOUP VAN 'T HEK
'IK HEB MIJN GELD PER GRAP VERDIEND'

17-12-2005



De oudejaarsconference van Youp van ’t Hek blijkt in het theater van Veenendaal al weken van tevoren uitverkocht. Ook al speelt de cabaretier op een avond twee try outs van Het Zelfmoordcommando, het is bij lange na niet genoeg om de overweldigende belangstelling te stelpen. Twee weken later in Schiedam is het al niet anders. Opnieuw doet hij op twee avonden twee voorstellingen achter elkaar. En beide keren laat hij na afloop een dampende zaal achter. ‘Mooi, he’, zegt Van ’t Hek na afloop dromerig, wanneer de massa nog merkbaar overdonderd naar de parkeerplaats meandert. Geen man hangt ’s middags op weg naar de schouwburg vrolijker in de file dan hij. ‘Ik ga nog steeds geen dag naar m’n wérk.’

Het zelfmoordcommando is geen klassieke oudejaarsconference waarin het jaar nog ‘ns wordt doorgenomen. Dat doet hij nooit, zegt Van ’t Hek (51) later, in een café tegenover zijn huis in de Amsterdamse binnenstad. ‘Wim Kan noemde veel namen. Maar dat was de tijd waarin de politiek nog door mensen gevolgd werd.’ Het stond voor hem vooraf vast dat het in elk geval over fundamentalisme moest gaan, maar ook over Talpa. ‘Dat zijn de thema’s van deze tijd. Door de overdosis van welvaart, voetbal en vermaak wordt alles dichtgetimmerd. Alles komt ook op tv. In het verleden riep Jaap van Praag van Ajax: “het hangt ervan af of de wedstrijd uitverkocht is.” Dán pas werd-ie uitgezonden. Alles is geld geworden, alles is verwaterd. Vroeger had je Kopspijkers. Een leuk programma. Maar dat wordt dan toch weer verdeeld. Koefnoen ontstaat, Jack Spijkerman gaat zelf weg… Er blijft heel weinig over.’ Ja, zijn voormalige VARA-collega kan alvast een aangename oudejaarsavond tegemoet zien. Niet dat Van ’t Hek iets tegen Spijkerman heeft. Helemaal niet. ‘Ik vind ‘m een schat van een man. Maar zijn grappen hebben geen enkele waarde meer. Hij is in zee gegaan met iemand die hij jarenlang grap in grap uit veracht heeft. Dát neem ik hem kwalijk, hij heeft z’n principes verloochend. De cabaretier Spijkerman heeft met z’n overstap naar Talpa zelfmoord gepleegd. Vroeger nam hij al die vreselijke belspelletjes op de hak, nu wordt hij erdoor betaald. Wat wil je nog over anderen beweren als je zelf gefinancierd wordt door Big Brother? Dan roept hij in het Volkskrant Magazine opeens dat ik drie huizen heb. Die heb ik dus wel helemaal bij elkaar geluld met mijn eigen grapjes. Het draait uiteindelijk om je geloofwaardigheid.’


Wat was het voor jouzelf voor jaar?
‘Een jaar waarin ik met veel succes een programma heb afgesloten in Carré, en waarin ik weer een oudejaarsconference heb gemaakt.’

Nu heb je het alleen over werk.
‘Dat is ook het enige waarover ik het wil hebben.’

2005 was ook het jaar waarin half Nederland wist dat Youp van ’t Hek weg was bij z’n vrouw, en bij een vriendin was gaan wonen.
‘Ja. En? Ik woonde korte tijd elders, maar geen seconde met een vriendin! Laat ik er kort over zijn. Er is een crisis in het huwelijk van de familie Van ’t Hek geweest. Die is nu voorbij. Klaar! Dat is het enige wat ik erover wil zeggen.’

Wat domineerde in de publiciteit was een soort leedvermaak: de man die altijd anderen de maat neemt, heeft nu zelf problemen.
‘Daarover heb ik nooit iemand de maat genomen.’

Het gaat bij jou altijd over uitgebluste huwelijken, relaties als ”cola waar de dop vanaf is”
‘Ik heb nooit beweerd dat mijn eigen huwelijk heilig is. In Prachtige paprika’s zei ik zelfs dat het een redelijk lange zit is.’

Heb je nog overwogen om er in je oudejaarsconference iets over te zeggen?
‘Geen seconde.’

Eén goede grap erover en je maakt het onschadelijk.
‘Nee, ik heb er niet over nagedacht. Ik heb er één keer tijdens de try outs iets over gezegd, en toen bleek dat een deel van het publiek het helemaal niet wist. Dan denk ik: waar gáát het eigenlijk over? Ik praat alleen met goede vrienden over m’n privéleven. Anderen gaat het geen flikker aan.’

Toen het Brabants Dagblad vorig jaar in een stukje je gangen in Den Bosch naging, reageerde je ongekend fel. Je verzon als wraak in de NRC dat hoofdredacteur Tony van der Meulen naar de hoeren ging en het aanlegde met stagiaires.
‘Dat had hier niets mee te maken.’

Het leek een reactie van iemand die doodsbang was dat er een geheim zou uitkomen.
‘Onzin. Het was puur een journalistieke kwestie. Ik laat mij niet stalken door een juffrouw van de krant. Dat die pokdalige pisnicht Evert Santegoeds zoiets nou doet… soit. Maar niét het Brabants Dagblad. Er wordt al genoeg door m’n brievenbus gegluurd. Ik was ook verbijsterd dat in de Volkskrant in de tv-recensie van Prachtige paprika’s de huwelijksproblemen bij de Van ’t Hekjes ter sprake kwamen. En dat ik er hier nu met jou over zit te praten…Zoiets zou twintig jaar geleden nooit in de Volkskrant gestaan hebben. Maar ja, toen liepen de columnisten ook nog niet in Postbank-leeuwenpak. De tijden zijn veranderd, mijnheer!’

Je bent goed met Jan Mulder bevriend. Wat heb je over die reclame tegen ‘m gezegd?
‘Hij weet precies hoe ik daarover denk. “Maar ja”, zegt Jan dan, “ik kreeg er zóveel geld voor”.’

Is dat niet net zo ontluisterend als wat Spijkerman deed?
‘Vooral van Remco Campert vind ik het erg jammer. Zo’n mooie schrijver en dichter…Maar voor mij blijft hij dat.’

De moraal is dat iedereen blijkbaar te koop is.
‘Nee. Je zit nu tegenover iemand die dat pertinent niet is.’

Je schreef na de moord op Van Gogh in je NRC-column: “Ik let al jaren op mijn woorden. Hell’s Angels? Ze gaan hun gang maar. Hooligans? Vecht je dood Fundamentalisten? Succes met geloven. Ik hou me er mooi buiten”. Betekent dat dat je monddood bent geworden?
‘Welnee. Er zijn alleen meer manieren om iets te zeggen. Als je zegt: “Hell’s Angels? Ze gaan hun gang maar!”, dan zeg je eigenlijk al genoeg. Voor mij geldt steeds vaker de vraag: is dat het mij wel waard? Ik maakte ooit een grap over voetbalsupporters. Daarna kreeg ik dusdanig veel mails met taalfouten dat ik dacht: die sláán wel. Is dat het me dan waard? Voor het gelijk of het ongelijk van die gasten? Dacht het niet.’

Van Gogh is vermoord om z’n mening.
‘Maar wel door een gek. Ik besef al heel lang dat er Mohammed B’s rondlopen. Na Submission zei ik tegen mijn manager: dit is je reinste kamikaze. Hij wordt een keer gepakt.’

Eigen schuld?
‘Nee, dat bedoel ik absoluut niet. Maar het verbaasde mij dat een intelligente jongen als hij niet inzag dat er zulke gekken rondlopen. Ik vond Van Gogh een prima gozer, maar z’n columns waren dodelijk saai..Steeds maar weer die “geitenneukers”. Altijd en eeuwig hetzelfde. Iedereen met wie hij het niet eens was, noemde hij De Grote Denker. Voorspelbaar en oninteressant. Hoogst opmerkelijk overigens dat zijn zelfbenoemde Beste Vriend Theodor Holman na de moord uitvoerig bij Frits Barend ging zitten. Als Theo aan iémand een tyfushekel had, dan was het aan Frits Barend. Daarmee bewijs je als Weduwe Van Gogh je beste vriend geen goede dienst.’

De moord op Van Gogh was toch een signaal aan mensen die –zoals jij- het vrije woord benutten.
‘Je hebt het vrije woord en het vrije woord. Ik heb mijn woorden altijd zorgvuldig gekozen. Je moet beseffen dat je in de krant schrijft, of voor een publiek optreedt.’

Je legt jezelf vooraf censuur op?
‘Nee, maar ik denk wel na over wat ik zeg of schrijf. Voor mijn column kies ik m’n woorden anders dan voor mijn shows. Als ik op toneel iemand een lul noem, dan zie je mijn oogopslag erbij. Je hoort de intonatie, kent de grappen die eraan voorafgingen. Het geschreven woord heeft een heel andere lading. Bovendien gaan die columns wereldwijd het internet over.’

En er worden jaarlijks ruim honderdduizend boekjes van verkocht.
‘Dat is onvoorstelbaar, ja.’

Een vreemd idee: je bent begonnen als eenmanszaakje van een jongen die cabaretier wilde worden, en nu ben je directeur van de florerende firma Van ’t Hek.
‘Dat ben ik dus niet. Hans Floberg, mijn manager, is officieel directeur. Maar ook weer niet. In ons hoofd zijn we het niet. Ik schiet er vooral om in de lach.’

Het is prettig lachen op weg naar de bank.
Opeens bloedserieus: ‘Luister, daar is het nooit om begonnen. Toen ik vroeger dat geld niet had, leidde ik precies hetzelfde leven. Alleen in een kleiner huis. Toen ik merkte dat ik rijk begon te worden –zo rond 1986- heb ik er behoorlijk mee geworsteld. Echt enorm. Ik voelde me schuldig, lullig. Vervolgens heb ik mezelf de vraag gesteld: ga je er nou van genieten of niet? Het antwoord was uiteindelijk: “ja”. Ik heb mijn geld per grap verdiend. Mij heb je nooit in een reclame gezien. Ik ben ook nooit van vriendenkring veranderd. Ik heb een huis aan zee dat door mijn vrienden gebruikt wordt. Iedereen mag daar zitten. Verder interesseert het me niet. En ik heb een stichting opgericht, Alle Beetjes, voor Derde Wereldprojecten. Allemaal kleinschalige projecten; een Volkswagenbusje in Mali, een huis voor lijmsnuivers in Brazilië. Waarom? Omdat het moét! Zo hebben me ouders me opgevoed. Ik leerde thuis dat je geld niet zomaar krijgt, maar dat je het moet verdiénen. In dat opzicht zijn mijn ouders en de rest van m’n familie nog altijd ijkpunten voor me.’

Wie zijn in je vak je ijkpunten?
‘Ik vind als columnist Jan Blokker erg goed. En binnen het cabaret luister ik graag naar Theo Maassen. Vanwege z’n toon, z’n gedachtengang, z’n erg goede grappen. Ik vind Maassen wat dat betreft veel interessanter dan Hans Teeuwen. Ik ben een keer naar Najib Amhali geweest. Vond ik ook fantastisch. En ik heb altijd een grote warmte gevoeld voor de programma’s van Herman Finkers. Zijn manier van denken is zó origineel…’

Vorig jaar schreef je “Neerlands Hope”, een vlijmscherpe column over het bezoek van Freek de Jonge aan de troepen in Irak.
‘Ik heb die column geschreven uit oprechte verbazing. Omdat ik het onvoorstelbaar vond dat hij dat deed.’

Ik was met De Jonge mee naar Irak, voor een documentaire. Hij had na die column bijna de tranen in zijn ogen staan.
‘Iemand als Freek moet daar tegen kunnen. Ik wil ook dat zo’n column aankomt. Dat mensen na afloop denken: zó…’

Maar de gewenning treedt ook op; je weet vaak al van tevoren wie je gaat slaan.
‘Niemand wist dat ik hierover ging schrijven. En sláán… dat valt ook wel mee. Laatst stond ik met drie slachtoffers in één ruimte. Dat verliep heel gemoedelijk. Eerst zag ik Cas Spijkers, over wie ik de column “Crab bij Cas” had geschreven. Hij kon er wel om lachen. Nummer twee was de dokter van PSV, die ooit een keeper liet doorspelen die hartstikke dizzy was. Hij moest ook lachen en vond dat ik toen gelijk had.. In de verte zat John Jaakke. Over hem had ik net geschreven dat-ie weg moest wezen bij Ajax. Die zwaaide even. En ik zwaaide terug.’

Blijkbaar ben je als columnist dus ongevaarlijk.
‘Niet ongevaarlijk. Een columnist voegt iets aan je gedachtenwereld toe.’

Maar als je slachtoffers er al om lachen.
‘Een column is ook gemaakt om te lachen. Ik ga met mijn zaklantaarn door Nederland. Als iemand zich in het openbaar onbedaarlijk aanstelt, dan schrijf ik daar een stukje over. Dat wordt vervolgens door een miljoen mensen gelezen. Zo ongevaarlijk is dat dus niet.’

‘In mijn column en in mijn shows ben ik toch altijd bezig om de mening van mensen bij te stellen; hun opvatting over moslims, over vluchtelingen. Ik haal mijn inspiratie uit alles, uit het hele leven. Ik lees elke gebruiksaanwijzing, ik luister naar elk gesprek. Zo blijft het vitaal. Deze voorstelling open ik met: “er zijn twee dingen belangrijk in je leven: liefde en werk”. Ik denk dat dat echt zo is. Die twee dingen moeten goed met elkaar in evenwicht zijn. Als ik de hele dag thuis een saaie werkloze lul was, dan zou mijn vrouw toch gaan denken…’

Nam-ie maar een vriendin.
‘Bijvoorbeeld.’

Hond op het ijs, uit 1988, was een prachtig, poëtisch programma. Je oudejaarsconference uit 1989 was ook heel bijzonder. Maar daarna is het blijven hangen op altijd weer dezelfde thema’s. Wéér “de lifter”, wéér “de zwerver”, opnieuw de romantiek van het studentenleven. Je programma’s ontwikkelen zich nauwelijks meer.
‘Ik denk dat ze zich wel degelijk ontwikkelen. Mijn denken gaat altijd uit van het individu, dat uiteindelijk ondergesneeuwd raakt. Het individu wil op reis, maar wordt vermorzeld door het systeem.’

Dat heb je al heel vaak verteld.
‘Dat zal best. Maar ik blijf het wel aangeven. Ik denk ook dat het niet wáár is wat je zegt. Ik heb hooguit een bepaalde kapstok. Als je ziet wat ik in Ergens in de verte (1992) heb verteld over ouder worden en dementie.. Of in Scherven (1996) over het aanlengen van de smaak… We zitten nu met Talpa, hebben overal water bij geflikkerd. Het voetbal is ons afgejat door het grote geld.’

Maar dat zijn toch vooral “buitenkant-dingen”.
‘Denk je? Denk je echt dat dat buitenkant is?’

Dat punt heb je bovendien al lang geleden gemaakt.
‘Een artiest is wat-ie is. Brel zong vooral over de liefde. So what? Dat bén je. De programma’s van Teeuwen lijken net zoveel op elkaar als mijn programma’s op elkaar lijken.’

Je eindigt nu met een soort smeekbede: “Leef! Lééf!”. Dat heb ik in allerlei gedaantes al eerder bij je gehoord.
‘Ja, maar ik praat wel tegen een land waarvan er nu een miljoen in therapie zijn. Eén van de mooiste momenten uit de show vind ik dat ik mij afvraag of dat dorpje in Afrika ook elke week naar de psychiater kan. “Ja dokter. Maar die medicijnen moet ik drie maal per dag innemen. Na de maaltijd”.’

Jouw doem is dat je min of meer in je eigen schaduw speelt.
‘Dat gevoel heb ik zelf absoluut niet. De mensen die naar mij toekomen snappen mijn thema’s. Het is mijn levensmotto: “bestá! Beséf! Pik het niet!” Dat is mijn kern. Ik heb daarin een vorm gevonden, op het toneel en in mijn columns. Nu ga ik even pochen: ik ben de best gelezen columnist van Nederland. En dat ben ik niet omdat iedereen het nu wel wéét. Mijn zalen zitten ook nog altijd stampend vol.’

Dat is toch geen argument. Van der Valk zit ook elke avond vol.
‘Theaterpubliek is een heel ander publiek. Het verhaal dat ik vertellen wil is heel erg van deze tijd. Natuurlijk heb ik dat al eerder verteld. Maar de twintigers van nu zaten toen niet in de zaal.’

Voor een artiest is stilstand de dood in de pot.
‘Ik vind het geen stilstand. Absoluut niet.’

Een herhaling van zetten dan.
‘Néé! Het is geen herhaling van zetten. Ik heb een aantal dingen al eerder gezegd. En ik zal ze blijven herhalen ook.’

Zou het niet mooi zijn, nog ‘ns een nieuw hoofstuk aan je loopbaan toevoegen?
‘Misschien héb ik niet meer hoofdstukken. Dit is mijn scala. Ik ben weleens aan andere dingen begonnen, maar dan dacht ik halverwege: doe jij maar liever waar je goed in bent.’

Maar als het je doel is om mensen even aan hun oor te trekken, dan krijgt het door die herhaling iets van een truukje.
‘Doe jij dat truukje dan maar ‘ns.’

Dat is mijn vak niet.
‘Dat dacht ik.’

Jij kunt in je column ook schrijven dat Dirk Kuijt slecht gevoetbald heeft. Die zegt dan toch ook niet: speel jij maar ‘ns zo.
‘Ik snap jouw kritiek heel goed. Maar ik ga mijn eigen werk niet lopen verdedigen. Als ik het geheel overzie – van Flappie tot aan de Périphérique- dan heb ik wel degelijk een tijdsbeeld neergezet. En nog steeds. Ik sta middenin het leven. Ik wil blijven doen waar ik goed in ben. In mijn eentje op dat podium staan en twee uur tegen zo’n zaal praten. Dat is hartstikke moeilijk. Het is een vák, man. Een onbedaarlijk vak. Het punt is alleen dat je mensen niet kunt blijven verrassen. Als ze mij vroeger zagen, dachten ze: jezus… Maar je bent maar één keer nieuw voor ze. Ik ben inmiddels familie van ze geworden. En dan nog, ik loop langs de schilderijen van Van Gogh en ik herken ze allemaal. Ik loop langs de programma’s van Freek, en ik herken ze allemaal. Je kunt het als kritiek zien, maar ook als compliment.’

Er is verschil tussen stijl en inhoud.
‘Nou ja.. oké. Ik denk dat er niet méér in zit. Punt. En wat is daar eigenlijk mis mee? Ik heb altijd graag op een goede Fongers-fiets gereden.’

Heb jij iets aan Nederland toegevoegd?
‘Dat denk ik wel. Mezelf, mijn grapjes, mijn manier van kijken. Ik spreek vaak mensen die zeggen: ik moest gisteravond even aan je denken. In een café, of op zo’n eikelfeestje. Er moeten heel veel mensen af en toe even aan mij denken. Dat is niet niks, hoor. Dat is véél.. Aan jou denken ze nooit.’

© Coen Verbraak, 2005